Chapter, Verse
1 1, 1 | koninkrijk van Nabuchodonosor, die regeerde in de grote stad
2 1, 2 | muren van gehouwen stenen, die drie ellen waren in de breedte,
3 1, 6 | hem voegden zich allen, die aan dat gebergte woonden,
4 1, 6 | gebergte woonden, en allen die woonden aan de Eufraat,
5 1, 6 | Gilod kwamen tezamen tot die krijg.~
6 1, 7 | Assyriërs, zond tot allen die in Perzië woonden, en tot
7 1, 7 | Perzië woonden, en tot allen die tegen het westen woonden,
8 1, 7 | tegen het westen woonden, en die in Cilicië en Damaskus woonden,
9 1, 7 | en Antilibanon, en allen die woonden langs de vlakte
10 1, 9 | 9 En tot allen die in Samaria waren, en tot
11 1, 10| en Memfis, en tot allen, die in Egypte woonden, totdat
12 1, 12| en geheel Judea, en allen die in Egypte waren, totdat
13 1, 15| pijlen, en verdierf hem tot die dag toe.~
14 2, 3 | zou uitroeien al degenen, die het bevel zijns monds niet
15 2, 4 | veldoverste zijns legers, die de tweede na hem was, en
16 2, 5 | zult met u nemen mannen die op hun sterkte betrouwen,
17 2, 5 | heerleger, en ik zal hen die overgeven tot een roof;
18 2, 5 | overgeven, en gij zult mij die bewaren tot de dag van hun
19 2, 12| Bektileth af, bij de berg die aan de linkerzijde ligt
20 2, 13| en de kinderen Ismaëls, die daar woonden aan de woestijn
21 2, 14| vernielde alle hoge steden die gelegen waren aan de beek
22 2, 15| Cilicië in, en versloeg allen, die hem wederstonden, en kwam
23 2, 15| de landpalen van Jafet, die tegen het zuiden en tegen
24 2, 18| voor hem overviel degenen, die aan de zee woonden, die
25 2, 18| die aan de zee woonden, die daar waren in Sidon en Tyrus,
26 2, 18| waren in Sidon en Tyrus, en die daar woonden te Sur en Okina,
27 2, 18| te Sur en Okina, en allen die daar woonden tot Jemnaän;
28 2, 18| woonden tot Jemnaän; en die daar woonden in Azote en
29 3, 5 | Ziet, ook onze steden, en die daarin wonen, zijn uw knechten;
30 3, 6 | 6 En die mannen zijn tot Holofernes
31 3, 13| kwam in het gezicht van die van Esdrelon bij Dothea,
32 4, 1 | EN de kinderen Israëls, die in Judea woonden, hoorden
33 4, 1 | konings van Assyrië, aan die volken gedaan had, en op
34 4, 4 | maakten muren om hun vlekken, die daarop waren, en beschikten
35 4, 5 | Joakim, de hogepriester, die in die dagen te Jeruzalem
36 4, 5 | de hogepriester, die in die dagen te Jeruzalem was,
37 4, 6 | was te beletten degenen die opklimmen zouden, daar de
38 4, 7 | des gansen volk Israëls, die binnen Jeruzalem woonden,
39 4, 10| vrouwen, ook de kinderen, en die binnen Jeruzalem woonden,
40 4, 16| hogepriester, en al de priesters, die voor de Here stonden, en
41 4, 16| voor de Here stonden, en die de Here dienden, hun lendenen
42 5, 3 | en wat steden het zijn die zij bewonen, en de menigte
43 5, 3 | onder hen opgestaan is, die een leidsman is van hun
44 5, 4 | gekomen, buiten al degenen die in het westen wonen.~
45 5, 8 | hemels aangebeden, de God die zij kenden, en die hebben
46 5, 8 | de God die zij kenden, en die hebben hen verdreven van
47 5, 11| gans Egypteland met plagen, die niet te genezen waren en
48 5, 13| zij hebben verdreven allen die de woestijn bewoonden.~
49 5, 19| want met hen is een God, die ongerechtigheid haat.~
50 5, 20| afgeweken zijn van de weg, die hij hun had voorgesteld,
51 5, 26| geweldigen van Holofernes, en die het land aan de zee, en
52 6, 1 | het gemurmel der mannen, die rondom de vergadering waren,
53 6, 2 | gij toch Achior, en gij die van Efraïm gehuurd zijt,
54 6, 3 | niet verlossen, maar wij die zijn knechten zijn zullen
55 6, 5 | huurling der Ammonieten, die deze woorden gesproken hebt,
56 6, 5 | over dat geslacht dergenen, die uit Egypte gekomen zijn,
57 6, 7 | Holofernes beval zijn knechten, die bij hem in zijn tent stonden,
