Chapter, Verse
1 1, 11| maar hij was voor hen als een enig man, en deden zijn
2 1, 16| uit vele volken bestaande, een zeer grote menigte van krijgslieden;
3 2, 5 | duizend voetknechten, en een menigte paarden met hun
4 2, 5 | zal hen die overgeven tot een roof; en hun gekwetsten
5 2, 6 | overgeven tot de dood, en tot een roof in al uw land; want
6 2, 6 | mijn hand; en gij zult niet een der woorden uws heren overtreden,
7 2, 8 | gesteld op de wijze als een menigte krijgsvolk geordineerd
8 2, 8 | en ezelen tot hun bagage, een zeer grote menigte; mitsgaders
9 2, 9 | 9 En een grote menigte koren voor
10 2, 18| 18 En een vrees en beving voor hem
11 3, 12| al hun geslachten hem tot een god aanroepen.~
12 3, 14| Scythopolis, en hij was daar een ganse maand stil, opdat
13 4, 12| bekleedden het altaar met een zak.~
14 4, 13| kinderen niet overgave tot een roof, en hun vrouwen tot
15 5, 3 | onder hen opgestaan is, die een leidsman is van hun leger.~
16 5, 5 | hem: Mijnheer hoor toch een woord uit de mond uws knechts,
17 5, 9 | zij zijn daar geworden tot een grote menigte, en hun geslacht
18 5, 17| dit gehele gebergte tot een erfenis ontvangen.~
19 5, 19| hun wel; want met hen is een God, die ongerechtigheid
20 5, 21| gevankelijk weggevoerd in een vreemd land, en de tempel
21 5, 24| hen zij, en wij zullen tot een smaad zijn voor het gehele
22 5, 26| Israëls, want ziet het is een volk waarin geen kracht
23 5, 26| kracht is, noch macht tot een sterk heerleger.~
24 5, 27| Holofernes en zij zullen een aas zijn voor uw ganse leger.~ ~ ~
25 6, 4 | worden met hun doden, en niet een voetstap hunner voeten zal
26 6, 6 | en zullen u stellen in een der steden van hun opgangen,
27 6, 17| in zijn huis, en bereidde een maaltijd voor de oudsten,~
28 7, 2 | krijgsrusting; en daar was een zeer grote menigte van mannen,
29 7, 4 | werden zeer ontroerd, en de een zeide tot de ander: Deze
30 7, 8 | zeiden: Mijn heer hore toch een woord, opdat zijn heerleger
31 7, 10| beoorloog hen niet gelijk in een bestorming geschiedt, en
32 7, 12| in grote hopen, en waren een zeer grote menigte;~
33 7, 13| drinken, zelfs niet voor een dag. Want men gaf hun te
34 7, 13| en tussen u, dat gij zulk een groot onrecht ons hebt aangedaan,
35 7, 18| 18 En daar rees een groot en eendrachtig geschrei
36 8, 1 | dagen hoorde zulks Judith, een dochter van Merari, de zoon
37 8, 5 | 5 En zij maakte zichzelf een tent op het dak van haar
38 8, 5 | dak van haar huis, en deed een zak om haar lendenen, en
39 8, 15| pand, want God is niet als een mens, dat hij zou bedreigd
40 8, 15| bedreigd worden, noch als een zoon des mensen, dat hij
41 8, 18| gevallen voor onze vijanden met een grote val.~
42 8, 20| zijn. En wij zullen tot een aanstoot en tot een spot
43 8, 20| tot een aanstoot en tot een spot zijn voor degenen,
44 8, 21| laat ons onze broederen een voorbeeld geven, want van
45 8, 24| degenen, die hem genaken, tot een waarschuwing.~
46 8, 26| voor ons, want gij zijt een godvrezende vrouw, en de
47 8, 27| hen: Hoort mij en ik zal een werk doen, hetwelk van geslacht
48 9, 3 | hun vrouwen gegeven tot een roof, en hun dochteren in
49 9, 3 | ijver hebben geijverd, en een gruwel gehad hebben over
