Chapter, Verse
1 1, 1 | welke regeerde over de Meden te Ecbatana,~
2 1, 6 | koning Nabuchodonosor voerde te dien zelven dage krijg tegen
3 2, 1 | der Assyriërs, van wraak te oefenen over het ganse land,
4 2, 6 | zult niet vertragen het te doen.~
5 2, 7 | twaalfduizend schutters te paard;~
6 2, 17| groot vee gaf hij over om te vernielen, en plunderde
7 2, 18| Tyrus, en die daar woonden te Sur en Okina, en allen die
8 4, 1 | deze overgegeven had om te vernielen.~
9 4, 5 | hogepriester, die in die dagen te Jeruzalem was, schreef aan
10 4, 6 | Judea, en het licht was te beletten degenen die opklimmen
11 5, 11| Egypteland met plagen, die niet te genezen waren en de Egyptenaars
12 5, 22| verstrooid waren, en hebben zich te Jeruzalem nedergezet, waar
13 5, 25| Achior ophield deze woorden te spreken, dat al het volk
14 7, 2 | honderdenzeventigduizend man te voet, en twaalfduizend te
15 7, 2 | te voet, en twaalfduizend te paard, behalve de krijgsrusting;
16 7, 2 | van mannen, die onder hen te voet waren.~
17 7, 6 | der kinderen Israëls, die te Bethulië waren, en bezichtigde
18 7, 9 | de spitsen van hun bergen te beklimmen.~
19 7, 13| daar geen middel was om hun te ontvluchten; en het gehele
20 7, 13| water om tot verzadiging te drinken, zelfs niet voor
21 7, 13| een dag. Want men gaf hun te drinken in zekere mate.
22 8, 3 | zijn hoofd, en hij viel te bed, en stierf in zijn stad
23 8, 9 | gezworen had de stad over te geven aan de Assyriërs,
24 8, 10| Here zich niet wendt om ons te helpen.~
25 8, 14| hij heeft de macht om ons te beschutten in welke dagen
26 8, 14| dagen hij wil, of ook om ons te verdelgen voor het aanschijn
27 8, 28| stad aan onze vijanden over te geven, zal de Here Israël
28 9, 1 | en het was nu de tijd dat te Jeruzalem in het huis Gods
29 9, 2 | oversten hebt gegeven om gedood te worden, en hun leger, hetwelk
30 9, 8 | voorgenomen uw heiligdom te ontheiligen,~
31 9, 9 | 9 En te bevlekken de tabernakel
32 9, 9 | en met het breekijzer om te werpen de hoorn van uw altaar.~
33 10, 9 | zal uitgaan om de dingen te volbrengen, waarvan gij
34 10, 9 | de jongelingen haar open te doen, gelijk zij gesproken
35 10, 12| overgegeven worden, om vernield te worden.~
36 10, 13| hem waarachtige woorden te boodschappen, en ik zal
37 10, 15| dewijl gij u gehaast hebt af te komen tot het aangezicht
38 11, 1 | ganse aarde, heeft begeerd te dienen.~
39 11, 5 | om alle zielen met orde te richten, zo zullen niet
40 11, 9 | tevergeefs en zonder iets uit te richten zou zijn, zo is
41 11, 10| zij beraadslaagd de hand te slaan aan hun lastbeesten,
42 11, 10| hebben besloten tot spijs te gebruiken al hetgeen God
43 11, 10| wetten hun verboden heeft te eten.~
44 11, 11| ook voorgenomen tot spijs te gebruiken de eerstelingen
45 11, 11| geheiligd voor de priesters, die te Jeruzalem voor het aanschijn
46 11, 11| met de handen betaamt aan te raken.~
47 11, 12| overgegeven worden, om vernield te worden op die dag.~
48 11, 13| gezonden, om met u dingen te doen, waarover zich in het
49 11, 17| gezonden om die u weder te boodschappen.~
50 12, 3 | wij dergelijke halen, om u te geven, want daar is niemand
51 12, 11| zonder gemeenschap met haar te hebben, want zo wij haar
52 12, 12| bezware zelf tot mijn heer te komen, om door zijn aanschijn
53 12, 12| zijn aanschijn verheerlijkt te worden, en met ons tot vrolijkheid
54 12, 12| ons tot vrolijkheid wijn te drinken, en op deze dag
55 12, 12| drinken, en op deze dag te worden als een van de dochteren
56 12, 16| om met haar gemeenschap te hebben, en hij zocht de
57 12, 16| de gelegene tijd, om haar te verleiden, van de dag af
58 13, 1 | zich zijn dienstknechten om te scheiden, Bagoas sloot de
59 13, 6 | gij God aller kracht, zie te dezer ure aan de werken
60 13, 6 | rechte tijd, om uw erve te hulp te komen, en mijn aanslag
61 13, 6 | tijd, om uw erve te hulp te komen, en mijn aanslag uit
62 13, 6 | komen, en mijn aanslag uit te voeren, tot verwondering
63 13, 13| is met ons om nog kracht te bewijzen in Israël, en tegen
64 13, 14| zij zich haastten om af te komen naar hun stadspoort,
65 13, 16| En zij ontstaken vuur om te lichten, en omringden haar.~
66 14, 9 | tot een ieder die over hen te gebieden had, en zij kwamen
67 15, 4 | zouden uitvallen, om hen uit te roeien.~
68 15, 7 | 7 De anderen nu, die te Bethulië woonden, vielen
69 15, 9 | de kinderen Israëls, die te Jeruzalem hun woning hadden,
70 15, 9 | woning hadden, kwamen om te aanschouwen het goede dat
71 15, 9 | gedaan had, en om Judith te zien, en met haar vreedzaam
72 15, 9 | zien, en met haar vreedzaam te spreken.~
73 15, 14| de vrouwen Israëls liepen te zamen om haar te zien, en
74 15, 14| liepen te zamen om haar te zien, en zij zegenden haar,
75 16, 1 | Judith begon deze dankzegging te zingen onder gans Israël,
76 16, 10| een linnen kleding, om hem te bedriegen.~
77 16, 22| 22 En als zij nu te Jeruzalem gekomen waren,
78 16, 24| En het volk was vrolijk te Jeruzalem, voor het heiligdom,
79 16, 27| En velen begeerden haar te hebben, maar geen man bekende
80 16, 28| vrijheid, en zij stierf te Bethulië, en zij begroeven
|