Chapter, Verse
1 1, 11| Assyriërs, en zij kwamen bij hem niet tot deze krijg, want zij
2 1, 11| krijg, want zij vreesden hem niet, maar hij was voor hen als
3 2, 3 | die het bevel zijns monds niet nagevolgd waren.~
4 2, 6 | ongehoorzamen zal uw oog niet sparen, gij zult hen overgeven
5 2, 6 | door mijn hand; en gij zult niet een der woorden uws heren
6 2, 6 | bevolen heb, en gij zult niet vertragen het te doen.~
7 2, 11| der aarde, en men kon hen niet tellen vanwege hun menigte.~
8 4, 13| toch hun jonge kinderen niet overgave tot een roof, en
9 5, 4 | toegekeerd hebben, dat zij mij niet zijn tegemoet gekomen, buiten
10 5, 7 | Mesopotamië. Want zij wilden niet volgen de goden hunner vaderen,
11 5, 11| Egypteland met plagen, die niet te genezen waren en de Egyptenaars
12 5, 19| 19 En zo lang zij niet zondigden tegen hun God
13 5, 24| voorbij, opdat hun Here hen niet mogelijk bescherme, en hun
14 5, 26| want zeiden zij, wij vrezen niet voor de kinderen Israëls,
15 6, 2 | wij het geslacht Israëls niet zouden beoorlogen, omdat
16 6, 3 | aardbodems, en hun God zal hen niet verlossen, maar wij die
17 6, 3 | kracht van onze paarden niet wederstaan, maar wij zullen
18 6, 4 | worden met hun doden, en niet een voetstap hunner voeten
19 6, 4 | woorden zijner rede zullen niet ijdel zijn.~
20 6, 5 | gij zult mijn aangezicht niet meer zien, van deze dag
21 6, 6 | hun opgangen, en gij zult niet sterven totdat gij met hen
22 6, 6 | uw hart vertrouwt dat zij niet zullen gevangen worden,
23 6, 6 | worden, zo laat uw aangezicht niet vervallen, ik het het gesproken,
24 7, 9 | kinderen Israëls verlaat zich niet op hun spiesen, maar op
25 7, 9 | waarin zij wonen, want het is niet licht de spitsen van hun
26 7, 10| nu, heer, beoorloog hen niet gelijk in een bestorming
27 7, 10| bestorming geschiedt, en niet één man zal uit uw volk
28 7, 10| en wacht houden, dat er niet één man uit de stad zal
29 7, 10| opgestaan zijn, en dat zij u niet in vrede zijn tegemoet gekomen.~
30 7, 13| verzadiging te drinken, zelfs niet voor een dag. Want men gaf
31 7, 16| jonge kinderen met onze ogen niet zien sterven, en de zielen
32 7, 17| onzer vaderen, opdat hij niet doe naar deze woorden op
33 7, 19| zal ons tot het einde toe niet verlaten.~
34 8, 10| Bethulië, want uw rede is niet recht, welke gij op deze
35 8, 10| deze dagen de Here zich niet wendt om ons te helpen.~
36 8, 13| hart des mensen kunt gij niet doorgronden, en kunt niet
37 8, 13| niet doorgronden, en kunt niet vatten de woorden zijner
38 8, 14| 14 Niet alzo, broeders, verwekt
39 8, 14| verwekt de Here, onze God, niet tot gramschap. Want zo hij
40 8, 14| hij in deze vijf dagen ons niet helpen wil, hij heeft de
41 8, 15| raadslagen van de Here, onze God, niet ten pand, want God is niet
42 8, 15| niet ten pand, want God is niet als een mens, dat hij zou
43 8, 19| waarom wij hopen dat hij ons niet zal verachten, noch iemand
44 8, 20| ingenomen zijn, zal Judea niet meer zo genoemd worden,
45 8, 20| onze dienstbaarheid zal niet gericht worden tot genade,
46 8, 24| harten, zo wreekt hij zich niet over ons, maar de Here kastijdt
47 8, 25| Want uw wijsheid is heden niet eerst openbaar, maar van
48 8, 25| zouden brengen, die wij niet mogen overtreden.~
49 8, 26| waterbakken vol worden, en wij niet meer gebrek lijden.~
50 8, 29| 29 Doch gijlieden zult niet onderzoeken wat ik doen
51 8, 29| doen zal, want ik zal u niet zeggen wat ik doe, totdat
52 9, 2 | hadt gezegd, het zal zo niet zijn) en die dat gedaan
53 9, 6 | bogen, en slingers, en weten niet, dat gij de Here zijt, die
54 9, 15| 15 Want uw sterkte is niet in de menigte, noch uw vermogen
55 10, 10| doorgegaan was, en zij haar niet meer zagen.~
56 10, 16| voor hem staat, zo zijt niet bevreesd in uw hart, maar
57 10, 16| zich heeft; daarom is het niet goed dat één man van hen
58 11, 1 | vrouwe, en uw hart zij niet bevreesd, want ik heb geen
59 11, 2 | dit gebergte woont, mij niet veracht had, ik zou mijn
60 11, 2 | zou mijn spies tegen hem niet opgeheven hebben, doch zij
61 11, 4 | uitvoeren, en mijn heer zal niet vervallen van zijn aanslagen.~
62 11, 5 | orde te richten, zo zullen niet alleen de mensen door u
63 11, 7 | heer, verwerp zijn rede niet, maar laat ze u ter harte
64 11, 8 | het zwaard overweldigt het niet, tenzij dat zij tegen hun
65 11, 9 | Maar nu, opdat mijn heer niet tevergeefs en zonder iets
66 11, 16| herder hebben, en daar zal niet een hond zijn, die met zijn
67 11, 19| Daar is dergelijke vrouw niet van het ene einde der aarde
68 12, 2 | Judith zeide: Ik zal daarvan niet eten, opdat geen aanstoot
69 12, 4 | heer, uw dienstmaagd zal niet opgeteerd hebben hetgeen
70 12, 6 | lijfwachten, dat zij haar niet verhinderden.~
71 12, 11| hebben, want zo wij haar niet tot ons trekken, zij zal
72 12, 12| de schone jonkvrouw zich niet bezware zelf tot mijn heer
73 13, 18| barmhartigheid van het huis Israëls niet afwendt, maar hij heeft
74 13, 25| 25 Want uw hoop zal niet geweerd worden uit het hart
75 13, 25| goed, opdat gij uw leven niet gespaard hebt, om der vernedering
76 14, 2 | van Assur, maar gij zult niet henen afgaan.~
77 14, 4 | Holofernes, en zullen hem niet vinden, en een vrees zal
78 14, 15| zich ophield, en vond haar niet, en hij sprong tot het volk
79 14, 15| aarde, en zijn hoofd is niet op hem.~
80 16, 8 | 8 Want hun machtige is niet gevallen door jonge mannen,
81 16, 8 | kinderen der Titanen hebben hem niet verslagen, en de grote reuzen
82 16, 8 | grote reuzen hebben hem niet aangegrepen, maar Judith,
|