Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
grote 22
groten 2
gruwel 1
haar 141
haars 5
haast 1
haastten 2
Frequency    [«  »]
171 hun
167 zijn
166 die
141 haar
109 hij
101 dat
96 een

boek Judith (Het)

IntraText - Concordances

haar

    Chapter, Verse
1 1, 5 | 5 En maakte haar poorten verheven tot de 2 1, 14| torens in, en verwoestte haar straten, en haar sieraad 3 1, 14| verwoestte haar straten, en haar sieraad maakte hij tot schande.~ 4 4, 16| volks, en as was op hun haar.~ 5 8, 2 | 2 En haar man was geweest Manasse 6 8, 4 | 4 En Judith was in haar huis, in de weduwelijke 7 8, 5 | een tent op het dak van haar huis, en deed een zak om 8 8, 5 | huis, en deed een zak om haar lendenen, en zij was bekleed 9 8, 6 | zij vastte al de dagen van haar weduwschap, behalve alleen 10 8, 7 | van aanzien, en Manasse haar man had haar nagelaten goud 11 8, 7 | en Manasse haar man had haar nagelaten goud en zilver, 12 8, 8 | En daar was niemand die haar enige kwade zaak oplegde, 13 8, 9 | vijf dagen; en zij zond haar maagd, die over al haar 14 8, 9 | haar maagd, die over al haar goederen gesteld was, en 15 8, 9 | Charmin, de oudsten van haar stad.~ 16 8, 10| 10 En zij kwamen tot haar, en zij zeide tot hen: Hoort 17 8, 25| 25 En Ozias zeide tot haar: Alles wat gij gezegd hebt, 18 8, 30| en de oversten zeiden tot haar: Ga in vrede, en de Here 19 8, 30| En zij keerden weder uit haar tent, en gingen heen naar 20 9, 1 | 1 EN Judith viel op haar aangezicht, en legde as 21 9, 1 | aangezicht, en legde as op haar hoofd, en ontblootte de 22 10, 2 | 2 Dat zij opstond van haar voetval en riep haar dienstmaagd, 23 10, 2 | van haar voetval en riep haar dienstmaagd, en kwam beneden 24 10, 2 | dagen der sabbatten, en in haar feestdagen, en zij legde 25 10, 2 | zij bekleed was, en trok haar weduwklederen uit.~ 26 10, 3 | 3 En zij wies haar lichaam geheel met water, 27 10, 3 | zalf, en zij vlocht het haar van haar hoofd, en zette 28 10, 3 | zij vlocht het haar van haar hoofd, en zette een hoofdsiersel 29 10, 3 | hoofdsiersel daarop, en deed haar vreugde-klederen aan, waarmede 30 10, 4 | zij deed pantoffelen aan haar voeten, en deed haar armringen 31 10, 4 | aan haar voeten, en deed haar armringen aan, en halsbanden, 32 10, 4 | ringen, en oorringen, en al haar sieraad, en versierde zich 33 10, 4 | ogen der mannen, zovelen haar aanzien zouden.~ 34 10, 5 | 5 En zij gaf haar dienstmaagd een lederen 35 10, 5 | reine broden, en bond al haar vaten om en om, en legde 36 10, 7 | 7 Als zij nu haar zagen, en hoe haar aangezicht 37 10, 7 | zij nu haar zagen, en hoe haar aangezicht hersteld en haar 38 10, 7 | haar aangezicht hersteld en haar kleding veranderd was, zo 39 10, 7 | zich uitermate zeer over haar schoonheid.~ 40 10, 8 | 8 En zeiden tot haar: God, de God onzer vaderen, 41 10, 9 | zij bevalen de jongelingen haar open te doen, gelijk zij 42 10, 10| 10 En Judith ging uit, en haar maagd met haar, en de mannen 43 10, 10| ging uit, en haar maagd met haar, en de mannen der stad zagen 44 10, 10| de mannen der stad zagen haar na, totdat zij de berg afgegaan, 45 10, 10| dal doorgegaan was, en zij haar niet meer zagen.