Chapter, Verse
1 1, 11| 11 Doch al de inwoners dezes lands
2 1, 12| werd zeer verstoord tegen al dat land; en hij zwoer bij
3 1, 12| zich zeker wreken zou over al de landpalen van Cilicië,
4 1, 12| het zwaard zou ombrengen al de inwoners van het land
5 1, 13| ganse macht van Arfaxad, en al zijn ruiterij en zijn wagenen,
6 1, 16| weder naar Nineve, hij en al zijn leger, uit vele volken
7 2, 2 | 2 En hij riep al zijn dienstknechten, en
8 2, 2 | zijn dienstknechten, en al zijn groten bijeen, en hij
9 2, 2 | verhaalde met zijn eigen mond al het kwaad van dat land.~
10 2, 3 | oordeelden, dat men zou uitroeien al degenen, die het bevel zijns
11 2, 5 | uittrekkende zult tevoren al hun landpalen innemen, en
12 2, 6 | dood, en tot een roof in al uw land; want zo zeker als
13 2, 6 | macht mijns koninkrijks, al wat ik gesproken heb, dat
14 2, 7 | aanschijn zijns heren, en riep al de machtigen, en de krijgsoversten,
15 2, 16| 16 En hij omringde al de kinderen van Midian,
16 2, 17| tarweoogst, en hij verbrandde al hun akkers, en hun klein
17 2, 17| wande hij uit, en sloeg al hun jonge mannen met de
18 3, 4 | 4 Ziet, al onze landhuizen, en al onze
19 3, 4 | al onze landhuizen, en al onze plaatsen, en al onze
20 3, 4 | en al onze plaatsen, en al onze korenvelden, en al
21 3, 4 | al onze korenvelden, en al ons klein en groot vee,
22 3, 4 | ons klein en groot vee, en al de stallen onzer woningen
23 3, 10| 10 En hij verstoorde al hun landpalen en hieuw hun
24 3, 11| bij hem besloten, dat hij al de goden des lands zou vernielen,~
25 3, 12| dienen, en alle tongen, en al hun geslachten hem tot een
26 3, 14| ganse maand stil, opdat hij al de bagage zijns legers bijeenvergaderde.~
27 4, 1 | in Judea woonden, hoorden al wat Holofernes, de krijgsoverste
28 4, 1 | had, en op wat wijze hij al hun tempels beroofd en deze
29 4, 3 | dal Salem, en zij namen al de spitsen der hoge bergen
30 4, 8 | 8 En al de mannen Israëls riepen
31 4, 16| Joakim de hogepriester, en al de priesters, die voor de
32 5, 1 | het gebergte besloten, en al de spitsen der hoge bergen
33 5, 2 | zeer toornig, en hij riep al de oversten der Moabieten,
34 5, 2 | krijgsoversten der Ammonieten, en al de vorsten van het land
35 5, 4 | tegemoet gekomen, buiten al degenen die in het westen
36 5, 5 | En Achior, de overste van al de kinderen Ammons, zeide
37 5, 15| 15 En hebben al de Esebonieten uitgeroeid
38 5, 18| Jebusiet, en de Sychemiet, en al de Gergesenen; en zij hebben
39 5, 25| woorden te spreken, dat al het volk murmureerde, hetwelk
40 6, 12| 12 En zij riepen al de oudsten der stad bijeen,
41 6, 12| oudsten der stad bijeen, en al hun jongelingen, en de vrouwen
42 6, 12| Achior in het midden van al hun volk, en Ozias vraagde
43 6, 13| de raad van Holofernes en al de woorden die hij gesproken
44 7, 1 | zijn gehele heerleger, en al zijn volk, hetwelk tot zijn
45 7, 5 | 5 En zij namen al hun wapenen en ontstaken
46 7, 6 | tweede dag voerde Holofernes al zijn ruiters uit, voor het
47 7, 8 | 8 En tot hen kwamen al de oversten van de kinderen
48 7, 8 | van de kinderen Ezau's, en al de leidslieden der Moabieten,
49 7, 10| maar in uw leger, en behoud al de mannen van het heer,
50 7, 11| behaagden Holofernes, en al zijn dienstknechten, en
51 7, 13| werd kleinmoedig, dewijl al hun vijanden hen omsingeld
52 7, 13| watervaten ontbraken aan al de inwoners van Bethulië
53 7, 13| luider stem en spraken tot al de oversten: God zij rechter
54 7, 15| volk van Holofernes, en aan al zijn heerkracht.~
55 8, 6 | 6 En zij vastte al de dagen van haar weduwschap,
56 8, 9 | waters; en Judith hoorde ook al de woorden die Ozias tegen
57 8, 9 | zond haar maagd, die over al haar goederen gesteld was,
58 8, 13| hoe zult gij de God die al deze dingen geschapen heeft,
59 8, 22| Gedenkt wat hij met Abraham al gedaan heeft.~
60 8, 23| verzocht heeft, en wat Jakob al is overkomen in Mesopotamië
61 8, 25| het begin uwer dagen heeft al het volk uw vernuft bekend,
62 9, 3 | dochteren in gevangenis, en al de buit tot verdeling onder
63 9, 5 | 5 Want al uw wegen zijn bereid, en
64 9, 16| wateren, gij Koning van al uw schepselen,~
65 9, 19| 19 En maak, dat men onder al uw volk en alle stammen
66 10, 1 | roepen tot de God Israëls, en al deze woorden geëindigd had.~
67 10, 4 | ringen, en oorringen, en al haar sieraad, en versierde
68 10, 5 | en reine broden, en bond al haar vaten om en om, en
69 10, 17| kamerlingen van Holofernes, en al zijn dienaars kwamen uit,
70 11, 10| spijs ontbroken heeft, en al het water zeer weinig is
71 11, 10| besloten tot spijs te gebruiken al hetgeen God in zijn wetten
72 11, 18| behaagden Holofernes en al zijn dienstknechten, en
73 12, 14| 14 Want al wat behagelijk zal zijn
74 12, 15| met haar kleding, en met al haar vrouwensiersel; en
75 12, 18| verheven dan het geweest is van al de dagen mijner geboorte.~
76 13, 9 | tweemaal in zijn hals met al haar kracht: en hieuw hem
77 13, 21| 21 En al het volk ontzette zich zeer,
78 13, 26| 26 En al het volk zeide: Het zij
79 14, 6 | ontzetten; en nu, verhaal mij al hetgeen gij in deze dagen
80 14, 6 | in het midden des volks, al hetgeen zij gedaan had,
81 14, 7 | 7 En Achior ziende al hetgeen de God Israëls gedaan
82 14, 9 | zeiden tot degenen die over al zijn zaken gesteld was:~
83 15, 11| ten eeuwigen tijde, en al het volk zeide: Het zij
84 15, 12| 12 En al het volk plunderde het leger,
85 15, 13| tent van Holofernes, en al het zilverwerk, en de bedden,
86 15, 13| bedden, en de bekkens, en al zijn huisraad, en zij nam
87 15, 14| 14 En al de vrouwen Israëls liepen
88 15, 15| volk in de rei, leidende al de vrouwen, en alle mannen
89 16, 17| 17 Dat al uw schepsel u diene, want
90 16, 19| een klein ding voor u, en al het vette tot brandoffer
91 16, 23| Judith hing op in de tempel al de vaten van Holofernes,
92 16, 27| maar geen man bekende haar al de dagen haars levens, van
93 16, 29| goederen, eer zij stierf, aan al de naaste vrienden van haar
|