58 6, 8 | kwamen tot aan de fonteinen, die onder Bethulië waren; en
59 6, 8 | des bergs toe, en allen die met de slinger wierpen beletten
60 6, 11| oversten van hun stad, welke op die tijd waren Ozias, de zoon
61 6, 13| Holofernes en al de woorden die hij gesproken had in het
62 6, 15| het aanschijn van degenen, die u geheiligd zijn.~
63 6, 18| God Israëls aan om hulp, die gehele nacht.~
64 7, 2 | kloeke mannen onder hen op in die dag. En hun macht van strijdbare
65 7, 2 | grote menigte van mannen, die onder hen te voet waren.~
66 7, 5 | op hun torens, en bleven die gehele nacht op de wacht.~
67 7, 6 | gezicht der kinderen Israëls, die te Bethulië waren, en bezichtigde
68 7, 7 | en nam ze in, en bezette die met krijgswachten, en hijzelf
69 7, 10| waterfontein bemachtigen, die uit de voet van deze berg
70 7, 10| berg voortkomt, want allen, die in Bethulië wonen, halen
71 7, 12| hetwelk ligt bij Chus, die is omtrent de beek Mochmor;
72 7, 17| God en Here onzer vaderen, die ons vergeldt naar onze misdaden,
73 8, 1 | 1 EN in die dagen hoorde zulks Judith,
74 8, 3 | Want hij stond bij degene die de schoven bond in het veld,
75 8, 8 | 8 En daar was niemand die haar enige kwade zaak oplegde,
76 8, 9 | hoorde ook al de woorden die Ozias tegen hen gesproken
77 8, 9 | en zij zond haar maagd, die over al haar goederen gesteld
78 8, 10| en hebt de eed gesteld, die gij gesproken hebt, tussen
79 8, 13| en hoe zult gij de God die al deze dingen geschapen
80 8, 17| ons, welke de goden dient, die met handen gemaakt zijn.~
81 8, 20| spot zijn voor degenen, die ons bezitten. Want onze
82 8, 21| de Here, onze God, danken die ons verzoekt, gelijk hij
83 8, 24| de Here kastijdt degenen, die hem genaken, tot een waarschuwing.~
84 8, 25| gezegd, en daar is niemand die uw woorden kan tegenstaan.
85 8, 25| over ons zouden brengen, die wij niet mogen overtreden.~
86 8, 28| daaruit gaan, en binnen die dagen, na welke gij gezegd
87 9, 1 | hoofd, en ontblootte de zak, die zij aan had, en het was
88 9, 1 | huis Gods het reukwerk van die avond geofferd werd, en
89 9, 2 | God mijns vaders Simeon, die het zwaard in zijn hand
90 9, 2 | wraak over de vreemden, die de schoot der maagd geopend
91 9, 2 | het zal zo niet zijn) en die dat gedaan hadden, waarom
92 9, 3 | mijn God, verhoor mij ook, die een weduwe ben.~
93 9, 4 | dingen gedaan, welke voor die waren, en die dingen zelf,
94 9, 4 | welke voor die waren, en die dingen zelf, en die daarna
95 9, 4 | en die dingen zelf, en die daarna zijn geschied, en
96 9, 4 | geschied, en weet de dingen die nu zijn, en die toekomende
97 9, 4 | de dingen die nu zijn, en die toekomende zijn, en, die
98 9, 4 | die toekomende zijn, en, die dingen, die gij beraadslaagd
99 9, 4 | toekomende zijn, en, die dingen, die gij beraadslaagd hebt, zijn
100 9, 6 | niet, dat gij de Here zijt, die de krijgen verplettert;
101 9, 12| 12 En geef mijn hand (ik, die een weduwe ben) de sterkte,
102 9, 12| weduwe ben) de sterkte, die ik bedacht heb.~
103 9, 15| en een behouder dergenen, die geen hoop hebben.~
104 9, 18| een wonde en striem worde, die zo harde raadslagen genomen
105 10, 16| honderd mannen, en voegden die bij haar en haar maagd,
106 10, 16| bij haar en haar maagd, en die brachten haar aan de tent
107 11, 1 | heb geen mens leed gedaan, die Nabuchodonosor, de koning
108 11, 3 | voortaan; want daar is niemand die u zal verongelijken, maar
109 11, 5 | waar als zijn kracht leeft, die u uitgezonden heeft om alle
110 11, 7 | nu wat aangaat de rede, die Achior gesproken heeft in
111 11, 11| geheiligd voor de priesters, die te Jeruzalem voor het aanschijn
112 11, 12| Jeruzalem gezonden (omdat ook die daar wonen hetzelfde hebben
