Chapter, Verse
1 1, 5 | 5 En maakte haar poorten verheven tot de
2 1, 14| torens in, en verwoestte haar straten, en haar sieraad
3 1, 14| verwoestte haar straten, en haar sieraad maakte hij tot schande.~
4 4, 16| volks, en as was op hun haar.~
5 8, 2 | 2 En haar man was geweest Manasse
6 8, 4 | 4 En Judith was in haar huis, in de weduwelijke
7 8, 5 | een tent op het dak van haar huis, en deed een zak om
8 8, 5 | huis, en deed een zak om haar lendenen, en zij was bekleed
9 8, 6 | zij vastte al de dagen van haar weduwschap, behalve alleen
10 8, 7 | van aanzien, en Manasse haar man had haar nagelaten goud
11 8, 7 | en Manasse haar man had haar nagelaten goud en zilver,
12 8, 8 | En daar was niemand die haar enige kwade zaak oplegde,
13 8, 9 | vijf dagen; en zij zond haar maagd, die over al haar
14 8, 9 | haar maagd, die over al haar goederen gesteld was, en
15 8, 9 | Charmin, de oudsten van haar stad.~
16 8, 10| 10 En zij kwamen tot haar, en zij zeide tot hen: Hoort
17 8, 25| 25 En Ozias zeide tot haar: Alles wat gij gezegd hebt,
18 8, 30| en de oversten zeiden tot haar: Ga in vrede, en de Here
19 8, 30| En zij keerden weder uit haar tent, en gingen heen naar
20 9, 1 | 1 EN Judith viel op haar aangezicht, en legde as
21 9, 1 | aangezicht, en legde as op haar hoofd, en ontblootte de
22 10, 2 | 2 Dat zij opstond van haar voetval en riep haar dienstmaagd,
23 10, 2 | van haar voetval en riep haar dienstmaagd, en kwam beneden
24 10, 2 | dagen der sabbatten, en in haar feestdagen, en zij legde
25 10, 2 | zij bekleed was, en trok haar weduwklederen uit.~
26 10, 3 | 3 En zij wies haar lichaam geheel met water,
27 10, 3 | zalf, en zij vlocht het haar van haar hoofd, en zette
28 10, 3 | zij vlocht het haar van haar hoofd, en zette een hoofdsiersel
29 10, 3 | hoofdsiersel daarop, en deed haar vreugde-klederen aan, waarmede
30 10, 4 | zij deed pantoffelen aan haar voeten, en deed haar armringen
31 10, 4 | aan haar voeten, en deed haar armringen aan, en halsbanden,
32 10, 4 | ringen, en oorringen, en al haar sieraad, en versierde zich
33 10, 4 | ogen der mannen, zovelen haar aanzien zouden.~
34 10, 5 | 5 En zij gaf haar dienstmaagd een lederen
35 10, 5 | reine broden, en bond al haar vaten om en om, en legde
36 10, 7 | 7 Als zij nu haar zagen, en hoe haar aangezicht
37 10, 7 | zij nu haar zagen, en hoe haar aangezicht hersteld en haar
38 10, 7 | haar aangezicht hersteld en haar kleding veranderd was, zo
39 10, 7 | zich uitermate zeer over haar schoonheid.~
40 10, 8 | 8 En zeiden tot haar: God, de God onzer vaderen,
41 10, 9 | zij bevalen de jongelingen haar open te doen, gelijk zij
42 10, 10| 10 En Judith ging uit, en haar maagd met haar, en de mannen
43 10, 10| ging uit, en haar maagd met haar, en de mannen der stad zagen
44 10, 10| de mannen der stad zagen haar na, totdat zij de berg afgegaan,
45 10, 10| dal doorgegaan was, en zij haar niet meer zagen.~
46 10, 11| voorwacht der Assyriërs kwam haar tegen, en grepen haar, en
47 10, 11| kwam haar tegen, en grepen haar, en vraagden haar: Wiens
