Chapter, Verse
1 2, 5 | toebereiden, daar ik tegen hen zal uittrekken in mijn toorn,
2 2, 5 | uittrekken in mijn toorn, en ik zal het ganse aangezicht der
3 2, 5 | van mijn heerleger, en ik zal hen die overgeven tot een
4 2, 5 | de overvloeiende rivier zal met hun doden vervuld worden,
5 2, 5 | doden vervuld worden, en ik zal hun gevangenen voeren tot
6 2, 6 | 6 Maar de ongehoorzamen zal uw oog niet sparen, gij
7 2, 6 | wat ik gesproken heb, dat zal ik ook doen door mijn hand;
8 5, 5 | mond uws knechts, en ik zal u de waarheid verhalen van
9 5, 5 | bewoont; en geen leugen zal uit de mond uws knechts
10 6, 2 | beoorlogen, omdat hun God hen zal beschermen, en wie is God
11 6, 3 | 3 Deze zal zijn macht afzenden en hen
12 6, 3 | des aardbodems, en hun God zal hen niet verlossen, maar
13 6, 4 | een voetstap hunner voeten zal bestaan voor ons aanschijn,
14 6, 5 | dag aan, totdat ik wraak zal gedaan hebben over dat geslacht
15 6, 5 | Egypte gekomen zijn, en dan zal het zwaard mijns heerlegers,
16 6, 5 | gekwetsten, als ik tot u zal wedergekeerd zijn.~
17 6, 6 | en geen mijner woorden zal ontvallen.~
18 7, 10| geschiedt, en niet één man zal uit uw volk vallen; blijf
19 7, 10| hun water daaruit, en alzo zal hen de dorst wegnemen en
20 7, 10| niet één man uit de stad zal gaan; en zij zullen versmelten
21 7, 16| knechten zijn, en onze ziel zal leven, en wij zullen onze
22 7, 19| barmhartigheid over ons zal wenden, want hij zal ons
23 7, 19| ons zal wenden, want hij zal ons tot het einde toe niet
24 7, 20| geen hulp over ons komt, zo zal ik naar uw woorden doen.
25 8, 16| aanroepen tot onze hulp, en Hij zal onze stem verhoren, indien
26 8, 19| wij hopen dat hij ons niet zal verachten, noch iemand van
27 8, 20| als wij ingenomen zijn, zal Judea niet meer zo genoemd
28 8, 20| worden, en de Here, onze God, zal de ontheiliging derzelve
29 8, 20| onze mond eisen, en hij zal de dood onzer broederen,
30 8, 20| Want onze dienstbaarheid zal niet gericht worden tot
31 8, 20| maar de Here, onze God, zal ze tot oneer zetten.~
32 8, 26| godvrezende vrouw, en de Here zal de regen zenden, opdat onze
33 8, 27| tot hen: Hoort mij en ik zal een werk doen, hetwelk van
34 8, 27| van geslacht tot geslacht zal komen tot onze nakomelingen.~
35 8, 28| aan de poort staan, en ik zal met mijn dienstmaagd daaruit
36 8, 28| vijanden over te geven, zal de Here Israël door mijn
37 8, 29| onderzoeken wat ik doen zal, want ik zal u niet zeggen
38 8, 29| wat ik doen zal, want ik zal u niet zeggen wat ik doe,
39 8, 29| zeggen wat ik doe, totdat het zal volbracht zijn.~
40 9, 2 | want gij hadt gezegd, het zal zo niet zijn) en die dat
41 10, 9 | stad opengedaan worde en ik zal uitgaan om de dingen te
42 10, 13| woorden te boodschappen, en ik zal een weg voor hem wijzen,
43 10, 13| wijzen, waardoor hij trekken zal, en het gehele gebergte
44 10, 13| veroveren, en van zijn mannen zal niemand omkomen, noch iets
45 10, 16| naar uw woorden, en hij zal u weldoen. En zij verkozen
46 11, 3 | want daar is niemand die u zal verongelijken, maar een
47 11, 3 | verongelijken, maar een ieder zal u weldoen, gelijk als geschiedt
48 11, 4 | aanschijn spreken, en ik zal deze nacht mijn heer geen
49 11, 4 | dienstmaagd zult volgen, zo zal God de zaak met u volkomen
50 11, 4 | uitvoeren, en mijn heer zal niet vervallen van zijn
51 11, 12| toelating van de raad; en het zal geschieden, als hun dit
52 11, 12| geschieden, als hun dit zal geboodschapt zijn, en zij
53 11, 14| God des hemels. En nu ik zal bij u blijven, mijn heer,
54 11, 14| heer, en uw dienstmaagd zal des nachts uitgaan in het
55 11, 14| uitgaan in het dal, en ik zal God aanbidden, en Hij zal
56 11, 14| zal God aanbidden, en Hij zal mij verkondigen wanneer
57 11, 14| zullen begaan hebben; en ik zal komen en u zulks aanbrengen,
58 11, 14| daar is geen van hen, die u zal wederstaan.~
59 11, 15| 15 En ik zal u leiden door het midden
60 11, 16| 16 En ik zal uw stoel in het midden van
61 11, 16| geen herder hebben, en daar zal niet een hond zijn, die
62 11, 16| die met zijn tong tegen u zal bassen;~
63 11, 21| gelijk gij gezegd hebt, zo zal uw God mijn God zijn, en
64 12, 2 | 2 Maar Judith zeide: Ik zal daarvan niet eten, opdat
65 12, 2 | maar uit hetgeen mij volgt, zal mij toegediend worden.~
66 12, 3 | haar: Maar wanneer het op zal zijn, dat bij u is, vanwaar
67 12, 4 | mijn heer, uw dienstmaagd zal niet opgeteerd hebben hetgeen
68 12, 4 | bij mij heb, of de Here zal door mijn hand gedaan hebben,
69 12, 11| niet tot ons trekken, zij zal ons bespotten.~
70 12, 14| 14 Want al wat behagelijk zal zijn in zijn ogen, dat zal
71 12, 14| zal zijn in zijn ogen, dat zal ik vlijtig doen; en dit
72 12, 14| ik vlijtig doen; en dit zal mij een verheuging zijn,
73 13, 25| 25 Want uw hoop zal niet geweerd worden uit
74 14, 2 | En wanneer de morgenstond zal aanlichten, en de zon op
75 14, 2 | zon op aarde opgaan, zo zal een iegelijk van u zijn
76 14, 4 | niet vinden, en een vrees zal op hen vallen, en zij zullen
77 16, 15| 15 Ik zal mijn God een lofzang zingen.~
78 16, 17| daar is niemand die uw stem zal wederstaan.~
79 16, 20| de Here, de almachtige, zal over hen wraak doen, in
80 16, 21| 21 Hij zal vuur en wormen in hun vlees
|