Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
durven 1
ecbatana 3
eed 2
een 96
één 5
eendrachtig 3
eendrachtiglijk 2
Frequency    [«  »]
141 haar
109 hij
101 dat
96 een
93 al
93 gij
91 met

boek Judith (Het)

IntraText - Concordances

een

   Chapter, Verse
1 1, 11| maar hij was voor hen als een enig man, en deden zijn 2 1, 16| uit vele volken bestaande, een zeer grote menigte van krijgslieden; 3 2, 5 | duizend voetknechten, en een menigte paarden met hun 4 2, 5 | zal hen die overgeven tot een roof; en hun gekwetsten 5 2, 6 | overgeven tot de dood, en tot een roof in al uw land; want 6 2, 6 | mijn hand; en gij zult niet een der woorden uws heren overtreden, 7 2, 8 | gesteld op de wijze als een menigte krijgsvolk geordineerd 8 2, 8 | en ezelen tot hun bagage, een zeer grote menigte; mitsgaders 9 2, 9 | 9 En een grote menigte koren voor 10 2, 18| 18 En een vrees en beving voor hem 11 3, 12| al hun geslachten hem tot een god aanroepen.~ 12 3, 14| Scythopolis, en hij was daar een ganse maand stil, opdat 13 4, 12| bekleedden het altaar met een zak.~ 14 4, 13| kinderen niet overgave tot een roof, en hun vrouwen tot 15 5, 3 | onder hen opgestaan is, die een leidsman is van hun leger.~ 16 5, 5 | hem: Mijnheer hoor toch een woord uit de mond uws knechts, 17 5, 9 | zij zijn daar geworden tot een grote menigte, en hun geslacht 18 5, 17| dit gehele gebergte tot een erfenis ontvangen.~ 19 5, 19| hun wel; want met hen is een God, die ongerechtigheid 20 5, 21| gevankelijk weggevoerd in een vreemd land, en de tempel 21 5, 24| hen zij, en wij zullen tot een smaad zijn voor het gehele 22 5, 26| Israëls, want ziet het is een volk waarin geen kracht 23 5, 26| kracht is, noch macht tot een sterk heerleger.~ 24 5, 27| Holofernes en zij zullen een aas zijn voor uw ganse leger.~ ~ ~ 25 6, 4 | worden met hun doden, en niet een voetstap hunner voeten zal 26 6, 6 | en zullen u stellen in een der steden van hun opgangen, 27 6, 17| in zijn huis, en bereidde een maaltijd voor de oudsten,~ 28 7, 2 | krijgsrusting; en daar was een zeer grote menigte van mannen, 29 7, 4 | werden zeer ontroerd, en de een zeide tot de ander: Deze 30 7, 8 | zeiden: Mijn heer hore toch een woord, opdat zijn heerleger 31 7, 10| beoorloog hen niet gelijk in een bestorming geschiedt, en 32 7, 12| in grote hopen, en waren een zeer grote menigte;~ 33 7, 13| drinken, zelfs niet voor een dag. Want men gaf hun te 34 7, 13| en tussen u, dat gij zulk een groot onrecht ons hebt aangedaan, 35 7, 18| 18 En daar rees een groot en eendrachtig geschrei 36 8, 1 | dagen hoorde zulks Judith, een dochter van Merari, de zoon 37 8, 5 | 5 En zij maakte zichzelf een tent op het dak van haar 38 8, 5 | dak van haar huis, en deed een zak om haar lendenen, en 39 8, 15| pand, want God is niet als een mens, dat hij zou bedreigd 40 8, 15| bedreigd worden, noch als een zoon des mensen, dat hij 41 8, 18| gevallen voor onze vijanden met een grote val.~ 42 8, 20| zijn. En wij zullen tot een aanstoot en tot een spot 43 8, 20| tot een aanstoot en tot een spot zijn voor degenen, 44 8, 21| laat ons onze broederen een voorbeeld geven, want van 45 8, 24| degenen, die hem genaken, tot een waarschuwing.