48 10, 11| grepen haar, en vraagden haar: Wiens zijt gij? en vanwaar
49 10, 14| 14 Als nu de mannen haar woorden hoorden, en haar
50 10, 14| haar woorden hoorden, en haar aangezicht aanmerkten, zo
51 10, 15| 15 En zij zeiden tot haar: Gij hebt uw leven behouden,
52 10, 16| mannen, en voegden die bij haar en haar maagd, en die brachten
53 10, 16| voegden die bij haar en haar maagd, en die brachten haar
54 10, 16| haar maagd, en die brachten haar aan de tent van Holofernes,
55 10, 16| door het gehele leger, want haar aankomst werd ruchtbaar
56 10, 16| zij kwamen en omringden haar, gelijk zij stond buiten
57 10, 16| zij hem de boodschap van haar gedaan hadden. En zij waren
58 10, 16| zij waren verwonderd over haar schoonheid, en zij verwonderden
59 10, 17| kwamen uit, en brachten haar in de tent.~
60 10, 18| zij boodschapten hem van haar, en hij kwam uit in de voortent,
61 10, 19| en zij, nedervallende op haar aangezicht, aanbad hem,
62 10, 19| dienstknechten richtten haar op.~ ~ ~
63 11, 1 | EN Holofernes zeide tot haar: Heb goede moed, vrouwe,
64 11, 18| 18 Deze haar redenen behaagden Holofernes
65 11, 18| zij verwonderden zich over haar wijsheid, en zeiden:~
66 11, 20| En Holofernes zeide. tot haar: God heeft welgedaan, dat
67 12, 1 | 1 EN hij beval dat men haar brengen zou in de kamer
68 12, 1 | en hij gelastte dat men haar zou opdissen van zijn spijs,
69 12, 3 | En Holofernes zeide tot haar: Maar wanneer het op zal
70 12, 5 | van Holofernes brachten haar in de tent, en zij sliep
71 12, 6 | zijn lijfwachten, dat zij haar niet verhinderden.~
72 12, 8 | de God Israëls, dat Hij haar weg richten wilde, tot oprichting
73 12, 9 | rein in de tent, totdat men haar haar spijs bracht tegen
74 12, 9 | de tent, totdat men haar haar spijs bracht tegen de avond.~
75 12, 11| zonder gemeenschap met haar te hebben, want zo wij haar
76 12, 11| haar te hebben, want zo wij haar niet tot ons trekken, zij
77 12, 12| Holofernes, en kwam tot haar en zeide: Dat de schone
78 12, 15| op en versierde zich met haar kleding, en met al haar
79 12, 15| haar kleding, en met al haar vrouwensiersel; en haar
80 12, 15| haar vrouwensiersel; en haar dienstmaagd kwam toe, en
81 12, 15| kwam toe, en spreidde voor haar, recht over Holofernes,
82 12, 15| Baogas ontvangen had tot haar dagelijks gebruik, opdat
83 12, 16| Holofernes ontzette zich tegen haar, en zijn ziel werd bewogen,
84 12, 16| uitermate begerig om met haar gemeenschap te hebben, en
85 12, 16| zocht de gelegene tijd, om haar te verleiden, van de dag
86 12, 16| verleiden, van de dag af dat hij haar gezien had.~
87 12, 17| En Holofernes zeide tot haar: Drink toch, en zijt met
88 12, 19| dronk voor hem, hetgeen haar dienstmaagd bereid had.~
89 12, 20| Holofernes was vrolijk over haar, en dronk zeer veel wijn,
90 13, 4 | 4 Judith nu had haar dienstmaagd bevolen, dat
91 13, 4 | bevolen, dat zij buiten haar slaapkamer zou staan, en
92 13, 4 | slaapkamer zou staan, en haar uitgang waarnemen, gelijk
93 13, 4 | dat zij uitgaan zou tot haar gebed, en zij had met Bagoas
