Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
danken 1
dankzegging 1
dapperheid 1
dat 101
de 552
deden 5
deed 7
Frequency    [«  »]
166 die
141 haar
109 hij
101 dat
96 een
93 al
93 gij

boek Judith (Het)

IntraText - Concordances

dat

    Chapter, Verse
1 1, 6 | tegen de koning Arfaxad, in dat grote veld, hetwelk gelegen 2 1, 6 | voegden zich allen, die aan dat gebergte woonden, en allen 3 1, 12| zeer verstoord tegen al dat land; en hij zwoer bij zijn 4 1, 12| troon en zijn koninkrijk, dat hij zich zeker wreken zou 5 1, 12| en Damaskus, en Syrië, en dat hij met het zwaard zou ombrengen 6 2, 2 | eigen mond al het kwaad van dat land.~ 7 2, 3 | 3 En deze oordeelden, dat men zou uitroeien al degenen, 8 2, 5 | en zult hen ontbieden, dat zij mij aarde en water zullen 9 2, 6 | al wat ik gesproken heb, dat zal ik ook doen door mijn 10 3, 9 | En zij zelf, en het land dat rondom hen lag, ontvingen 11 3, 11| het was bij hem besloten, dat hij al de goden des lands 12 4, 5 | aan de vlakte des velds dat bij Dothaïm is, en beval 13 4, 5 | bij Dothaïm is, en beval dat zij de opgangen van het 14 4, 7 | kinderen Israëls deden naar dat de hogepriester Joakim, 15 4, 13| ernst tot de God Israëls, dat hij toch hun jonge kinderen 16 4, 17| Here van ganser kracht, dat hij het gehele huis Israëls 17 5, 1 | Assyriërs, geboodschapt dat de kinderen Israëls zich 18 5, 1 | bereiden tot de krijg, en dat zij de doorgangen van het 19 5, 1 | bergen bemuurd hadden, en dat zij in de vlakke velden 20 5, 3 | Kanaäns, wat volk dit is, dat zich op dit gebergte ophoudt, 21 5, 4 | de rug toegekeerd hebben, dat zij mij niet zijn tegemoet 22 5, 5 | waarheid verhalen van dit volk, dat nabij u woont, en dit gebergte 23 5, 8 | en hun God heeft geboden, dat zij zouden gaan uit het 24 5, 23| God, en zo wij bemerken dat er onder hen zodanige ergernis 25 5, 25| deze woorden te spreken, dat al het volk murmureerde, 26 5, 26| Moabieten bewoonden, zeiden dat men hem in stukken zou houwen, 27 6, 2 | van Efraïm gehuurd zijt, dat gij heden onder ons zo geprofeteerd 28 6, 2 | geprofeteerd en gezegd hebt, dat wij het geslacht Israëls 29 6, 5 | wraak zal gedaan hebben over dat geslacht dergenen, die uit 30 6, 6 | nu met uw hart vertrouwt dat zij niet zullen gevangen 31 6, 7 | hem in zijn tent stonden, dat zij Achior zouden grijpen, 32 7, 1 | deze krijg gekomen was, dat zij zouden optrekken naar 33 7, 1 | gebergte eerst innemen, en dat men de kinderen Israëls 34 7, 10| legeren en wacht houden, dat er niet één man uit de stad 35 7, 10| tegen u opgestaan zijn, en dat zij u niet in vrede zijn 36 7, 11| dienstknechten, en zij bepaalden dat men doen zou gelijk zij 37 7, 13| tussen ons en tussen u, dat gij zulk een groot onrecht 38 7, 14| ons in hun handen gegeven, dat wij voor hun ogen moeten 39 7, 16| 16 Want het is ons beter, dat wij hun ten roof worden, 40 8, 3 | zijn vaderen, in het veld dat tussen Dothaïm en Belamon 41 8, 10| en ons, en hebt beloofd, dat gij de stad zult overgeven 42 8, 11| nu, wie zijt gijlieden, dat gij God op de huidige dag 43 8, 15| God is niet als een mens, dat hij zou bedreigd worden, 44 8, 15| als een zoon des mensen, dat hij zou geoordeeld worden.