~ 46 10, 11| voorwacht der Assyriërs kwam haar tegen, en grepen haar, en 47 10, 11| kwam haar tegen, en grepen haar, en vraagden haar: Wiens 48 10, 11| grepen haar, en vraagden haar: Wiens zijt gij? en vanwaar 49 10, 14| 14 Als nu de mannen haar woorden hoorden, en haar 50 10, 14| haar woorden hoorden, en haar aangezicht aanmerkten, zo 51 10, 15| 15 En zij zeiden tot haar: Gij hebt uw leven behouden, 52 10, 16| mannen, en voegden die bij haar en haar maagd, en die brachten 53 10, 16| voegden die bij haar en haar maagd, en die brachten haar 54 10, 16| haar maagd, en die brachten haar aan de tent van Holofernes, 55 10, 16| door het gehele leger, want haar aankomst werd ruchtbaar 56 10, 16| zij kwamen en omringden haar, gelijk zij stond buiten 57 10, 16| zij hem de boodschap van haar gedaan hadden. En zij waren 58 10, 16| zij waren verwonderd over haar schoonheid, en zij verwonderden 59 10, 17| kwamen uit, en brachten haar in de tent.~ 60 10, 18| zij boodschapten hem van haar, en hij kwam uit in de voortent, 61 10, 19| en zij, nedervallende op haar aangezicht, aanbad hem, 62 10, 19| dienstknechten richtten haar op.~ ~ ~ 63 11, 1 | EN Holofernes zeide tot haar: Heb goede moed, vrouwe, 64 11, 18| 18 Deze haar redenen behaagden Holofernes 65 11, 18| zij verwonderden zich over haar wijsheid, en zeiden:~ 66 11, 20| En Holofernes zeide. tot haar: God heeft welgedaan, dat 67 12, 1 | 1 EN hij beval dat men haar brengen zou in de kamer 68 12, 1 | en hij gelastte dat men haar zou opdissen van zijn spijs, 69 12, 3 | En Holofernes zeide tot haar: Maar wanneer het op zal 70 12, 5 | van Holofernes brachten haar in de tent, en zij sliep 71 12, 6 | zijn lijfwachten, dat zij haar niet verhinderden.~ 72 12, 8 | de God Israëls, dat Hij haar weg richten wilde, tot oprichting 73 12, 9 | rein in de tent, totdat men haar haar spijs bracht tegen 74 12, 9 | de tent, totdat men haar haar spijs bracht tegen de avond.~ 75 12, 11| zonder gemeenschap met haar te hebben, want zo wij haar 76 12, 11| haar te hebben, want zo wij haar niet tot ons trekken, zij 77 12, 12| Holofernes, en kwam tot haar en zeide: Dat de schone 78 12, 15| op en versierde zich met haar kleding, en met al haar 79 12, 15| haar kleding, en met al haar vrouwensiersel; en haar 80 12, 15| haar vrouwensiersel; en haar dienstmaagd kwam toe, en 81 12, 15| kwam toe, en spreidde voor haar, recht over Holofernes, 82 12, 15| Baogas ontvangen had tot haar dagelijks gebruik, opdat 83 12, 16| Holofernes ontzette zich tegen haar, en zijn ziel werd bewogen, 84 12, 16| uitermate begerig om met haar gemeenschap te hebben, en 85 12, 16| zocht de gelegene tijd, om haar te verleiden, van de dag 86 12, 16| verleiden, van de dag af dat hij haar gezien had.~ 87 12, 17| En Holofernes zeide tot haar: Drink toch, en zijt met 88 12, 19| dronk voor hem, hetgeen haar dienstmaagd bereid had.