Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
ziet 11
zij 241
zijden 1
zijn 167
zijnde 5
zijner 5
zijns 6
Frequency    [«  »]
181 in
176 tot
171 hun
167 zijn
166 die
141 haar
109 hij

boek Judith (Het)

IntraText - Concordances

zijn

    Chapter, Verse
1 1, 2 | muurs zeventig ellen, en zijn breedte vijftig ellen;~ 2 1, 3 | 3 En stelde zijn torens op de poorten dezer 3 1, 5 | ellen, tot de uittocht van zijn machtige legers, en tot 4 1, 5 | en tot de ordeningen van zijn voetvolk.~ 5 1, 11| als een enig man, en deden zijn boden ledig van zich wederkeren 6 1, 12| dat land; en hij zwoer bij zijn troon en zijn koninkrijk, 7 1, 12| zwoer bij zijn troon en zijn koninkrijk, dat hij zich 8 1, 13| 13 En hij is met zijn macht in slagorden getrokken 9 1, 13| verkreeg de overhand in deze zijn krijg en versloeg de ganse 10 1, 13| macht van Arfaxad, en al zijn ruiterij en zijn wagenen, 11 1, 13| en al zijn ruiterij en zijn wagenen, en vermeesterde 12 1, 13| wagenen, en vermeesterde zijn steden.~ 13 1, 15| Ragan, en doorschoot hem met zijn pijlen, en verdierf hem 14 1, 16| weder naar Nineve, hij en al zijn leger, uit vele volken bestaande, 15 1, 16| hield maaltijden, hij en zijn leger, honderdentwintig 16 2, 2 | 2 En hij riep al zijn dienstknechten, en al zijn 17 2, 2 | zijn dienstknechten, en al zijn groten bijeen, en hij stelde 18 2, 2 | voor de verborgenheid van zijn raad, en hij verhaalde met 19 2, 2 | raad, en hij verhaalde met zijn eigen mond al het kwaad 20 2, 4 | het geschiedde, als hij zijn raadslag geëindigd had, 21 2, 5 | mijns monds ongehoorzaam zijn geweest; en zult hen ontbieden, 22 2, 7 | tot de krijg, gelijk hem zijn heer bevolen had, tot honderdentwintigduizend, 23 2, 11| 11 En hij begaf zich met zijn ganse leger op de uittocht, 24 2, 12| Bektileth; en hij sloeg zijn leger van Bektileth af, 25 2, 12| Opper-Cilicië, en hij nam zijn geheel heerleger, zijn voetknechten, 26 2, 12| nam zijn geheel heerleger, zijn voetknechten, en zijn ruiters, 27 2, 12| heerleger, zijn voetknechten, en zijn ruiters, en zijn wagenen, 28 2, 12| voetknechten, en zijn ruiters, en zijn wagenen, en trok van daar 29 3, 2 | 2 Ziet, wij zijn knechten des groten konings 30 3, 5 | steden, en die daarin wonen, zijn uw knechten; kom en handel 31 3, 6 | 6 En die mannen zijn tot Holofernes gekomen, 32 3, 7 | 7 En hij met zijn heerkracht trok af naar 33 3, 8 | daaruit krijgsvolk aan tot zijn krijg, uitgelezen mannen.~ 34 3, 14| 14 En hij sloeg zijn leger tussen Gaba en Scythopolis, 35 5, 3 | ophoudt, en wat steden het zijn die zij bewonen, en de menigte 36 5, 4 | hebben, dat zij mij niet zijn tegemoet gekomen, buiten 37 5, 8 | 8 En zijn afgetreden van de weg hunner 38 5, 8 | aangezicht hunner goden; en zij zijn naar Mesopotamië gebracht, 39 5, 8 | zij bleven daar wonen, en zijn vermenigvuldigd aan goud, 40 5, 9 | 9 En zijn afgetrokken naar Egypte, ( 41 5, 9 | totdat zij wedergekeerd zijn, en zij zijn daar geworden 42 5, 9 | wedergekeerd zijn, en zij zijn daar geworden tot een grote 43 5, 20| Maar toen zij afgeweken zijn van de weg, die hij hun 44 5, 20| hij hun had voorgesteld, zijn zij door vele oorlogen zeer 45 5, 21| 21 En zijn gevankelijk weggevoerd in 46 5, 21| afgeworpen, en hun steden zijn ingenomen door hun vijanden.~ 47 5, 22| bekeerd zijnde tot hun God, zijn zij wedergekomen uit hun 48 5, 24| wij zullen tot een smaad zijn voor het gehele land.~ 49 5, 27| Holofernes en zij zullen een aas zijn voor uw ganse leger.~ ~ ~ 50 6, 3 | 3 Deze zal zijn macht afzenden en hen verdelgen 51 6, 3 | verlossen, maar wij die zijn knechten zijn zullen hen 52 6, 3 | maar wij die zijn knechten zijn zullen hen slaan als één 53 6, 4 | zijner rede zullen niet ijdel zijn.~ 54 6, 5 | die uit Egypte gekomen zijn, en dan zal het zwaard mijns 55 6, 5 | ik tot u zal wedergekeerd zijn.