94 13, 4 | zij gingen allen weg van haar aanschijn, en daar werd
95 13, 5 | voor zijn bed, zeide in haar hart:~
96 13, 7 | aan het bed, greep zij het haar van zijn hoofd aan en zeide:~
97 13, 9 | tweemaal in zijn hals met al haar kracht: en hieuw hem zijn
98 13, 11| daarna ging zij uit, en gaf haar dienstmaagd het hoofd van
99 13, 12| gingen tezamen uit, naar haar gewoonte, en door het leger
100 13, 12| Bethulië, en kwamen aan haar poorten.~
101 13, 14| als de mannen dier stad haar stem hoorden, dat zij zich
102 13, 15| poort open, en ontvingen haar.~
103 13, 16| te lichten, en omringden haar.~
104 13, 23| 23 En Ozias zeide tot haar: Gezegend zijt gij, o dochter,
105 14, 6 | voeten van Judith, en aanbad haar en zeide: Gezegend zijt
106 14, 15| Judith zich ophield, en vond haar niet, en hij sprong tot
107 15, 6 | zij voorbij Damaskus en haar landpalen gekomen zijn,~
108 15, 9 | om Judith te zien, en met haar vreedzaam te spreken.~
109 15, 10| 10 En als zij tot haar inkwamen, zegenden zij haar
110 15, 10| haar inkwamen, zegenden zij haar allen eendrachtig, en zeiden
111 15, 10| eendrachtig, en zeiden tot haar:~
112 15, 13| aan, en zij legde het op haar muilezel en zij spande haar
113 15, 13| haar muilezel en zij spande haar wagens in, en zij laadde
114 15, 14| Israëls liepen te zamen om haar te zien, en zij zegenden
115 15, 14| te zien, en zij zegenden haar, en zij maakten zich een
116 15, 14| maakten zich een rei uit haar midden.~
117 15, 15| En nam groene takken in haar handen, en gaf ook de vrouwen
118 15, 15| gaf ook de vrouwen die bij haar waren, en zij kroonden zich
119 15, 15| zich en degenen, die bij haar waren met olijftakken. En
120 16, 1 | gehele volk zong deze lofzang haar na.~
121 16, 8 | door de schoonheid van haar aangezicht.~
122 16, 10| 10 Zij zalfde haar aangezicht met welriekende
123 16, 10| welriekende zalf, en had haar haar gebonden in een hulsel,
124 16, 10| welriekende zalf, en had haar haar gebonden in een hulsel,
125 16, 11| 11 Haar schone pantoffelen hebben
126 16, 11| hebben zijn oog weggerukt, en haar schoonheid heeft zijn ziel
127 16, 12| 12 De Perzen beefden voor haar stoutheid, en de Meden ontzetten
128 16, 12| Meden ontzetten zich over haar dapperheid.~
129 16, 23| Holofernes, die het volk haar gegeven had, en het behangsel,
130 16, 25| naar Bethulië, en bleef bij haar goederen.~
131 16, 26| 26 En zij was in haar tijd zeer geëerd in het
132 16, 27| 27 En velen begeerden haar te hebben, maar geen man
133 16, 27| hebben, maar geen man bekende haar al de dagen haars levens,
134 16, 27| haars levens, van de dag dat haar man Manasse gestorven, en
135 16, 28| honderdenvijf jaren, en zij stelde haar maagd in vrijheid, en zij
136 16, 28| Bethulië, en zij begroeven haar in de spelonk van haar man
137 16, 28| begroeven haar in de spelonk van haar man Manasse, en het huis
138 16, 28| zeven dagen lang rouw over haar.~
139 16, 29| 29 En zij deelde haar goederen, eer zij stierf,
140 16, 29| al de naaste vrienden van haar man Manasse, en aan de naaste
141 16, 29| aan de naaste vrienden van haar geslacht.~
|