Chapter, Verse
1 1, 3 | 3 En stelde zijn torens op de poorten dezer stad, van
2 1, 7 | en Damaskus woonden, en op de berg Libanon en Antilibanon,
3 2, 1 | in het achttiende jaar, op de tweeëntwintigste dag
4 2, 5 | zult met u nemen mannen die op hun sterkte betrouwen, tot
5 2, 8 | heeft hen in orde gesteld op de wijze als een menigte
6 2, 11| zich met zijn ganse leger op de uittocht, en trok heen
7 2, 12| van Nineve drie dagreizen, op de vlakte van het veld Bektileth;
8 4, 1 | die volken gedaan had, en op wat wijze hij al hun tempels
9 4, 16| gaven des volks, en as was op hun haar.~
10 5, 3 | wat volk dit is, dat zich op dit gebergte ophoudt, en
11 5, 10| van Egypte stond tegen hen op, en gebruikte listigheid
12 6, 6 | knechten zullen u brengen op het gebergte, en zullen
13 6, 8 | als de mannen der stad hen op de spits des bergs zagen,
14 6, 8 | hun opkomst, en wierpen op hen met stenen.~
15 6, 11| oversten van hun stad, welke op die tijd waren Ozias, de
16 6, 15| gij God des hemels, zie op hun hoogmoed, en ontferm
17 7, 2 | kloeke mannen onder hen op in die dag. En hun macht
18 7, 5 | wapenen en ontstaken vuren op hun torens, en bleven die
19 7, 5 | bleven die gehele nacht op de wacht.~
20 7, 7 | krijgswachten, en hijzelf trok weder op naar zijn volk.~
21 7, 9 | Israëls verlaat zich niet op hun spiesen, maar op de
22 7, 9 | niet op hun spiesen, maar op de hoogte van hun bergen,
23 7, 10| en wij en ons volk zullen op de naaste spitsen der bergen
24 7, 10| zullen zij nedergeveld worden op de straten hunner woning.
25 7, 12| kinderen Ammons klommen op, en sloegen hun leger op
26 7, 12| op, en sloegen hun leger op het gebergte tegenover Dothaïm,
27 7, 13| dorst, en zij vielen neder op de stadsstraten, en in de
28 7, 17| niet doe naar deze woorden op de dag van heden.~
29 8, 3 | het veld, en de hitte kwam op zijn hoofd, en hij viel
30 8, 5 | maakte zichzelf een tent op het dak van haar huis, en
31 8, 7 | en zij hield zich daar op.~
32 8, 10| is niet recht, welke gij op deze dag tegen het volk
33 8, 11| zijt gijlieden, dat gij God op de huidige dag hebt verzocht,
34 8, 16| 16 Daarom laat ons op zijn verlossing wachten,
35 8, 17| niemand is opgestaan, en ook op de huidige dag geen stam
36 8, 20| de verwoesting onzer erve op ons hoofd wenden onder de
37 8, 21| Gods, en het altaar steunt op ons. Boven dit alles, laat
38 9, 1 | 1 EN Judith viel op haar aangezicht, en legde
39 9, 1 | aangezicht, en legde as op haar hoofd, en ontblootte
40 9, 2 | geweldigen, en de geweldigen op hun tronen.~
41 9, 6 | heerleger, zij zijn hoogmoedig op hun paarden en ruiters,
42 9, 6 | paarden en ruiters, en roemen op de arm van hun voetvolk.
43 9, 6 | hun voetvolk. Zij hopen op hun schilden en lansen,
44 9, 10| 10 Zie op hun hoogmoed.~
45 10, 5 | en om, en legde ze deze op.~
46 10, 18| 18 En Holofernes rustte op zijn bed onder een behangsel,
47 10, 19| aanschijns, en zij, nedervallende op haar aangezicht, aanbad
48 10, 19| dienstknechten richtten haar op.~ ~ ~
49 11, 2 | nu, indien uw volk, dat op dit gebergte woont, mij
50 11, 12| worden, om vernield te worden op die dag.~
51 12, 3 | tot haar: Maar wanneer het op zal zijn, dat bij u is,
52 12, 5 | middernacht; en zij stond op tegen de morgenwake.~
53 12, 10| 10 En het geschiedde op de vierde dag, dat Holofernes
54 12, 12| vrolijkheid wijn te drinken, en op deze dag te worden als een
55 12, 15| 15 Zo stond zij op en versierde zich met haar
56 12, 15| recht over Holofernes, op de aarde, de vellen, die
57 12, 18| drinken, want mijn leven is op deze dag meer verheven dan
58 12, 20| zodat hij nooit zo veel op één dag gedronken had, van
59 13, 3 | Holofernes was voorover op zijn bed gevallen, want
60 13, 8 | Sterk mij, o God Israëls, op deze dag.~ groot~kaartje ~ ~
61 13, 12| dat dal heen, en klommen op de berg der stad Bethulië,
62 13, 22| zijt gij, o onze God, die op de huidige dag de vijanden
63 13, 23| boven alle vrouwen, die op de aarde zijn.~
64 14, 1 | hoofd, en hangt dat uit, op de tinne van onze stadsmuur.~
65 14, 2 | zal aanlichten, en de zon op aarde opgaan, zo zal een
66 14, 4 | vinden, en een vrees zal op hen vallen, en zij zullen
67 14, 6 | vergadering des volks, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in
68 14, 7 | huis Israëls toegevoegd tot op deze dag.~
69 14, 10| 10 Wek toch onze heer op, want de slaven durven tot
70 14, 14| 14 En vond hem dood op de vloer geworpen, en zijn
71 14, 15| aarde, en zijn hoofd is niet op hem.~
72 15, 1 | en vrees en beving viel op hen.~
73 15, 2 | en vluchtten gezamenlijk op alle wegen van het vlakke
74 15, 2 | die zich gelegerd hadden op het gebergte rondom Bethulië,
75 15, 2 | rondom Bethulië, werden ook op de vlucht gebracht.~
76 15, 4 | geschied was, opdat zij allen op de vijanden zouden uitvallen,
77 15, 5 | zij allen eendrachtiglijk op hen aan en sloegen hen tot
78 15, 8 | steden in het gebergte en op het vlakke veld kregen veel
79 15, 13| het aan, en zij legde het op haar muilezel en zij spande
80 15, 13| wagens in, en zij laadde dat op dezelve.~
81 16, 23| 23 En Judith hing op in de tempel al de vaten
|