Chapter, Verse
1 1, 6 | tegen de koning Arfaxad, in dat grote veld, hetwelk gelegen
2 1, 6 | voegden zich allen, die aan dat gebergte woonden, en allen
3 1, 12| zeer verstoord tegen al dat land; en hij zwoer bij zijn
4 1, 12| troon en zijn koninkrijk, dat hij zich zeker wreken zou
5 1, 12| en Damaskus, en Syrië, en dat hij met het zwaard zou ombrengen
6 2, 2 | eigen mond al het kwaad van dat land.~
7 2, 3 | 3 En deze oordeelden, dat men zou uitroeien al degenen,
8 2, 5 | en zult hen ontbieden, dat zij mij aarde en water zullen
9 2, 6 | al wat ik gesproken heb, dat zal ik ook doen door mijn
10 3, 9 | En zij zelf, en het land dat rondom hen lag, ontvingen
11 3, 11| het was bij hem besloten, dat hij al de goden des lands
12 4, 5 | aan de vlakte des velds dat bij Dothaïm is, en beval
13 4, 5 | bij Dothaïm is, en beval dat zij de opgangen van het
14 4, 7 | kinderen Israëls deden naar dat de hogepriester Joakim,
15 4, 13| ernst tot de God Israëls, dat hij toch hun jonge kinderen
16 4, 17| Here van ganser kracht, dat hij het gehele huis Israëls
17 5, 1 | Assyriërs, geboodschapt dat de kinderen Israëls zich
18 5, 1 | bereiden tot de krijg, en dat zij de doorgangen van het
19 5, 1 | bergen bemuurd hadden, en dat zij in de vlakke velden
20 5, 3 | Kanaäns, wat volk dit is, dat zich op dit gebergte ophoudt,
21 5, 4 | de rug toegekeerd hebben, dat zij mij niet zijn tegemoet
22 5, 5 | waarheid verhalen van dit volk, dat nabij u woont, en dit gebergte
23 5, 8 | en hun God heeft geboden, dat zij zouden gaan uit het
24 5, 23| God, en zo wij bemerken dat er onder hen zodanige ergernis
25 5, 25| deze woorden te spreken, dat al het volk murmureerde,
26 5, 26| Moabieten bewoonden, zeiden dat men hem in stukken zou houwen,
27 6, 2 | van Efraïm gehuurd zijt, dat gij heden onder ons zo geprofeteerd
28 6, 2 | geprofeteerd en gezegd hebt, dat wij het geslacht Israëls
29 6, 5 | wraak zal gedaan hebben over dat geslacht dergenen, die uit
30 6, 6 | nu met uw hart vertrouwt dat zij niet zullen gevangen
31 6, 7 | hem in zijn tent stonden, dat zij Achior zouden grijpen,
32 7, 1 | deze krijg gekomen was, dat zij zouden optrekken naar
33 7, 1 | gebergte eerst innemen, en dat men de kinderen Israëls
34 7, 10| legeren en wacht houden, dat er niet één man uit de stad
35 7, 10| tegen u opgestaan zijn, en dat zij u niet in vrede zijn
36 7, 11| dienstknechten, en zij bepaalden dat men doen zou gelijk zij
37 7, 13| tussen ons en tussen u, dat gij zulk een groot onrecht
38 7, 14| ons in hun handen gegeven, dat wij voor hun ogen moeten
39 7, 16| 16 Want het is ons beter, dat wij hun ten roof worden,
40 8, 3 | zijn vaderen, in het veld dat tussen Dothaïm en Belamon
41 8, 10| en ons, en hebt beloofd, dat gij de stad zult overgeven
42 8, 11| nu, wie zijt gijlieden, dat gij God op de huidige dag
43 8, 15| God is niet als een mens, dat hij zou bedreigd worden,
44 8, 15| als een zoon des mensen, dat hij zou geoordeeld worden.~
45 8, 19| dan hem, waarom wij hopen dat hij ons niet zal verachten,
46 8, 25| Alles wat gij gezegd hebt, dat hebt gij van goeder harte
47 8, 25| dorst en heeft ons gedwongen dat wij doen zouden volgens
48 8, 25| wij hun beloofd hebben, en dat wij de eed over ons zouden
49 9, 1 | had, en het was nu de tijd dat te Jeruzalem in het huis
50 9, 2 | zal zo niet zijn) en die dat gedaan hadden, waarom gij