~ 56 6, 7 | 7 En Holofernes beval zijn knechten, die bij hem in 57 6, 7 | knechten, die bij hem in zijn tent stonden, dat zij Achior 58 6, 8 | 8 En zijn knechten grepen hem, en 59 6, 15| degenen, die u geheiligd zijn.~ 60 6, 17| mee uit de vergadering in zijn huis, en bereidde een maaltijd 61 7, 1 | daags gebood Holofernes zijn gehele heerleger, en al 62 7, 1 | gehele heerleger, en al zijn volk, hetwelk tot zijn hulp 63 7, 1 | al zijn volk, hetwelk tot zijn hulp in deze krijg gekomen 64 7, 6 | dag voerde Holofernes al zijn ruiters uit, voor het gezicht 65 7, 7 | hijzelf trok weder op naar zijn volk.~ 66 7, 8 | hore toch een woord, opdat zijn heerleger geen afbreuk lijde,~ 67 7, 10| omdat zij tegen u opgestaan zijn, en dat zij u niet in vrede 68 7, 10| dat zij u niet in vrede zijn tegemoet gekomen.~ 69 7, 11| behaagden Holofernes, en al zijn dienstknechten, en zij bepaalden 70 7, 15| van Holofernes, en aan al zijn heerkracht.~ 71 7, 16| zullen wij hun tot knechten zijn, en onze ziel zal leven, 72 7, 19| waarin de Here onze God zijn barmhartigheid over ons 73 7, 20| volk doen scheiden elk naar zijn legerplaats, en zij zijn 74 7, 20| zijn legerplaats, en zij zijn naar de muren en torens 75 8, 3 | veld, en de hitte kwam op zijn hoofd, en hij viel te bed, 76 8, 3 | viel te bed, en stierf in zijn stad Bethulië, en zij begroeven 77 8, 3 | en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in het veld dat 78 8, 13| geschapen heeft, onderzoeken, en zijn zin vernemen, en zijn gedachten 79 8, 13| en zijn zin vernemen, en zijn gedachten verstaan?~ 80 8, 16| 16 Daarom laat ons op zijn verlossing wachten, en hem 81 8, 17| die met handen gemaakt zijn.~ 82 8, 18| en ten roof overgegeven zijn, en zijn gevallen voor onze 83 8, 18| roof overgegeven zijn, en zijn gevallen voor onze vijanden 84 8, 20| 20 Want als wij ingenomen zijn, zal Judea niet meer zo 85 8, 20| wij ook zullen dienstbaar zijn. En wij zullen tot een aanstoot 86 8, 20| aanstoot en tot een spot zijn voor degenen, die ons bezitten. 87 8, 29| totdat het zal volbracht zijn.~ 88 9, 2 | Simeon, die het zwaard in zijn hand gegeven hebt tot wraak 89 9, 2 | gezegd, het zal zo niet zijn) en die dat gedaan hadden, 90 9, 4 | dingen zelf, en die daarna zijn geschied, en weet de dingen 91 9, 4 | en weet de dingen die nu zijn, en die toekomende zijn, 92 9, 4 | zijn, en die toekomende zijn, en, die dingen, die gij 93 9, 4 | die gij beraadslaagd hebt, zijn daar komen staan, en hebben 94 9, 4 | hebben gezegd: Ziet hier zijn wij.~ 95 9, 5 | 5 Want al uw wegen zijn bereid, en uw oordeel is 96 9, 6 | Want ziet, de Assyriërs zijn vermenigvuldigd in hun heerleger, 97 9, 6 | vermenigvuldigd in hun heerleger, zij zijn hoogmoedig op hun paarden 98 9, 13| overste, en de overste met zijn dienaar.~ 99 10, 13| gebergte veroveren, en van zijn mannen zal niemand omkomen, 100 10, 15| heren. En nu, ga voort tot zijn tent, en enigen van ons 101 10, 15| geleiden, totdat zij u in zijn handen zullen leveren.~ 102 10, 17| kamerlingen van Holofernes, en al zijn dienaars kwamen uit, en 103 10, 18| En Holofernes rustte op zijn bed onder een behangsel, 104 10, 19| 19 En als Judith voor zijn aangezicht en dat zijner 105 10, 19| aangezicht, aanbad hem, en zijn dienstknechten richtten 106 11, 4 | heer zal niet vervallen van zijn aanslagen.~ 107 11, 5 | aarde, leeft, en zo waar als zijn kracht leeft, die u uitgezonden 108 11, 5 | onder Nabuchodonosor en zijn ganse huis leven.