113 11, 12| hetzelfde hebben gedaan), die hun zouden overbrengen de
114 11, 12| om vernield te worden op die dag.~
115 11, 14| en daar is geen van hen, die u zal wederstaan.~
116 11, 16| drijven gelijk schapen, die geen herder hebben, en daar
117 11, 16| zal niet een hond zijn, die met zijn tong tegen u zal
118 11, 17| geboodschapt, en ik ben gezonden om die u weder te boodschappen.~
119 11, 20| handen kracht zij, en degenen die mijn heer verachten, verdorven
120 12, 10| niemand daartoe dergenen, die over de gemene zaken waren,
121 12, 10| overreed de Hebreeuwse vrouw die bij u is, dat zij bij ons
122 12, 13| zeide tot hem: Wie ben ik, die mijn heer zou tegenspreken?~
123 12, 15| op de aarde, de vellen, die zij van Baogas ontvangen
124 13, 1 | deed van zich gaan allen, die voor zijn heer stonden.~
125 13, 6 | verwondering der vijanden, die tegen ons opgestaan zijn.~
126 13, 7 | naar de sponde van het bed, die aan Holofernes' hoofd was,
127 13, 11| van Holofernes over, en die stak het in de zak harer
128 13, 13| zeide van verre tot degenen, die de wacht hadden over de
129 13, 18| God, looft Hem; looft God, die zijn barmhartigheid van
130 13, 20| waarachtig als de Here leeft, die mij bewaard heeft in mijn
131 13, 20| bewaard heeft in mijn weg, die ik heengegaan ben, dat mijn
132 13, 22| Geloofd zijt gij, o onze God, die op de huidige dag de vijanden
133 13, 23| God, boven alle vrouwen, die op de aarde zijn.~
134 13, 24| geloofd zij de Here God, die de hemel en de aarde geschapen
135 13, 24| de aarde geschapen heeft, die u geleid heeft tot verwonding
136 13, 25| uit het hart der mensen, die de kracht Gods zullen gedenken,
137 14, 2 | krijgsuitrusting nemen, en gij allen, die kloeke mannen zijt, zult
138 14, 5 | achtervolgen, mitsgaders allen die in de gehele landpale Israëls
139 14, 6 | hij zie en kenne degene, die het huis Israëls veracht
140 14, 6 | Israëls veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood
141 14, 6 | Juda, en onder alle volken; die van uw naam horen, die zullen
142 14, 6 | die van uw naam horen, die zullen zich ontzetten; en
143 14, 9 | kolonels, en tot een ieder die over hen te gebieden had,
144 14, 9 | Holofernes, en zeiden tot degenen die over al zijn zaken gesteld
145 14, 15| tot het volk uit roepende: Die slaven hebben trouweloos
146 15, 1 | 1 EN als die in de tenten waren dat hoorden,
147 15, 2 | 2 En daar was geen mens die staande bleef voor het aanschijn
148 15, 2 | en van het gebergte; en die zich gelegerd hadden op
149 15, 4 | alle landpalen van Israël, die boodschappen zonden hetgeen
150 15, 5 | Choba toe; desgelijks ook die van Jeruzalem daar gekomen
151 15, 6 | 6 En die van Gileäd en van Galilea
152 15, 7 | 7 De anderen nu, die te Bethulië woonden, vielen
153 15, 9 | van de kinderen Israëls, die te Jeruzalem hun woning
154 15, 15| handen, en gaf ook de vrouwen die bij haar waren, en zij kroonden
155 15, 15| kroonden zich en degenen, die bij haar waren met olijftakken.
156 16, 3 | Want de Here is een God, die de krijgen vermorzelt: want
157 16, 3 | verlost, uit de hand dergenen, die mij vervolgden.~
158 16, 9 | tot verhoging dergenen die benauwd waren in Israël.~
159 16, 13| zijn verbaasd geworden; die verhieven hun stem, en zij
160 16, 17| gebouwd, en daar is niemand die uw stem zal wederstaan.~
161 16, 19| zult genadig zijn degenen die u vrezen, want alle offerande
162 16, 19| is het allerminste, maar die de Here vreest is altijd
163 16, 20| 20 Wee de volken, die tegen mijn geslacht opstaan,
164 16, 23| de vaten van Holofernes, die het volk haar gegeven had,
165 16, 25| 25 En na die dagen trok een iegelijk
166 16, 30| En daar was niemand meer, die de kinderen Israëls enige
|