Chapter, Verse
1 1, 11| ledig van zich wederkeren met schande.~
2 1, 12| Damaskus, en Syrië, en dat hij met het zwaard zou ombrengen
3 1, 13| 13 En hij is met zijn macht in slagorden
4 1, 15| Ragan, en doorschoot hem met zijn pijlen, en verdierf
5 1, 16| 16 En hij keerde met hen weder naar Nineve, hij
6 2, 2 | zijn raad, en hij verhaalde met zijn eigen mond al het kwaad
7 2, 5 | aangezicht uitgaan, en gij zult met u nemen mannen die op hun
8 2, 5 | en een menigte paarden met hun ruiters, tot twaalfduizend;
9 2, 5 | aangezicht der aarde bedekken met de voeten van mijn heerleger,
10 2, 5 | overvloeiende rivier zal met hun doden vervuld worden,
11 2, 11| 11 En hij begaf zich met zijn ganse leger op de uittocht,
12 2, 11| des lands tegen het westen met hun wagenen, en ruiters,
13 2, 17| sloeg al hun jonge mannen met de scherpte des zwaards.~
14 3, 1 | zonden gezanten tot hem met woorden van vrede, zeggende:~
15 3, 3 | 3 Doe met ons, gelijk het u behaagt.~
16 3, 5 | knechten; kom en handel met hen, gelijk het goed is
17 3, 7 | 7 En hij met zijn heerkracht trok af
18 3, 9 | rondom hen lag, ontvingen hem met kransen, reien en trommels.~
19 4, 8 | mannen Israëls riepen tot God met grote ernst, en verootmoedigden
20 4, 8 | verootmoedigden hun zielen met grote ernst, zij en hun
21 4, 11| bestrooiden hun hoofden met as, en spreidden hun zakken
22 4, 12| zij bekleedden het altaar met een zak.~
23 4, 13| zij riepen eendrachtig en met ernst tot de God Israëls,
24 4, 16| Here dienden, hun lendenen met zakken omgord hebbende,
25 5, 11| hij sloeg gans Egypteland met plagen, die niet te genezen
26 5, 19| God ging het hun wel; want met hen is een God, die ongerechtigheid
27 6, 4 | velden zullen vervuld worden met hun doden, en niet een voetstap
28 6, 6 | niet sterven totdat gij met hen verdelgd wordt. Indien
29 6, 6 | verdelgd wordt. Indien gij nu met uw hart vertrouwt dat zij
30 6, 8 | bergs toe, en allen die met de slinger wierpen beletten
31 6, 8 | opkomst, en wierpen op hen met stenen.~
32 7, 7 | nam ze in, en bezette die met krijgswachten, en hijzelf
33 7, 12| uit de kinderen van Assur met hen trokken voort, en sloegen
34 7, 13| vrouwen en kinderen, en riepen met luider stem en spraken tot
35 7, 16| zullen onze jonge kinderen met onze ogen niet zien sterven,
36 7, 18| zij riepen tot God de Here met luider stem.~
37 8, 5 | lendenen, en zij was bekleed met klederen ener weduwe.~
38 8, 17| welke de goden dient, die met handen gemaakt zijn.~
39 8, 18| gevallen voor onze vijanden met een grote val.~
40 8, 22| 22 Gedenkt wat hij met Abraham al gedaan heeft.~
41 8, 28| de poort staan, en ik zal met mijn dienstmaagd daaruit
42 9, 1 | geofferd werd, en Judith riep met luider stem tot de Here,
43 9, 2 | hebt de knechten geslagen met de geweldigen, en de geweldigen
44 9, 3 | lieve kinderen, welke ook met uw ijver hebben geijverd,
45 9, 7 | 7 Breek gij hun geweld met uw kracht, en sla hun sterkte
46 9, 9 | van uw heerlijke naam, en met het breekijzer om te werpen
47 9, 13| 13 Sla met mijn bedriegelijke lippen
48 9, 13| bedriegelijke lippen de knecht met de overste, en de overste
49 9, 13| de overste, en de overste met zijn dienaar.~
50 10, 3 | wies haar lichaam geheel met water, en zalfde dat met
51 10, 3 | met water, en zalfde dat met kostelijke dikke zalf, en
52 10, 5 | dienstmaagd een lederen fles met wijn, en een kruik met olie,
53 10, 5 | fles met wijn, en een kruik met olie, en vulde een male
54 10, 5 | olie, en vulde een male met meel, en met vijgen, en
55 10, 5 | vulde een male met meel, en met vijgen, en reine broden,
56 10, 9 | volbrengen, waarvan gij met mij hebt gesproken, en zij
57 10, 10| ging uit, en haar maagd met haar, en de mannen der stad
58 11, 4 | volgen, zo zal God de zaak met u volkomen uitvoeren, en
59 11, 5 | uitgezonden heeft om alle zielen met orde te richten, zo zullen
60 11, 11| zelfs niemand uit het volk met de handen betaamt aan te
61 11, 13| God heeft mij gezonden, om met u dingen te doen, waarover
62 11, 14| aanbrengen, en gij zult met uw gehele macht uittrekken;
63 11, 16| niet een hond zijn, die met zijn tong tegen u zal bassen;~
64 12, 10| dat zij bij ons kome, en met ons ete en drinke.~
65 12, 11| gaan, zonder gemeenschap met haar te hebben, want zo
66 12, 12| verheerlijkt te worden, en met ons tot vrolijkheid wijn
67 12, 15| zij op en versierde zich met haar kleding, en met al
68 12, 15| zich met haar kleding, en met al haar vrouwensiersel;
69 12, 16| was uitermate begerig om met haar gemeenschap te hebben,
70 12, 17| haar: Drink toch, en zijt met ons vrolijk.~
71 13, 4 | tot haar gebed, en zij had met Bagoas dergelijke woorden
72 13, 9 | sloeg tweemaal in zijn hals met al haar kracht: en hieuw
73 13, 13| open, God, onze God, is met ons om nog kracht te bewijzen
74 13, 17| 17 Maar zij sprak tot hen met luider stem:~
75 13, 20| tot bevlekking en schaamte met mij begaan.~
76 13, 25| verhoging, en bezoeke u met allerlei goed, opdat gij
77 14, 6 | uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij ophield
78 14, 6 | spreken, zo juichte het volk met luider stem, en verhief
79 14, 8 | hun wapenen, en vielen uit met benden tot aan de opgang
80 14, 14| afgehouwen; en hij riep met luider stem, met geschrei,
81 14, 14| hij riep met luider stem, met geschrei, en gezucht, en
82 15, 6 | van Galilea sloegen hen met een grote slachting, totdat
83 15, 9 | en om Judith te zien, en met haar vreedzaam te spreken.~
84 15, 15| degenen, die bij haar waren met olijftakken. En zij ging
85 15, 15| Israëls volgden gewapend met kransen, en met lofzangen
86 15, 15| gewapend met kransen, en met lofzangen in hun monden.~
87 16, 2 | Begint de lof mijns Heren met tambourijn; zing mijn Here
88 16, 2 | tambourijn; zing mijn Here met cimbalen, en dicht Hem kunstig
89 16, 5 | 5 Hij kwam in met vele duizenden zijner macht,
90 16, 10| Zij zalfde haar aangezicht met welriekende zalf, en had
91 16, 18| zullen uit de fundamenten met hun wateren bewogen worden,
|