Chapter, Verse
1 1, 2 | muurs zeventig ellen, en zijn breedte vijftig ellen;~
2 1, 3 | 3 En stelde zijn torens op de poorten dezer
3 1, 5 | ellen, tot de uittocht van zijn machtige legers, en tot
4 1, 5 | en tot de ordeningen van zijn voetvolk.~
5 1, 11| als een enig man, en deden zijn boden ledig van zich wederkeren
6 1, 12| dat land; en hij zwoer bij zijn troon en zijn koninkrijk,
7 1, 12| zwoer bij zijn troon en zijn koninkrijk, dat hij zich
8 1, 13| 13 En hij is met zijn macht in slagorden getrokken
9 1, 13| verkreeg de overhand in deze zijn krijg en versloeg de ganse
10 1, 13| macht van Arfaxad, en al zijn ruiterij en zijn wagenen,
11 1, 13| en al zijn ruiterij en zijn wagenen, en vermeesterde
12 1, 13| wagenen, en vermeesterde zijn steden.~
13 1, 15| Ragan, en doorschoot hem met zijn pijlen, en verdierf hem
14 1, 16| weder naar Nineve, hij en al zijn leger, uit vele volken bestaande,
15 1, 16| hield maaltijden, hij en zijn leger, honderdentwintig
16 2, 2 | 2 En hij riep al zijn dienstknechten, en al zijn
17 2, 2 | zijn dienstknechten, en al zijn groten bijeen, en hij stelde
18 2, 2 | voor de verborgenheid van zijn raad, en hij verhaalde met
19 2, 2 | raad, en hij verhaalde met zijn eigen mond al het kwaad
20 2, 4 | het geschiedde, als hij zijn raadslag geëindigd had,
21 2, 5 | mijns monds ongehoorzaam zijn geweest; en zult hen ontbieden,
22 2, 7 | tot de krijg, gelijk hem zijn heer bevolen had, tot honderdentwintigduizend,
23 2, 11| 11 En hij begaf zich met zijn ganse leger op de uittocht,
24 2, 12| Bektileth; en hij sloeg zijn leger van Bektileth af,
25 2, 12| Opper-Cilicië, en hij nam zijn geheel heerleger, zijn voetknechten,
26 2, 12| nam zijn geheel heerleger, zijn voetknechten, en zijn ruiters,
27 2, 12| heerleger, zijn voetknechten, en zijn ruiters, en zijn wagenen,
28 2, 12| voetknechten, en zijn ruiters, en zijn wagenen, en trok van daar
29 3, 2 | 2 Ziet, wij zijn knechten des groten konings
30 3, 5 | steden, en die daarin wonen, zijn uw knechten; kom en handel
31 3, 6 | 6 En die mannen zijn tot Holofernes gekomen,
32 3, 7 | 7 En hij met zijn heerkracht trok af naar
33 3, 8 | daaruit krijgsvolk aan tot zijn krijg, uitgelezen mannen.~
34 3, 14| 14 En hij sloeg zijn leger tussen Gaba en Scythopolis,
35 5, 3 | ophoudt, en wat steden het zijn die zij bewonen, en de menigte
36 5, 4 | hebben, dat zij mij niet zijn tegemoet gekomen, buiten
37 5, 8 | 8 En zijn afgetreden van de weg hunner
38 5, 8 | aangezicht hunner goden; en zij zijn naar Mesopotamië gebracht,
39 5, 8 | zij bleven daar wonen, en zijn vermenigvuldigd aan goud,
40 5, 9 | 9 En zijn afgetrokken naar Egypte, (
41 5, 9 | totdat zij wedergekeerd zijn, en zij zijn daar geworden
42 5, 9 | wedergekeerd zijn, en zij zijn daar geworden tot een grote
43 5, 20| Maar toen zij afgeweken zijn van de weg, die hij hun
44 5, 20| hij hun had voorgesteld, zijn zij door vele oorlogen zeer
45 5, 21| 21 En zijn gevankelijk weggevoerd in
46 5, 21| afgeworpen, en hun steden zijn ingenomen door hun vijanden.~
47 5, 22| bekeerd zijnde tot hun God, zijn zij wedergekomen uit hun
48 5, 24| wij zullen tot een smaad zijn voor het gehele land.~
49 5, 27| Holofernes en zij zullen een aas zijn voor uw ganse leger.~ ~ ~
50 6, 3 | 3 Deze zal zijn macht afzenden en hen verdelgen
51 6, 3 | verlossen, maar wij die zijn knechten zijn zullen hen
52 6, 3 | maar wij die zijn knechten zijn zullen hen slaan als één
53 6, 4 | zijner rede zullen niet ijdel zijn.~
54 6, 5 | die uit Egypte gekomen zijn, en dan zal het zwaard mijns
55 6, 5 | ik tot u zal wedergekeerd zijn.~
56 6, 7 | 7 En Holofernes beval zijn knechten, die bij hem in
