Chapter, Verse
1 1, 11| niet, maar hij was voor hen als een enig man, en deden
2 1, 16| 16 En hij keerde met hen weder naar Nineve, hij en
3 2, 5 | ongehoorzaam zijn geweest; en zult hen ontbieden, dat zij mij aarde
4 2, 5 | toebereiden, daar ik tegen hen zal uittrekken in mijn toorn,
5 2, 5 | mijn heerleger, en ik zal hen die overgeven tot een roof;
6 2, 6 | oog niet sparen, gij zult hen overgeven tot de dood, en
7 2, 8 | 8 En heeft hen in orde gesteld op de wijze
8 2, 11| veel gemengd volk kwam bij hen, als sprinkhanen, en als
9 2, 11| zand der aarde, en men kon hen niet tellen vanwege hun
10 3, 5 | knechten; kom en handel met hen, gelijk het goed is in uw
11 3, 9 | en het land dat rondom hen lag, ontvingen hem met kransen,
12 5, 3 | 3 En hij zeide tot hen: Zegt mij toch, gij kinderen
13 5, 3 | bestaat, en wat koning onder hen opgestaan is, die een leidsman
14 5, 8 | zij kenden, en die hebben hen verdreven van het aangezicht
15 5, 10| koning van Egypte stond tegen hen op, en gebruikte listigheid
16 5, 10| gebruikte listigheid tegen hen door arbeid, en door maken
17 5, 10| tichelstenen, en vernederde hen, en maakte hen tot slaven.~
18 5, 10| vernederde hen, en maakte hen tot slaven.~
19 5, 11| en de Egyptenaars dreven hen uit van hun aangezicht.~
20 5, 12| God heeft de Rode zee voor hen uitgedroogd.~
21 5, 13| 13 En heeft hen geleid naar de weg van de
22 5, 19| ging het hun wel; want met hen is een God, die ongerechtigheid
23 5, 23| wij bemerken dat er onder hen zodanige ergernis is, zo
24 5, 23| zullen wij opklimmen en hen overweldigen.~
25 5, 24| volk is, zo ga, mijn heer, hen voorbij, opdat hun Here
26 5, 24| voorbij, opdat hun Here hen niet mogelijk bescherme,
27 5, 24| bescherme, en hun God vóór hen zij, en wij zullen tot een
28 6, 2 | beoorlogen, omdat hun God hen zal beschermen, en wie is
29 6, 3 | zal zijn macht afzenden en hen verdelgen van het aanschijn
30 6, 3 | aardbodems, en hun God zal hen niet verlossen, maar wij
31 6, 3 | zijn knechten zijn zullen hen slaan als één man, en zij
32 6, 3 | wederstaan, maar wij zullen hen daarmee vertreden.~
33 6, 6 | niet sterven totdat gij met hen verdelgd wordt. Indien gij
34 6, 8 | en als de mannen der stad hen op de spits des bergs zagen,
35 6, 8 | hun opkomst, en wierpen op hen met stenen.~
36 7, 2 | alle kloeke mannen onder hen op in die dag. En hun macht
37 7, 2 | menigte van mannen, die onder hen te voet waren.~
38 7, 8 | 8 En tot hen kwamen al de oversten van
39 7, 10| 10 En nu, heer, beoorloog hen niet gelijk in een bestorming
40 7, 10| water daaruit, en alzo zal hen de dorst wegnemen en zij
41 7, 10| en eer het zwaard over hen komt, zullen zij nedergeveld
42 7, 12| de kinderen van Assur met hen trokken voort, en sloegen
43 7, 13| dewijl al hun vijanden hen omsingeld hadden en daar
44 7, 13| en ruiters, bleven rondom hen, vier en dertig dagen lang,
45 7, 13| was geen kracht meer in hen. En het ganse volk kwam
46 7, 15| 15 En nu, roept hen tot u, en geeft de gehele
47 7, 19| 19 En Ozias zeide tot hen: Hebt goede moed, broeders,
48 8, 9 | woorden die Ozias tegen hen gesproken had, hoe hij hun
49 8, 10| tot haar, en zij zeide tot hen: Hoort mij nu, gij oversten
50 8, 24| 24 Want gelijk hij hen door vuur beproefd heeft
51 8, 27| 27 En Judith zeide tot hen: Hoort mij en ik zal een
52 10, 9 | 9 En zeide tot hen: Beveelt dat mij de poort
53 10, 12| Hebreeuwse vrouw, en vlucht van hen weg want zij zullen aan
54 10, 14| aanmerkten, zo was het voor hen zeer wonderlijk in schoonheid.~
55 10, 16| niet goed dat één man van hen overblijve, welke overgelaten
56 11, 3 | zeg mij, waarom gij van hen gevloden en tot ons gekomen
57 11, 9 | gevallen, en een zonde heeft hen ingenomen, waardoor zij
58 11, 14| uittrekken; en daar is geen van hen, die u zal wederstaan.~
59 11, 16| stoel in het midden van hen zetten, en gij zult hen
60 11, 16| hen zetten, en gij zult hen drijven gelijk schapen,
61 13, 17| 17 Maar zij sprak tot hen met luider stem:~
62 13, 19| toonde het, en zeide tot hen: Ziet hier het hoofd van
63 14, 1 | 1 EN Judith zeide. tot hen: Hoort mij nu broeders,
64 14, 2 | een overste stellen tegen hen, als of gij wildet nederdalen
65 14, 4 | vinden, en een vrees zal op hen vallen, en zij zullen voor
66 14, 5 | 5 En gijlieden zult hen achtervolgen, mitsgaders
67 14, 5 | landpale Israëls wonen, en zult hen nedervellen in hun wegen.~
68 14, 6 | uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij ophield
69 14, 8 | Assyriërs, zo haast zij hen zagen, zonden tot hun bevelhebbers,~
70 14, 9 | en tot een ieder die over hen te gebieden had, en zij
71 15, 1 | vrees en beving viel op hen.~
72 15, 3 | 3 En toen vielen tegen hen uit alle strijdbare mannen
73 15, 4 | vijanden zouden uitvallen, om hen uit te roeien.~
74 15, 5 | allen eendrachtiglijk op hen aan en sloegen hen tot Choba
75 15, 5 | eendrachtiglijk op hen aan en sloegen hen tot Choba toe; desgelijks
76 15, 6 | Gileäd en van Galilea sloegen hen met een grote slachting,
77 15, 7 | der Assyriërs en beroofden hen, en verrijkten zich daarbij
78 16, 7 | Here, de Almachtige, heeft hen teniet gemaakt, door de
79 16, 14| der jonge vrouwen hebben hen doorstoken, en als kinderen
80 16, 14| der overlopers hebben zij hen gewond, zij zijn vergaan
81 16, 20| de almachtige, zal over hen wraak doen, in de dag des
82 16, 24| lang, en Judith bleef bij hen.~
|