~ 109 11, 7 | heeft in uw raad, wij hebben zijn woorden gehoord, dewijl 110 11, 7 | heersende heer, verwerp zijn rede niet, maar laat ze 111 11, 9 | iets uit te richten zou zijn, zo is de dood hun over 112 11, 10| gebruiken al hetgeen God in zijn wetten hun verboden heeft 113 11, 12| hun dit zal geboodschapt zijn, en zij zullen hebben gedaan, 114 11, 16| en daar zal niet een hond zijn, die met zijn tong tegen 115 11, 16| niet een hond zijn, die met zijn tong tegen u zal bassen;~ 116 11, 17| 17 Want deze dingen zijn mij aangezegd naar mijn 117 11, 17| mijn voorwetenschap, en zijn mij geboodschapt, en ik 118 11, 18| behaagden Holofernes en al zijn dienstknechten, en zij verwonderden 119 11, 21| schoon van gestalte en kloek zijn uw redenen, indien gij dan 120 11, 21| zo zal uw God mijn God zijn, en gij zult in het huis 121 11, 21| wonen, en gij zult vermaard zijn door het gehele land.~ 122 12, 1 | brengen zou in de kamer waar zijn zilverwerk bewaard werd, 123 12, 1 | men haar zou opdissen van zijn spijs, en dat zij drinken 124 12, 1 | dat zij drinken zou van zijn wijn.~ 125 12, 3 | Maar wanneer het op zal zijn, dat bij u is, vanwaar zullen 126 12, 6 | toch, dat men toelate dat zijn dienstmaagd tot het gebed 127 12, 6 | uitga; en Holofernes beval zijn lijfwachten, dat zij haar 128 12, 10| aanrichtte, alleen voor zijn dienstknechten, en riep 129 12, 12| mijn heer te komen, om door zijn aanschijn verheerlijkt te 130 12, 14| Want al wat behagelijk zal zijn in zijn ogen, dat zal ik 131 12, 14| wat behagelijk zal zijn in zijn ogen, dat zal ik vlijtig 132 12, 14| dit zal mij een verheuging zijn, tot aan de dag mijns doods.~ 133 12, 16| ontzette zich tegen haar, en zijn ziel werd bewogen, en was 134 13, 1 | geworden was, zo haastten zich zijn dienstknechten om te scheiden, 135 13, 1 | zich gaan allen, die voor zijn heer stonden.~ 136 13, 3 | Holofernes was voorover op zijn bed gevallen, want de wijn 137 13, 5 | 5 En Judith staande voor zijn bed, zeide in haar hart:~ 138 13, 6 | die tegen ons opgestaan zijn.~ 139 13, 7 | Holofernes' hoofd was, en zij nam zijn sabel vandaar, en nabij 140 13, 7 | greep zij het haar van zijn hoofd aan en zeide:~ 141 13, 9 | En zij sloeg tweemaal in zijn hals met al haar kracht: 142 13, 9 | haar kracht: en hieuw hem zijn hoofd af, en zij wentelde 143 13, 18| looft Hem; looft God, die zijn barmhartigheid van het huis 144 13, 19| hetwelk hij gelegen heeft in zijn dronkenschap, en de Here 145 13, 20| aangezicht hem heeft verleid tot zijn verderf, en hij heeft geen 146 13, 23| vrouwen, die op de aarde zijn.~ 147 14, 2 | zo zal een iegelijk van u zijn krijgsuitrusting nemen, 148 14, 6 | des volks, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in onmacht 149 14, 9 | tot degenen die over al zijn zaken gesteld was:~ 150 14, 14| op de vloer geworpen, en zijn hoofd was hem afgehouwen; 151 14, 14| sterk getier, en verscheurde zijn klederen.~ 152 14, 15| Holofernes ligt ter aarde, en zijn hoofd is niet op hem.~ 153 15, 6 | en haar landpalen gekomen zijn,~ 154 15, 13| bedden, en de bekkens, en al zijn huisraad, en zij nam het 155 16, 2 | Psalm; verheft, en roept zijn naam aan.~ 156 16, 3 | vermorzelt: want hij heeft in zijn leger, in het midden des 157 16, 11| schone pantoffelen hebben zijn oog weggerukt, en haar schoonheid 158 16, 11| en haar schoonheid heeft zijn ziel gevangen genomen, en 159 16, 11| genomen, en de sabel is door zijn hals gegaan.~ 160 16, 13| riepen mijn zwakken, en zij zijn verbaasd geworden; die verhieven 161 16, 13| verhieven hun stem, en zij zijn teruggekeerd.~ 162 16, 14| hebben zij hen gewond, zij zijn vergaan door het heer des 163 16, 17| hebt het gezegd, en zij zijn geworden. Gij hebt uw geest 164 16, 19| 19 Maar gij zult genadig zijn degenen die u vrezen, want 165 16, 23| het behangsel, dat zij uit zijn slaapkamer genomen had, 166 16, 25| een iegelijk weder naar zijn erve, en Judith kwam weder 167 16, 27| Manasse gestorven, en tot zijn volk vergaderd was.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License