~ 89 12, 20| Holofernes was vrolijk over haar, en dronk zeer veel wijn, 90 13, 4 | 4 Judith nu had haar dienstmaagd bevolen, dat 91 13, 4 | bevolen, dat zij buiten haar slaapkamer zou staan, en 92 13, 4 | slaapkamer zou staan, en haar uitgang waarnemen, gelijk 93 13, 4 | dat zij uitgaan zou tot haar gebed, en zij had met Bagoas 94 13, 4 | zij gingen allen weg van haar aanschijn, en daar werd 95 13, 5 | voor zijn bed, zeide in haar hart:~ 96 13, 7 | aan het bed, greep zij het haar van zijn hoofd aan en zeide:~ 97 13, 9 | tweemaal in zijn hals met al haar kracht: en hieuw hem zijn 98 13, 11| daarna ging zij uit, en gaf haar dienstmaagd het hoofd van 99 13, 12| gingen tezamen uit, naar haar gewoonte, en door het leger 100 13, 12| Bethulië, en kwamen aan haar poorten.~ 101 13, 14| als de mannen dier stad haar stem hoorden, dat zij zich 102 13, 15| poort open, en ontvingen haar.~ 103 13, 16| te lichten, en omringden haar.~ 104 13, 23| 23 En Ozias zeide tot haar: Gezegend zijt gij, o dochter, 105 14, 6 | voeten van Judith, en aanbad haar en zeide: Gezegend zijt 106 14, 15| Judith zich ophield, en vond haar niet, en hij sprong tot 107 15, 6 | zij voorbij Damaskus en haar landpalen gekomen zijn,~ 108 15, 9 | om Judith te zien, en met haar vreedzaam te spreken.~ 109 15, 10| 10 En als zij tot haar inkwamen, zegenden zij haar 110 15, 10| haar inkwamen, zegenden zij haar allen eendrachtig, en zeiden 111 15, 10| eendrachtig, en zeiden tot haar:~ 112 15, 13| aan, en zij legde het op haar muilezel en zij spande haar 113 15, 13| haar muilezel en zij spande haar wagens in, en zij laadde 114 15, 14| Israëls liepen te zamen om haar te zien, en zij zegenden 115 15, 14| te zien, en zij zegenden haar, en zij maakten zich een 116 15, 14| maakten zich een rei uit haar midden.~ 117 15, 15| En nam groene takken in haar handen, en gaf ook de vrouwen 118 15, 15| gaf ook de vrouwen die bij haar waren, en zij kroonden zich 119 15, 15| zich en degenen, die bij haar waren met olijftakken. En 120 16, 1 | gehele volk zong deze lofzang haar na.~ 121 16, 8 | door de schoonheid van haar aangezicht.~ 122 16, 10| 10 Zij zalfde haar aangezicht met welriekende 123 16, 10| welriekende zalf, en had haar haar gebonden in een hulsel, 124 16, 10| welriekende zalf, en had haar haar gebonden in een hulsel, 125 16, 11| 11 Haar schone pantoffelen hebben 126 16, 11| hebben zijn oog weggerukt, en haar schoonheid heeft zijn ziel 127 16, 12| 12 De Perzen beefden voor haar stoutheid, en de Meden ontzetten 128 16, 12| Meden ontzetten zich over haar dapperheid.~ 129 16, 23| Holofernes, die het volk haar gegeven had, en het behangsel, 130 16, 25| naar Bethulië, en bleef bij haar goederen.~ 131 16, 26| 26 En zij was in haar tijd zeer geëerd in het 132 16, 27| 27 En velen begeerden haar te hebben, maar geen man 133 16, 27| hebben, maar geen man bekende haar al de dagen haars levens, 134 16, 27| haars levens, van de dag dat haar man Manasse gestorven, en 135 16, 28| honderdenvijf jaren, en zij stelde haar maagd in vrijheid, en zij 136 16, 28| Bethulië, en zij begroeven haar in de spelonk van haar man 137 16, 28| begroeven haar in de spelonk van haar man Manasse, en het huis 138 16, 28| zeven dagen lang rouw over haar.~ 139 16, 29| 29 En zij deelde haar goederen, eer zij stierf, 140 16, 29| al de naaste vrienden van haar man Manasse, en aan de naaste 141 16, 29| aan de naaste vrienden van haar geslacht.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License