Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
hield 2
hier 4
hieuw 2
hij 109
hijzelf 1
hing 1
hingen 1
Frequency    [«  »]
167 zijn
166 die
141 haar
109 hij
101 dat
96 een
93 al

boek Judith (Het)

IntraText - Concordances

hij

    Chapter, Verse
1 1, 11| vreesden hem niet, maar hij was voor hen als een enig 2 1, 12| verstoord tegen al dat land; en hij zwoer bij zijn troon en 3 1, 12| en zijn koninkrijk, dat hij zich zeker wreken zou over 4 1, 12| Damaskus, en Syrië, en dat hij met het zwaard zou ombrengen 5 1, 13| 13 En hij is met zijn macht in slagorden 6 1, 13| het zeventiende jaar, en hij verkreeg de overhand in 7 1, 14| en haar sieraad maakte hij tot schande.~ 8 1, 15| 15 En hij ving Arfaxad in de gebergten 9 1, 16| 16 En hij keerde met hen weder naar 10 1, 16| met hen weder naar Nineve, hij en al zijn leger, uit vele 11 1, 16| menigte van krijgslieden; en hij was daar ledig, en hield 12 1, 16| ledig, en hield maaltijden, hij en zijn leger, honderdentwintig 13 2, 1 | over het ganse land, gelijk hij gezegd had.~ 14 2, 2 | 2 En hij riep al zijn dienstknechten, 15 2, 2 | al zijn groten bijeen, en hij stelde hun voor de verborgenheid 16 2, 2 | verborgenheid van zijn raad, en hij verhaalde met zijn eigen 17 2, 4 | 4 En het geschiedde, als hij zijn raadslag geëindigd 18 2, 4 | de tweede na hem was, en hij zeide tot hem:~ 19 2, 8 | krijgsvolk geordineerd wordt; en hij nam kemelen en ezelen tot 20 2, 10| 10 En hij nam goud en zilver uit des 21 2, 11| 11 En hij begaf zich met zijn ganse 22 2, 12| van het veld Bektileth; en hij sloeg zijn leger van Bektileth 23 2, 12| ligt van Opper-Cilicië, en hij nam zijn geheel heerleger, 24 2, 13| 13 En hij vernielde Pud en Lud, en 25 2, 13| zuiden des lands Chellon, en hij trok over de Eufraat, en 26 2, 15| 15 En hij nam de landpalen van Cilicië 27 2, 16| 16 En hij omringde al de kinderen 28 2, 17| 17 En hij daalde af in het veld van 29 2, 17| dagen van de tarweoogst, en hij verbrandde al hun akkers, 30 2, 17| hun klein en groot vee gaf hij over om te vernielen, en 31 2, 17| steden, en hun velden wande hij uit, en sloeg al hun jonge 32 3, 7 | 7 En hij met zijn heerkracht trok 33 3, 10| 10 En hij verstoorde al hun landpalen 34 3, 11| was bij hem besloten, dat hij al de goden des lands zou 35 3, 13| 13 En hij kwam in het gezicht van 36 3, 14| 14 En hij sloeg zijn leger tussen 37 3, 14| Gaba en Scythopolis, en hij was daar een ganse maand 38 3, 14| ganse maand stil, opdat hij al de bagage zijns legers 39 4, 1 | gedaan had, en op wat wijze hij al hun tempels beroofd en 40 4, 13| tot de God Israëls, dat hij toch hun jonge kinderen 41 4, 17| Here van ganser kracht, dat hij het gehele huis Israëls 42 5, 2 | 2 En hij werd zeer toornig, en hij 43 5, 2 | hij werd zeer toornig, en hij riep al de oversten der 44 5, 3 | 3 En hij zeide tot hen: Zegt mij 45 5, 11| zij riepen tot hun God, en hij sloeg gans Egypteland met 46 5, 20| afgeweken zijn van de weg, die hij hun had voorgesteld, zijn 47 6, 4 | gehelen aardrijks, want hij heeft het gezegd, en de 48 6, 13| 13 En hij, antwoordende, verhaalde 49 6, 13| Holofernes en al de woorden die hij gesproken had in het midden 50 7, 17| misdaden onzer vaderen, opdat hij niet doe naar deze woorden 51 7, 19| over ons zal wenden, want hij zal ons tot het einde toe 52 7, 20| woorden doen. En zo heeft hij het volk doen scheiden elk 53 7, 20| hun stad heengegaan; en hij heeft de vrouwen en kinderen 54 8, 2 | van hetzelfde geslacht, en hij was gestorven in de dagen 55 8, 3 | 3 Want hij stond bij degene die de 56 8, 3 | hitte kwam op zijn hoofd, en hij viel te bed, en stierf in 57 8, 9 | tegen hen gesproken had, hoe hij hun gezworen had de stad 58 8, 14| niet tot gramschap. Want zo hij in deze vijf dagen ons niet 59 8, 14| dagen ons niet helpen wil, hij heeft de macht om ons te 60 8, 14| beschutten in welke dagen hij wil, of ook om ons te verdelgen 61 8, 15| is niet als een mens, dat hij zou bedreigd worden, noch 62 8, 15| een zoon des mensen, dat hij zou geoordeeld worden.