~ 45 8, 19| dan hem, waarom wij hopen dat hij ons niet zal verachten, 46 8, 25| Alles wat gij gezegd hebt, dat hebt gij van goeder harte 47 8, 25| dorst en heeft ons gedwongen dat wij doen zouden volgens 48 8, 25| wij hun beloofd hebben, en dat wij de eed over ons zouden 49 9, 1 | had, en het was nu de tijd dat te Jeruzalem in het huis 50 9, 2 | zal zo niet zijn) en die dat gedaan hadden, waarom gij 51 9, 6 | slingers, en weten niet, dat gij de Here zijt, die de 52 9, 18| 18 En geef dat mijn rede en mijn bedrog 53 9, 19| 19 En maak, dat men onder al uw volk en 54 9, 19| stammen wete en bevinde, dat gij de God zijt aller kracht 55 9, 19| aller kracht en sterkte, en dat er geen ander beschutter 56 10, 2 | 2 Dat zij opstond van haar voetval 57 10, 3 | geheel met water, en zalfde dat met kostelijke dikke zalf, 58 10, 9 | En zeide tot hen: Beveelt dat mij de poort der stad opengedaan 59 10, 13| niemand omkomen, noch iets dat leven heeft.~ 60 10, 16| dit volk kunnen verachten, dat zodanige vrouwen onder zich 61 10, 16| daarom is het niet goed dat één man van hen overblijve, 62 10, 19| voor zijn aangezicht en dat zijner dienaren kwam, verwonderden 63 11, 2 | 2 En nu, indien uw volk, dat op dit gebergte woont, mij 64 11, 6 | in het gehele aardrijk, dat gij alleen kloek zijt in 65 11, 8 | overweldigt het niet, tenzij dat zij tegen hun God gezondigd 66 11, 12| zij zullen hebben gedaan, dat zij u zullen overgegeven 67 11, 20| haar: God heeft welgedaan, dat Hij u voor dit volk heeft 68 12, 1 | 1 EN hij beval dat men haar brengen zou in 69 12, 1 | bewaard werd, en hij gelastte dat men haar zou opdissen van 70 12, 1 | opdissen van zijn spijs, en dat zij drinken zou van zijn 71 12, 3 | wanneer het op zal zijn, dat bij u is, vanwaar zullen 72 12, 6 | Mijn heer beveel toch, dat men toelate dat zijn dienstmaagd 73 12, 6 | beveel toch, dat men toelate dat zijn dienstmaagd tot het 74 12, 6 | beval zijn lijfwachten, dat zij haar niet verhinderden.~ 75 12, 8 | de Here, de God Israëls, dat Hij haar weg richten wilde, 76 12, 10| geschiedde op de vierde dag, dat Holofernes een maaltijd 77 12, 10| welke over alles gesteld was dat hem toebehoorde: Ga toch 78 12, 10| Hebreeuwse vrouw die bij u is, dat zij bij ons kome, en met 79 12, 11| het is schande voor ons dat wij zodanige vrouw zouden 80 12, 12| kwam tot haar en zeide: Dat de schone jonkvrouw zich 81 12, 14| behagelijk zal zijn in zijn ogen, dat zal ik vlijtig doen; en 82 12, 16| verleiden, van de dag af dat hij haar gezien had.~ 83 12, 20| één dag gedronken had, van dat hij geboren was.~ 84 13, 4 | haar dienstmaagd bevolen, dat zij buiten haar slaapkamer 85 13, 4 | geschied was. Want zij zeide, dat zij uitgaan zou tot haar 86 13, 12| zijnde, gingen zij rondom dat dal heen, en klommen op 87 13, 14| stad haar stem hoorden, dat zij zich haastten om af 88 13, 15| want het dacht hun vreemd, dat zij kwam en zij deden de 89 13, 20| die ik heengegaan ben, dat mijn aangezicht hem heeft 90 14, 1 | neemt dit hoofd, en hangt dat uit, op de tinne van onze 91 14, 6 | 6 Maar eer gij dat doet, zo roept mij Achior, 92 14, 6 | gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat 93 14, 12| 12 Want hij vermoedde, dat hij bij Judith sliep.~ 94 15, 1 | als die in de tenten waren dat hoorden, ontzetten zij zich 95 15, 9 | te aanschouwen het goede dat God Israël gedaan had, en 96 15, 13| wagens in, en zij laadde dat op dezelve.~ 97 16, 6 | 6 Hij zeide, dat hij mijn landpalen zou verbranden, 98 16, 6 | landpalen zou verbranden, en dat hij mijn jonge mannen zou 99 16, 17| 17 Dat al uw schepsel u diene, 100 16, 23| gegeven had, en het behangsel, dat zij uit zijn slaapkamer 101 16, 27| haars levens, van de dag dat haar man Manasse gestorven,


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License