Chapter, Verse
1 1, 11| vreesden hem niet, maar hij was voor hen als een enig
2 1, 12| verstoord tegen al dat land; en hij zwoer bij zijn troon en
3 1, 12| en zijn koninkrijk, dat hij zich zeker wreken zou over
4 1, 12| Damaskus, en Syrië, en dat hij met het zwaard zou ombrengen
5 1, 13| 13 En hij is met zijn macht in slagorden
6 1, 13| het zeventiende jaar, en hij verkreeg de overhand in
7 1, 14| en haar sieraad maakte hij tot schande.~
8 1, 15| 15 En hij ving Arfaxad in de gebergten
9 1, 16| 16 En hij keerde met hen weder naar
10 1, 16| met hen weder naar Nineve, hij en al zijn leger, uit vele
11 1, 16| menigte van krijgslieden; en hij was daar ledig, en hield
12 1, 16| ledig, en hield maaltijden, hij en zijn leger, honderdentwintig
13 2, 1 | over het ganse land, gelijk hij gezegd had.~
14 2, 2 | 2 En hij riep al zijn dienstknechten,
15 2, 2 | al zijn groten bijeen, en hij stelde hun voor de verborgenheid
16 2, 2 | verborgenheid van zijn raad, en hij verhaalde met zijn eigen
17 2, 4 | 4 En het geschiedde, als hij zijn raadslag geëindigd
18 2, 4 | de tweede na hem was, en hij zeide tot hem:~
19 2, 8 | krijgsvolk geordineerd wordt; en hij nam kemelen en ezelen tot
20 2, 10| 10 En hij nam goud en zilver uit des
21 2, 11| 11 En hij begaf zich met zijn ganse
22 2, 12| van het veld Bektileth; en hij sloeg zijn leger van Bektileth
23 2, 12| ligt van Opper-Cilicië, en hij nam zijn geheel heerleger,
24 2, 13| 13 En hij vernielde Pud en Lud, en
25 2, 13| zuiden des lands Chellon, en hij trok over de Eufraat, en
26 2, 15| 15 En hij nam de landpalen van Cilicië
27 2, 16| 16 En hij omringde al de kinderen
28 2, 17| 17 En hij daalde af in het veld van
29 2, 17| dagen van de tarweoogst, en hij verbrandde al hun akkers,
30 2, 17| hun klein en groot vee gaf hij over om te vernielen, en
31 2, 17| steden, en hun velden wande hij uit, en sloeg al hun jonge
32 3, 7 | 7 En hij met zijn heerkracht trok
33 3, 10| 10 En hij verstoorde al hun landpalen
34 3, 11| was bij hem besloten, dat hij al de goden des lands zou
35 3, 13| 13 En hij kwam in het gezicht van
36 3, 14| 14 En hij sloeg zijn leger tussen
37 3, 14| Gaba en Scythopolis, en hij was daar een ganse maand
38 3, 14| ganse maand stil, opdat hij al de bagage zijns legers
39 4, 1 | gedaan had, en op wat wijze hij al hun tempels beroofd en
40 4, 13| tot de God Israëls, dat hij toch hun jonge kinderen
41 4, 17| Here van ganser kracht, dat hij het gehele huis Israëls
42 5, 2 | 2 En hij werd zeer toornig, en hij
43 5, 2 | hij werd zeer toornig, en hij riep al de oversten der
44 5, 3 | 3 En hij zeide tot hen: Zegt mij
45 5, 11| zij riepen tot hun God, en hij sloeg gans Egypteland met
46 5, 20| afgeweken zijn van de weg, die hij hun had voorgesteld, zijn
47 6, 4 | gehelen aardrijks, want hij heeft het gezegd, en de
48 6, 13| 13 En hij, antwoordende, verhaalde
49 6, 13| Holofernes en al de woorden die hij gesproken had in het midden
50 7, 17| misdaden onzer vaderen, opdat hij niet doe naar deze woorden
51 7, 19| over ons zal wenden, want hij zal ons tot het einde toe
52 7, 20| woorden doen. En zo heeft hij het volk doen scheiden elk
53 7, 20| hun stad heengegaan; en hij heeft de vrouwen en kinderen
54 8, 2 | van hetzelfde geslacht, en hij was gestorven in de dagen
55 8, 3 | 3 Want hij stond bij degene die de
56 8, 3 | hitte kwam op zijn hoofd, en hij viel te bed, en stierf in
57 8, 9 | tegen hen gesproken had, hoe hij hun gezworen had de stad