~ 63 8, 16| aanroepen tot onze hulp, en Hij zal onze stem verhoren, 64 8, 19| hem, waarom wij hopen dat hij ons niet zal verachten, 65 8, 20| van onze mond eisen, en hij zal de dood onzer broederen, 66 8, 21| die ons verzoekt, gelijk hij ook onze vaders verzocht 67 8, 22| 22 Gedenkt wat hij met Abraham al gedaan heeft.~ 68 8, 23| 23 En hoe hij Izaäk verzocht heeft, en 69 8, 23| Mesopotamië in het land Syrië, als hij de schapen hoedde van Laban, 70 8, 24| 24 Want gelijk hij hen door vuur beproefd heeft 71 8, 24| onderzoeking huns harten, zo wreekt hij zich niet over ons, maar 72 10, 13| voor hem wijzen, waardoor hij trekken zal, en het gehele 73 10, 16| hem naar uw woorden, en hij zal u weldoen. En zij verkozen 74 10, 18| boodschapten hem van haar, en hij kwam uit in de voortent, 75 11, 7 | Bethulië gekregen hebben, en hij heeft hun aangezegd alles 76 11, 7 | hun aangezegd alles wat hij voor u uitgesproken heeft. 77 11, 14| ik zal God aanbidden, en Hij zal mij verkondigen wanneer 78 11, 20| God heeft welgedaan, dat Hij u voor dit volk heeft afgezonden, 79 12, 1 | 1 EN hij beval dat men haar brengen 80 12, 1 | zilverwerk bewaard werd, en hij gelastte dat men haar zou 81 12, 4 | hand gedaan hebben, hetgeen Hij heeft beraadslaagd.~ 82 12, 8 | Here, de God Israëls, dat Hij haar weg richten wilde, 83 12, 10| de gemene zaken waren, en hij zeide tot Bagoas de kamerling, 84 12, 16| gemeenschap te hebben, en hij zocht de gelegene tijd, 85 12, 16| verleiden, van de dag af dat hij haar gezien had.~ 86 12, 20| dronk zeer veel wijn, zodat hij nooit zo veel op één dag 87 12, 20| dag gedronken had, van dat hij geboren was.~ 88 13, 13| tegen de vijanden, gelijk hij ook heden gedaan heeft.~ 89 13, 18| Israëls niet afwendt, maar hij heeft onze vijanden verwond 90 13, 19| behangsel onder hetwelk hij gelegen heeft in zijn dronkenschap, 91 13, 20| verleid tot zijn verderf, en hij heeft geen zonde tot bevlekking 92 14, 6 | Achior, de Ammoniet, opdat hij zie en kenne degene, die 93 14, 6 | het huis van Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van 94 14, 6 | vergadering des volks, zo viel hij op zijn aangezicht, en is 95 14, 6 | hem verkwikt hadden viel hij aan de voeten van Judith, 96 14, 12| 12 Want hij vermoedde, dat hij bij Judith 97 14, 12| Want hij vermoedde, dat hij bij Judith sliep.~ 98 14, 13| 13 En als hij niemand hoorde, deed hij 99 14, 13| hij niemand hoorde, deed hij open, en kwam in de slaapkamer.~ 100 14, 14| hoofd was hem afgehouwen; en hij riep met luider stem, met 101 14, 15| 15 En hij ging in de tent waar Judith 102 14, 15| ophield, en vond haar niet, en hij sprong tot het volk uit 103 16, 3 | krijgen vermorzelt: want hij heeft in zijn leger, in 104 16, 5 | 5 Hij kwam in met vele duizenden 105 16, 6 | 6 Hij zeide, dat hij mijn landpalen 106 16, 6 | 6 Hij zeide, dat hij mijn landpalen zou verbranden, 107 16, 6 | landpalen zou verbranden, en dat hij mijn jonge mannen zou ombrengen 108 16, 17| uw geest uitgezonden, en hij heeft ze gebouwd, en daar 109 16, 21| 21 Hij zal vuur en wormen in hun


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License