Chapter, Verse
1 2, 5 | heer der ganse aarde: ziet gij zult van voor mijn aangezicht
2 2, 5 | mijn aangezicht uitgaan, en gij zult met u nemen mannen
3 2, 5 | ruiters, tot twaalfduizend; en gij zult uittrekken tegen het
4 2, 5 | einden der ganse aarde. Doch gij, uittrekkende zult tevoren
5 2, 5 | zich aan u overgeven, en gij zult mij die bewaren tot
6 2, 6 | zal uw oog niet sparen, gij zult hen overgeven tot de
7 2, 6 | doen door mijn hand; en gij zult niet een der woorden
8 2, 6 | gelijk ik u bevolen heb, en gij zult niet vertragen het
9 5, 3 | tot hen: Zegt mij toch, gij kinderen Kanaäns, wat volk
10 6, 2 | 2 Wie zijt gij toch Achior, en gij die
11 6, 2 | zijt gij toch Achior, en gij die van Efraïm gehuurd zijt,
12 6, 2 | Efraïm gehuurd zijt, dat gij heden onder ons zo geprofeteerd
13 6, 5 | 5 En gij Achior, gij huurling der
14 6, 5 | 5 En gij Achior, gij huurling der Ammonieten,
15 6, 5 | dag uwer ongerechtigheid, gij zult mijn aangezicht niet
16 6, 5 | tussen uw zijden gaan, en gij zult vallen onder hun gekwetsten,
17 6, 6 | steden van hun opgangen, en gij zult niet sterven totdat
18 6, 6 | zult niet sterven totdat gij met hen verdelgd wordt.
19 6, 6 | hen verdelgd wordt. Indien gij nu met uw hart vertrouwt
20 6, 15| 15 Here, gij God des hemels, zie op hun
21 7, 10| straten hunner woning. En gij zult hun zware vergelding
22 7, 13| tussen ons en tussen u, dat gij zulk een groot onrecht ons
23 8, 10| zeide tot hen: Hoort mij nu, gij oversten der inwoners van
24 8, 10| rede is niet recht, welke gij op deze dag tegen het volk
25 8, 10| hebt de eed gesteld, die gij gesproken hebt, tussen God
26 8, 10| ons, en hebt beloofd, dat gij de stad zult overgeven aan
27 8, 11| wie zijt gijlieden, dat gij God op de huidige dag hebt
28 8, 12| 12 En gij onderzoekt nu de Here, de
29 8, 13| het hart des mensen kunt gij niet doorgronden, en kunt
30 8, 13| zijner bedenking, en hoe zult gij de God die al deze dingen
31 8, 15| 15 Doch stelt gij de raadslagen van de Here,
32 8, 25| zeide tot haar: Alles wat gij gezegd hebt, dat hebt gij
33 8, 25| gij gezegd hebt, dat hebt gij van goeder harte gezegd,
34 8, 26| 26 En nu, bid gij voor ons, want gij zijt
35 8, 26| bid gij voor ons, want gij zijt een godvrezende vrouw,
36 8, 28| binnen die dagen, na welke gij gezegd hebt de stad aan
37 9, 2 | 2 Here, gij God mijns vaders Simeon,
38 9, 2 | hadden tot schande, (want gij hadt gezegd, het zal zo
39 9, 2 | dat gedaan hadden, waarom gij hun oversten hebt gegeven
40 9, 4 | 4 Want gij hebt de dingen gedaan, welke
41 9, 4 | zijn, en, die dingen, die gij beraadslaagd hebt, zijn
42 9, 6 | slingers, en weten niet, dat gij de Here zijt, die de krijgen
43 9, 7 | 7 Breek gij hun geweld met uw kracht,
44 9, 15| vermogen in de geweldigen, maar gij zijt een God der nederigen;
45 9, 15| zijt een God der nederigen; gij zijt een helper der kleinen,
46 9, 16| 16 Ja, ja, gij God mijns vaders, gij God