50 9, 3 | bloeds, en hebben u tot een helper aangeroepen, o God,
51 9, 3 | God, verhoor mij ook, die een weduwe ben.~
52 9, 12| geef mijn hand (ik, die een weduwe ben) de sterkte,
53 9, 15| geweldigen, maar gij zijt een God der nederigen; gij zijt
54 9, 15| der nederigen; gij zijt een helper der kleinen, een
55 9, 15| een helper der kleinen, een aannemer der zwakken, een
56 9, 15| een aannemer der zwakken, een beschutter der vertwijfelenden,
57 9, 15| der vertwijfelenden, en een behouder dergenen, die geen
58 9, 18| rede en mijn bedrog hun tot een wonde en striem worde, die
59 10, 3 | van haar hoofd, en zette een hoofdsiersel daarop, en
60 10, 5 | zij gaf haar dienstmaagd een lederen fles met wijn, en
61 10, 5 | lederen fles met wijn, en een kruik met olie, en vulde
62 10, 5 | kruik met olie, en vulde een male met meel, en met vijgen,
63 10, 12| 12 En zij zeide: Ik ben een Hebreeuwse vrouw, en vlucht
64 10, 13| boodschappen, en ik zal een weg voor hem wijzen, waardoor
65 10, 16| Holofernes, en daar kwam een oploop door het gehele leger,
66 10, 16| Israëls om harentwil, en de een zeide tot de ander: Wie
67 10, 18| rustte op zijn bed onder een behangsel, hetwelk van purper,
68 11, 3 | zal verongelijken, maar een ieder zal u weldoen, gelijk
69 11, 9 | het aanschijn gevallen, en een zonde heeft hen ingenomen,
70 11, 16| hebben, en daar zal niet een hond zijn, die met zijn
71 12, 10| vierde dag, dat Holofernes een maaltijd aanrichtte, alleen
72 12, 12| op deze dag te worden als een van de dochteren der Assyriërs,
73 12, 14| vlijtig doen; en dit zal mij een verheuging zijn, tot aan
74 13, 11| 11 En een weinig daarna ging zij uit,
75 13, 25| eeuwigheid; en God doe u dit tot een eeuwige verhoging, en bezoeke
76 14, 2 | op aarde opgaan, zo zal een iegelijk van u zijn krijgsuitrusting
77 14, 2 | buiten de stad, en zult een overste stellen tegen hen,
78 14, 4 | zullen hem niet vinden, en een vrees zal op hen vallen,
79 14, 6 | Holofernes zag, in de hand van een man onder de vergadering
80 14, 6 | luider stem, en verhief een stem van vreugde in hun
81 14, 9 | krijgsoversten en kolonels, en tot een ieder die over hen te gebieden
82 14, 15| hebben trouweloos gehandeld: een Hebreeuwse vrouw heeft schaamte
83 15, 6 | Galilea sloegen hen met een grote slachting, totdat
84 15, 8 | veel buit, want daar was een zeer grote menigte.~
85 15, 11| verhoging Israëls, gij zijt een grote heerlijkheid Israëls.
86 15, 11| heerlijkheid Israëls. Gij zijt een grote roem van ons geslacht.
87 15, 11| goed gedaan, en God hebbe een welgevallen daaraan. Zijt
88 15, 14| haar, en zij maakten zich een rei uit haar midden.~
89 16, 2 | cimbalen, en dicht Hem kunstig een nieuwe Psalm; verheft, en
90 16, 3 | 3 Want de Here is een God, die de krijgen vermorzelt:
91 16, 10| had haar haar gebonden in een hulsel, en zij nam een linnen
92 16, 10| in een hulsel, en zij nam een linnen kleding, om hem te
93 16, 15| 15 Ik zal mijn God een lofzang zingen.~
94 16, 19| offerande ten goeden reuk, is een klein ding voor u, en al
95 16, 23| genomen had, gaf zij tot een heilige gift voor de Here.~
96 16, 25| 25 En na die dagen trok een iegelijk weder naar zijn
|