57 6, 7 | knechten, die bij hem in zijn tent stonden, dat zij Achior
58 6, 8 | 8 En zijn knechten grepen hem, en
59 6, 15| degenen, die u geheiligd zijn.~
60 6, 17| mee uit de vergadering in zijn huis, en bereidde een maaltijd
61 7, 1 | daags gebood Holofernes zijn gehele heerleger, en al
62 7, 1 | gehele heerleger, en al zijn volk, hetwelk tot zijn hulp
63 7, 1 | al zijn volk, hetwelk tot zijn hulp in deze krijg gekomen
64 7, 6 | dag voerde Holofernes al zijn ruiters uit, voor het gezicht
65 7, 7 | hijzelf trok weder op naar zijn volk.~
66 7, 8 | hore toch een woord, opdat zijn heerleger geen afbreuk lijde,~
67 7, 10| omdat zij tegen u opgestaan zijn, en dat zij u niet in vrede
68 7, 10| dat zij u niet in vrede zijn tegemoet gekomen.~
69 7, 11| behaagden Holofernes, en al zijn dienstknechten, en zij bepaalden
70 7, 15| van Holofernes, en aan al zijn heerkracht.~
71 7, 16| zullen wij hun tot knechten zijn, en onze ziel zal leven,
72 7, 19| waarin de Here onze God zijn barmhartigheid over ons
73 7, 20| volk doen scheiden elk naar zijn legerplaats, en zij zijn
74 7, 20| zijn legerplaats, en zij zijn naar de muren en torens
75 8, 3 | veld, en de hitte kwam op zijn hoofd, en hij viel te bed,
76 8, 3 | viel te bed, en stierf in zijn stad Bethulië, en zij begroeven
77 8, 3 | en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in het veld dat
78 8, 13| geschapen heeft, onderzoeken, en zijn zin vernemen, en zijn gedachten
79 8, 13| en zijn zin vernemen, en zijn gedachten verstaan?~
80 8, 16| 16 Daarom laat ons op zijn verlossing wachten, en hem
81 8, 17| die met handen gemaakt zijn.~
82 8, 18| en ten roof overgegeven zijn, en zijn gevallen voor onze
83 8, 18| roof overgegeven zijn, en zijn gevallen voor onze vijanden
84 8, 20| 20 Want als wij ingenomen zijn, zal Judea niet meer zo
85 8, 20| wij ook zullen dienstbaar zijn. En wij zullen tot een aanstoot
86 8, 20| aanstoot en tot een spot zijn voor degenen, die ons bezitten.
87 8, 29| totdat het zal volbracht zijn.~
88 9, 2 | Simeon, die het zwaard in zijn hand gegeven hebt tot wraak
89 9, 2 | gezegd, het zal zo niet zijn) en die dat gedaan hadden,
90 9, 4 | dingen zelf, en die daarna zijn geschied, en weet de dingen
91 9, 4 | en weet de dingen die nu zijn, en die toekomende zijn,
92 9, 4 | zijn, en die toekomende zijn, en, die dingen, die gij
93 9, 4 | die gij beraadslaagd hebt, zijn daar komen staan, en hebben
94 9, 4 | hebben gezegd: Ziet hier zijn wij.~
95 9, 5 | 5 Want al uw wegen zijn bereid, en uw oordeel is
96 9, 6 | Want ziet, de Assyriërs zijn vermenigvuldigd in hun heerleger,
97 9, 6 | vermenigvuldigd in hun heerleger, zij zijn hoogmoedig op hun paarden
98 9, 13| overste, en de overste met zijn dienaar.~
99 10, 13| gebergte veroveren, en van zijn mannen zal niemand omkomen,
100 10, 15| heren. En nu, ga voort tot zijn tent, en enigen van ons
101 10, 15| geleiden, totdat zij u in zijn handen zullen leveren.~
102 10, 17| kamerlingen van Holofernes, en al zijn dienaars kwamen uit, en
103 10, 18| En Holofernes rustte op zijn bed onder een behangsel,
104 10, 19| 19 En als Judith voor zijn aangezicht en dat zijner
105 10, 19| aangezicht, aanbad hem, en zijn dienstknechten richtten
106 11, 4 | heer zal niet vervallen van zijn aanslagen.~
107 11, 5 | aarde, leeft, en zo waar als zijn kracht leeft, die u uitgezonden
108 11, 5 | onder Nabuchodonosor en zijn ganse huis leven.~
109 11, 7 | heeft in uw raad, wij hebben zijn woorden gehoord, dewijl
110 11, 7 | heersende heer, verwerp zijn rede niet, maar laat ze
111 11, 9 | iets uit te richten zou zijn, zo is de dood hun over
112 11, 10| gebruiken al hetgeen God in zijn wetten hun verboden heeft
113 11, 12| hun dit zal geboodschapt zijn, en zij zullen hebben gedaan,