~ 46 8, 26| voor ons, want gij zijt een godvrezende vrouw, en de 47 8, 27| hen: Hoort mij en ik zal een werk doen, hetwelk van geslacht 48 9, 3 | hun vrouwen gegeven tot een roof, en hun dochteren in 49 9, 3 | ijver hebben geijverd, en een gruwel gehad hebben over 50 9, 3 | bloeds, en hebben u tot een helper aangeroepen, o God, 51 9, 3 | God, verhoor mij ook, die een weduwe ben.~ 52 9, 12| geef mijn hand (ik, die een weduwe ben) de sterkte, 53 9, 15| geweldigen, maar gij zijt een God der nederigen; gij zijt 54 9, 15| der nederigen; gij zijt een helper der kleinen, een 55 9, 15| een helper der kleinen, een aannemer der zwakken, een 56 9, 15| een aannemer der zwakken, een beschutter der vertwijfelenden, 57 9, 15| der vertwijfelenden, en een behouder dergenen, die geen 58 9, 18| rede en mijn bedrog hun tot een wonde en striem worde, die 59 10, 3 | van haar hoofd, en zette een hoofdsiersel daarop, en 60 10, 5 | zij gaf haar dienstmaagd een lederen fles met wijn, en 61 10, 5 | lederen fles met wijn, en een kruik met olie, en vulde 62 10, 5 | kruik met olie, en vulde een male met meel, en met vijgen, 63 10, 12| 12 En zij zeide: Ik ben een Hebreeuwse vrouw, en vlucht 64 10, 13| boodschappen, en ik zal een weg voor hem wijzen, waardoor 65 10, 16| Holofernes, en daar kwam een oploop door het gehele leger, 66 10, 16| Israëls om harentwil, en de een zeide tot de ander: Wie 67 10, 18| rustte op zijn bed onder een behangsel, hetwelk van purper, 68 11, 3 | zal verongelijken, maar een ieder zal u weldoen, gelijk 69 11, 9 | het aanschijn gevallen, en een zonde heeft hen ingenomen, 70 11, 16| hebben, en daar zal niet een hond zijn, die met zijn 71 12, 10| vierde dag, dat Holofernes een maaltijd aanrichtte, alleen 72 12, 12| op deze dag te worden als een van de dochteren der Assyriërs, 73 12, 14| vlijtig doen; en dit zal mij een verheuging zijn, tot aan 74 13, 11| 11 En een weinig daarna ging zij uit, 75 13, 25| eeuwigheid; en God doe u dit tot een eeuwige verhoging, en bezoeke 76 14, 2 | op aarde opgaan, zo zal een iegelijk van u zijn krijgsuitrusting 77 14, 2 | buiten de stad, en zult een overste stellen tegen hen, 78 14, 4 | zullen hem niet vinden, en een vrees zal op hen vallen, 79 14, 6 | Holofernes zag, in de hand van een man onder de vergadering 80 14, 6 | luider stem, en verhief een stem van vreugde in hun 81 14, 9 | krijgsoversten en kolonels, en tot een ieder die over hen te gebieden 82 14, 15| hebben trouweloos gehandeld: een Hebreeuwse vrouw heeft schaamte 83 15, 6 | Galilea sloegen hen met een grote slachting, totdat 84 15, 8 | veel buit, want daar was een zeer grote menigte.~ 85 15, 11| verhoging Israëls, gij zijt een grote heerlijkheid Israëls. 86 15, 11| heerlijkheid Israëls. Gij zijt een grote roem van ons geslacht. 87 15, 11| goed gedaan, en God hebbe een welgevallen daaraan. Zijt 88 15, 14| haar, en zij maakten zich een rei uit haar midden.~ 89 16, 2 | cimbalen, en dicht Hem kunstig een nieuwe Psalm; verheft, en 90 16, 3 | 3 Want de Here is een God, die de krijgen vermorzelt: 91 16, 10| had haar haar gebonden in een hulsel, en zij nam een linnen 92 16, 10| in een hulsel, en zij nam een linnen kleding, om hem te 93 16, 15| 15 Ik zal mijn God een lofzang zingen.~ 94 16, 19| offerande ten goeden reuk, is een klein ding voor u, en al 95 16, 23| genomen had, gaf zij tot een heilige gift voor de Here.~ 96 16, 25| 25 En na die dagen trok een iegelijk weder naar zijn


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License