47 9, 16| ja, gij God mijns vaders, gij God van het erfdeel Israëls,
48 9, 16| van het erfdeel Israëls, gij Here des hemels en der aarde,
49 9, 16| des hemels en der aarde, gij schepper der wateren, gij
50 9, 16| gij schepper der wateren, gij Koning van al uw schepselen,~
51 9, 17| 17 Verhoor gij toch mijn gebed,~
52 9, 19| stammen wete en bevinde, dat gij de God zijt aller kracht
53 9, 19| geslacht Israëls is dan gij.~
54 10, 9 | dingen te volbrengen, waarvan gij met mij hebt gesproken,
55 10, 11| vraagden haar: Wiens zijt gij? en vanwaar komt gij? en
56 10, 11| zijt gij? en vanwaar komt gij? en waar gaat gij heen?~
57 10, 11| vanwaar komt gij? en waar gaat gij heen?~
58 10, 15| En zij zeiden tot haar: Gij hebt uw leven behouden,
59 10, 15| uw leven behouden, dewijl gij u gehaast hebt af te komen
60 10, 16| 16 Wanneer gij nu voor hem staat, zo zijt
61 11, 3 | Maar nu, zeg mij, waarom gij van hen gevloden en tot
62 11, 3 | tot ons gekomen zijt, want gij komt tot uw behoudenis;
63 11, 3 | behoudenis; heb goede moed, gij zult deze nacht bij het
64 11, 4 | boodschappen. En indien gij de woorden uwer dienstmaagd
65 11, 6 | het gehele aardrijk, dat gij alleen kloek zijt in geheel
66 11, 14| en u zulks aanbrengen, en gij zult met uw gehele macht
67 11, 15| midden van Judea, totdat gij komt voor Jeruzalem.~
68 11, 16| midden van hen zetten, en gij zult hen drijven gelijk
69 11, 21| 21 En nu, gij zijt schoon van gestalte
70 11, 21| zijn uw redenen, indien gij dan zult doen gelijk gij
71 11, 21| gij dan zult doen gelijk gij gezegd hebt, zo zal uw God
72 11, 21| uw God mijn God zijn, en gij zult in het huis des konings
73 11, 21| Nabuchodonosor wonen, en gij zult vermaard zijn door
74 13, 6 | 6 O Here, gij God aller kracht, zie te
75 13, 22| eendrachtiglijk: Geloofd zijt gij, o onze God, die op de huidige
76 13, 23| tot haar: Gezegend zijt gij, o dochter, voor de hoogste
77 13, 25| met allerlei goed, opdat gij uw leven niet gespaard hebt,
78 13, 25| val tegengegaan, dewijl gij oprecht voor onze God hebt
79 14, 2 | krijgsuitrusting nemen, en gij allen, die kloeke mannen
80 14, 2 | stellen tegen hen, als of gij wildet nederdalen in het
81 14, 2 | kinderen van Assur, maar gij zult niet henen afgaan.~
82 14, 6 | 6 Maar eer gij dat doet, zo roept mij Achior,
83 14, 6 | en zeide: Gezegend zijt gij in alle tenten van Juda,
84 14, 6 | verhaal mij al hetgeen gij in deze dagen gedaan hebt.
85 15, 11| 11 Gij zijt de verhoging Israëls,
86 15, 11| zijt de verhoging Israëls, gij zijt een grote heerlijkheid
87 15, 11| grote heerlijkheid Israëls. Gij zijt een grote roem van
88 15, 11| grote roem van ons geslacht. Gij hebt dit alles gedaan door
89 15, 11| alles gedaan door uw hand. Gij hebt aan Israël goed gedaan,
90 16, 16| 16 Here, gij zijt groot en heerlijk,
91 16, 17| uw schepsel u diene, want gij hebt het gezegd, en zij
92 16, 17| gezegd, en zij zijn geworden. Gij hebt uw geest uitgezonden,
93 16, 19| 19 Maar gij zult genadig zijn degenen
|