Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
hem 70
hemel 2
hemels 5
hen 82
henen 1
herder 1
here 40
Frequency    [«  »]
93 al
93 gij
91 met
82 hen
82 niet
81 op
80 te

boek Judith (Het)

IntraText - Concordances

hen

   Chapter, Verse
1 1, 11| niet, maar hij was voor hen als een enig man, en deden 2 1, 16| 16 En hij keerde met hen weder naar Nineve, hij en 3 2, 5 | ongehoorzaam zijn geweest; en zult hen ontbieden, dat zij mij aarde 4 2, 5 | toebereiden, daar ik tegen hen zal uittrekken in mijn toorn, 5 2, 5 | mijn heerleger, en ik zal hen die overgeven tot een roof; 6 2, 6 | oog niet sparen, gij zult hen overgeven tot de dood, en 7 2, 8 | 8 En heeft hen in orde gesteld op de wijze 8 2, 11| veel gemengd volk kwam bij hen, als sprinkhanen, en als 9 2, 11| zand der aarde, en men kon hen niet tellen vanwege hun 10 3, 5 | knechten; kom en handel met hen, gelijk het goed is in uw 11 3, 9 | en het land dat rondom hen lag, ontvingen hem met kransen, 12 5, 3 | 3 En hij zeide tot hen: Zegt mij toch, gij kinderen 13 5, 3 | bestaat, en wat koning onder hen opgestaan is, die een leidsman 14 5, 8 | zij kenden, en die hebben hen verdreven van het aangezicht 15 5, 10| koning van Egypte stond tegen hen op, en gebruikte listigheid 16 5, 10| gebruikte listigheid tegen hen door arbeid, en door maken 17 5, 10| tichelstenen, en vernederde hen, en maakte hen tot slaven.~ 18 5, 10| vernederde hen, en maakte hen tot slaven.~ 19 5, 11| en de Egyptenaars dreven hen uit van hun aangezicht.~ 20 5, 12| God heeft de Rode zee voor hen uitgedroogd.~ 21 5, 13| 13 En heeft hen geleid naar de weg van de 22 5, 19| ging het hun wel; want met hen is een God, die ongerechtigheid 23 5, 23| wij bemerken dat er onder hen zodanige ergernis is, zo 24 5, 23| zullen wij opklimmen en hen overweldigen.~ 25 5, 24| volk is, zo ga, mijn heer, hen voorbij, opdat hun Here 26 5, 24| voorbij, opdat hun Here hen niet mogelijk bescherme, 27 5, 24| bescherme, en hun God vóór hen zij, en wij zullen tot een 28 6, 2 | beoorlogen, omdat hun God hen zal beschermen, en wie is 29 6, 3 | zal zijn macht afzenden en hen verdelgen van het aanschijn 30 6, 3 | aardbodems, en hun God zal hen niet verlossen, maar wij 31 6, 3 | zijn knechten zijn zullen hen slaan als één man, en zij 32 6, 3 | wederstaan, maar wij zullen hen daarmee vertreden.~ 33 6, 6 | niet sterven totdat gij met hen verdelgd wordt. Indien gij 34 6, 8 | en als de mannen der stad hen op de spits des bergs zagen, 35 6, 8 | hun opkomst, en wierpen op hen met stenen.~ 36 7, 2 | alle kloeke mannen onder hen op in die dag. En hun macht 37 7, 2 | menigte van mannen, die onder hen te voet waren.~ 38 7, 8 | 8 En tot hen kwamen al de oversten van 39 7, 10| 10 En nu, heer, beoorloog hen niet gelijk in een bestorming 40 7, 10| water daaruit, en alzo zal hen de dorst wegnemen en zij 41 7, 10| en eer het zwaard over hen komt, zullen zij nedergeveld 42 7, 12| de kinderen van Assur met hen trokken voort, en sloegen 43 7, 13| dewijl al hun vijanden hen omsingeld hadden en daar 44 7, 13| en ruiters, bleven rondom hen, vier en dertig dagen lang, 45 7, 13| was geen kracht meer in hen. En het ganse volk kwam 46 7, 15| 15 En nu, roept hen tot u, en geeft de gehele 47 7, 19| 19 En Ozias zeide tot hen: Hebt goede moed, broeders, 48 8, 9 | woorden die Ozias tegen hen gesproken had, hoe hij hun 49 8, 10| tot haar, en zij zeide tot hen: Hoort mij nu, gij oversten 50 8, 24| 24 Want gelijk hij hen door vuur beproefd heeft 51 8, 27| 27 En Judith zeide tot hen: Hoort mij en ik zal een 52 10, 9 | 9 En zeide tot hen: Beveelt dat mij de poort 53 10, 12| Hebreeuwse vrouw, en vlucht van hen weg want zij zullen aan 54 10, 14| aanmerkten, zo was het voor hen zeer wonderlijk in schoonheid.~ 55 10, 16| niet goed dat één man van hen overblijve, welke overgelaten 56 11, 3 | zeg mij, waarom gij van hen gevloden en tot ons gekomen 57 11, 9 | gevallen, en een zonde heeft hen ingenomen, waardoor zij 58 11, 14| uittrekken; en daar is geen van hen, die u zal wederstaan.~ 59 11, 16| stoel in het midden van hen zetten, en gij zult hen 60 11, 16| hen zetten, en gij zult hen drijven gelijk schapen, 61 13, 17| 17 Maar zij sprak tot hen met luider stem:~ 62 13, 19| toonde het, en zeide tot hen: Ziet hier het hoofd van 63 14, 1 | 1 EN Judith zeide. tot hen: Hoort mij nu broeders, 64 14, 2 | een overste stellen tegen hen, als of gij wildet nederdalen 65 14, 4 | vinden, en een vrees zal op hen vallen, en zij zullen voor 66 14, 5 | 5 En gijlieden zult hen achtervolgen, mitsgaders 67 14, 5 | landpale Israëls wonen, en zult hen nedervellen in hun wegen.~ 68 14, 6 | uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij ophield 69 14, 8 | Assyriërs, zo haast zij hen zagen, zonden tot hun bevelhebbers,~ 70 14, 9 | en tot een ieder die over hen te gebieden had, en zij 71 15, 1 | vrees en beving viel op hen.~ 72 15, 3 | 3 En toen vielen tegen hen uit alle strijdbare mannen 73 15, 4 | vijanden zouden uitvallen, om hen uit te roeien.~ 74 15, 5 | allen eendrachtiglijk op hen aan en sloegen hen tot Choba 75 15, 5 | eendrachtiglijk op hen aan en sloegen hen tot Choba toe; desgelijks 76 15, 6 | Gileäd en van Galilea sloegen hen met een grote slachting, 77 15, 7 | der Assyriërs en beroofden hen, en verrijkten zich daarbij 78 16, 7 | Here, de Almachtige, heeft hen teniet gemaakt, door de 79 16, 14| der jonge vrouwen hebben hen doorstoken, en als kinderen 80 16, 14| der overlopers hebben zij hen gewond, zij zijn vergaan 81 16, 20| de almachtige, zal over hen wraak doen, in de dag des 82 16, 24| lang, en Judith bleef bij hen.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License