51 9, 6 | slingers, en weten niet, dat gij de Here zijt, die de
52 9, 18| 18 En geef dat mijn rede en mijn bedrog
53 9, 19| 19 En maak, dat men onder al uw volk en
54 9, 19| stammen wete en bevinde, dat gij de God zijt aller kracht
55 9, 19| aller kracht en sterkte, en dat er geen ander beschutter
56 10, 2 | 2 Dat zij opstond van haar voetval
57 10, 3 | geheel met water, en zalfde dat met kostelijke dikke zalf,
58 10, 9 | En zeide tot hen: Beveelt dat mij de poort der stad opengedaan
59 10, 13| niemand omkomen, noch iets dat leven heeft.~
60 10, 16| dit volk kunnen verachten, dat zodanige vrouwen onder zich
61 10, 16| daarom is het niet goed dat één man van hen overblijve,
62 10, 19| voor zijn aangezicht en dat zijner dienaren kwam, verwonderden
63 11, 2 | 2 En nu, indien uw volk, dat op dit gebergte woont, mij
64 11, 6 | in het gehele aardrijk, dat gij alleen kloek zijt in
65 11, 8 | overweldigt het niet, tenzij dat zij tegen hun God gezondigd
66 11, 12| zij zullen hebben gedaan, dat zij u zullen overgegeven
67 11, 20| haar: God heeft welgedaan, dat Hij u voor dit volk heeft
68 12, 1 | 1 EN hij beval dat men haar brengen zou in
69 12, 1 | bewaard werd, en hij gelastte dat men haar zou opdissen van
70 12, 1 | opdissen van zijn spijs, en dat zij drinken zou van zijn
71 12, 3 | wanneer het op zal zijn, dat bij u is, vanwaar zullen
72 12, 6 | Mijn heer beveel toch, dat men toelate dat zijn dienstmaagd
73 12, 6 | beveel toch, dat men toelate dat zijn dienstmaagd tot het
74 12, 6 | beval zijn lijfwachten, dat zij haar niet verhinderden.~
75 12, 8 | de Here, de God Israëls, dat Hij haar weg richten wilde,
76 12, 10| geschiedde op de vierde dag, dat Holofernes een maaltijd
77 12, 10| welke over alles gesteld was dat hem toebehoorde: Ga toch
78 12, 10| Hebreeuwse vrouw die bij u is, dat zij bij ons kome, en met
79 12, 11| het is schande voor ons dat wij zodanige vrouw zouden
80 12, 12| kwam tot haar en zeide: Dat de schone jonkvrouw zich
81 12, 14| behagelijk zal zijn in zijn ogen, dat zal ik vlijtig doen; en
82 12, 16| verleiden, van de dag af dat hij haar gezien had.~
83 12, 20| één dag gedronken had, van dat hij geboren was.~
84 13, 4 | haar dienstmaagd bevolen, dat zij buiten haar slaapkamer
85 13, 4 | geschied was. Want zij zeide, dat zij uitgaan zou tot haar
86 13, 12| zijnde, gingen zij rondom dat dal heen, en klommen op
87 13, 14| stad haar stem hoorden, dat zij zich haastten om af
88 13, 15| want het dacht hun vreemd, dat zij kwam en zij deden de
89 13, 20| die ik heengegaan ben, dat mijn aangezicht hem heeft
90 14, 1 | neemt dit hoofd, en hangt dat uit, op de tinne van onze
91 14, 6 | 6 Maar eer gij dat doet, zo roept mij Achior,
92 14, 6 | gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat
93 14, 12| 12 Want hij vermoedde, dat hij bij Judith sliep.~
94 15, 1 | als die in de tenten waren dat hoorden, ontzetten zij zich
95 15, 9 | te aanschouwen het goede dat God Israël gedaan had, en
96 15, 13| wagens in, en zij laadde dat op dezelve.~
97 16, 6 | 6 Hij zeide, dat hij mijn landpalen zou verbranden,
98 16, 6 | landpalen zou verbranden, en dat hij mijn jonge mannen zou
99 16, 17| 17 Dat al uw schepsel u diene,
100 16, 23| gegeven had, en het behangsel, dat zij uit zijn slaapkamer
101 16, 27| haars levens, van de dag dat haar man Manasse gestorven,
|