58 8, 14| niet tot gramschap. Want zo hij in deze vijf dagen ons niet
59 8, 14| dagen ons niet helpen wil, hij heeft de macht om ons te
60 8, 14| beschutten in welke dagen hij wil, of ook om ons te verdelgen
61 8, 15| is niet als een mens, dat hij zou bedreigd worden, noch
62 8, 15| een zoon des mensen, dat hij zou geoordeeld worden.~
63 8, 16| aanroepen tot onze hulp, en Hij zal onze stem verhoren,
64 8, 19| hem, waarom wij hopen dat hij ons niet zal verachten,
65 8, 20| van onze mond eisen, en hij zal de dood onzer broederen,
66 8, 21| die ons verzoekt, gelijk hij ook onze vaders verzocht
67 8, 22| 22 Gedenkt wat hij met Abraham al gedaan heeft.~
68 8, 23| 23 En hoe hij Izaäk verzocht heeft, en
69 8, 23| Mesopotamië in het land Syrië, als hij de schapen hoedde van Laban,
70 8, 24| 24 Want gelijk hij hen door vuur beproefd heeft
71 8, 24| onderzoeking huns harten, zo wreekt hij zich niet over ons, maar
72 10, 13| voor hem wijzen, waardoor hij trekken zal, en het gehele
73 10, 16| hem naar uw woorden, en hij zal u weldoen. En zij verkozen
74 10, 18| boodschapten hem van haar, en hij kwam uit in de voortent,
75 11, 7 | Bethulië gekregen hebben, en hij heeft hun aangezegd alles
76 11, 7 | hun aangezegd alles wat hij voor u uitgesproken heeft.
77 11, 14| ik zal God aanbidden, en Hij zal mij verkondigen wanneer
78 11, 20| God heeft welgedaan, dat Hij u voor dit volk heeft afgezonden,
79 12, 1 | 1 EN hij beval dat men haar brengen
80 12, 1 | zilverwerk bewaard werd, en hij gelastte dat men haar zou
81 12, 4 | hand gedaan hebben, hetgeen Hij heeft beraadslaagd.~
82 12, 8 | Here, de God Israëls, dat Hij haar weg richten wilde,
83 12, 10| de gemene zaken waren, en hij zeide tot Bagoas de kamerling,
84 12, 16| gemeenschap te hebben, en hij zocht de gelegene tijd,
85 12, 16| verleiden, van de dag af dat hij haar gezien had.~
86 12, 20| dronk zeer veel wijn, zodat hij nooit zo veel op één dag
87 12, 20| dag gedronken had, van dat hij geboren was.~
88 13, 13| tegen de vijanden, gelijk hij ook heden gedaan heeft.~
89 13, 18| Israëls niet afwendt, maar hij heeft onze vijanden verwond
90 13, 19| behangsel onder hetwelk hij gelegen heeft in zijn dronkenschap,
91 13, 20| verleid tot zijn verderf, en hij heeft geen zonde tot bevlekking
92 14, 6 | Achior, de Ammoniet, opdat hij zie en kenne degene, die
93 14, 6 | het huis van Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van
94 14, 6 | vergadering des volks, zo viel hij op zijn aangezicht, en is
95 14, 6 | hem verkwikt hadden viel hij aan de voeten van Judith,
96 14, 12| 12 Want hij vermoedde, dat hij bij Judith
97 14, 12| Want hij vermoedde, dat hij bij Judith sliep.~
98 14, 13| 13 En als hij niemand hoorde, deed hij
99 14, 13| hij niemand hoorde, deed hij open, en kwam in de slaapkamer.~
100 14, 14| hoofd was hem afgehouwen; en hij riep met luider stem, met
101 14, 15| 15 En hij ging in de tent waar Judith
102 14, 15| ophield, en vond haar niet, en hij sprong tot het volk uit
103 16, 3 | krijgen vermorzelt: want hij heeft in zijn leger, in
104 16, 5 | 5 Hij kwam in met vele duizenden
105 16, 6 | 6 Hij zeide, dat hij mijn landpalen
106 16, 6 | 6 Hij zeide, dat hij mijn landpalen zou verbranden,
107 16, 6 | landpalen zou verbranden, en dat hij mijn jonge mannen zou ombrengen
108 16, 17| uw geest uitgezonden, en hij heeft ze gebouwd, en daar
109 16, 21| 21 Hij zal vuur en wormen in hun
|