114 11, 16| en daar zal niet een hond zijn, die met zijn tong tegen
115 11, 16| niet een hond zijn, die met zijn tong tegen u zal bassen;~
116 11, 17| 17 Want deze dingen zijn mij aangezegd naar mijn
117 11, 17| mijn voorwetenschap, en zijn mij geboodschapt, en ik
118 11, 18| behaagden Holofernes en al zijn dienstknechten, en zij verwonderden
119 11, 21| schoon van gestalte en kloek zijn uw redenen, indien gij dan
120 11, 21| zo zal uw God mijn God zijn, en gij zult in het huis
121 11, 21| wonen, en gij zult vermaard zijn door het gehele land.~
122 12, 1 | brengen zou in de kamer waar zijn zilverwerk bewaard werd,
123 12, 1 | men haar zou opdissen van zijn spijs, en dat zij drinken
124 12, 1 | dat zij drinken zou van zijn wijn.~
125 12, 3 | Maar wanneer het op zal zijn, dat bij u is, vanwaar zullen
126 12, 6 | toch, dat men toelate dat zijn dienstmaagd tot het gebed
127 12, 6 | uitga; en Holofernes beval zijn lijfwachten, dat zij haar
128 12, 10| aanrichtte, alleen voor zijn dienstknechten, en riep
129 12, 12| mijn heer te komen, om door zijn aanschijn verheerlijkt te
130 12, 14| Want al wat behagelijk zal zijn in zijn ogen, dat zal ik
131 12, 14| wat behagelijk zal zijn in zijn ogen, dat zal ik vlijtig
132 12, 14| dit zal mij een verheuging zijn, tot aan de dag mijns doods.~
133 12, 16| ontzette zich tegen haar, en zijn ziel werd bewogen, en was
134 13, 1 | geworden was, zo haastten zich zijn dienstknechten om te scheiden,
135 13, 1 | zich gaan allen, die voor zijn heer stonden.~
136 13, 3 | Holofernes was voorover op zijn bed gevallen, want de wijn
137 13, 5 | 5 En Judith staande voor zijn bed, zeide in haar hart:~
138 13, 6 | die tegen ons opgestaan zijn.~
139 13, 7 | Holofernes' hoofd was, en zij nam zijn sabel vandaar, en nabij
140 13, 7 | greep zij het haar van zijn hoofd aan en zeide:~
141 13, 9 | En zij sloeg tweemaal in zijn hals met al haar kracht:
142 13, 9 | haar kracht: en hieuw hem zijn hoofd af, en zij wentelde
143 13, 18| looft Hem; looft God, die zijn barmhartigheid van het huis
144 13, 19| hetwelk hij gelegen heeft in zijn dronkenschap, en de Here
145 13, 20| aangezicht hem heeft verleid tot zijn verderf, en hij heeft geen
146 13, 23| vrouwen, die op de aarde zijn.~
147 14, 2 | zo zal een iegelijk van u zijn krijgsuitrusting nemen,
148 14, 6 | des volks, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in onmacht
149 14, 9 | tot degenen die over al zijn zaken gesteld was:~
150 14, 14| op de vloer geworpen, en zijn hoofd was hem afgehouwen;
151 14, 14| sterk getier, en verscheurde zijn klederen.~
152 14, 15| Holofernes ligt ter aarde, en zijn hoofd is niet op hem.~
153 15, 6 | en haar landpalen gekomen zijn,~
154 15, 13| bedden, en de bekkens, en al zijn huisraad, en zij nam het
155 16, 2 | Psalm; verheft, en roept zijn naam aan.~
156 16, 3 | vermorzelt: want hij heeft in zijn leger, in het midden des
157 16, 11| schone pantoffelen hebben zijn oog weggerukt, en haar schoonheid
158 16, 11| en haar schoonheid heeft zijn ziel gevangen genomen, en
159 16, 11| genomen, en de sabel is door zijn hals gegaan.~
160 16, 13| riepen mijn zwakken, en zij zijn verbaasd geworden; die verhieven
161 16, 13| verhieven hun stem, en zij zijn teruggekeerd.~
162 16, 14| hebben zij hen gewond, zij zijn vergaan door het heer des
163 16, 17| hebt het gezegd, en zij zijn geworden. Gij hebt uw geest
164 16, 19| 19 Maar gij zult genadig zijn degenen die u vrezen, want
165 16, 23| het behangsel, dat zij uit zijn slaapkamer genomen had,
166 16, 25| een iegelijk weder naar zijn erve, en Judith kwam weder
167 16, 27| Manasse gestorven, en tot zijn volk vergaderd was.~
|