Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
gilod 1
ging 10
gingen 7
god 79
goden 4
gods 9
godvrezende 1
Frequency    [«  »]
81 op
80 te
80 zal
79 god
78 der
72 aan
70 hem

boek Judith (Het)

IntraText - Concordances

god

   Chapter, Verse
1 3, 12| hun geslachten hem tot een god aanroepen.~ 2 4, 8 | mannen Israëls riepen tot God met grote ernst, en verootmoedigden 3 4, 13| eendrachtig en met ernst tot de God Israëls, dat hij toch hun 4 5, 8 | hunner vaderen, en hebben de God des hemels aangebeden, de 5 5, 8 | des hemels aangebeden, de God die zij kenden, en die hebben 6 5, 8 | vreemdelingen gewoond; en hun God heeft geboden, dat zij zouden 7 5, 11| 11 En zij riepen tot hun God, en hij sloeg gans Egypteland 8 5, 12| 12 En God heeft de Rode zee voor hen 9 5, 19| niet zondigden tegen hun God ging het hun wel; want met 10 5, 19| wel; want met hen is een God, die ongerechtigheid haat.~ 11 5, 22| nu bekeerd zijnde tot hun God, zijn zij wedergekomen uit 12 5, 23| zo zij zondigen tegen hun God, en zo wij bemerken dat 13 5, 24| mogelijk bescherme, en hun God vóór hen zij, en wij zullen 14 6, 2 | zouden beoorlogen, omdat hun God hen zal beschermen, en wie 15 6, 2 | zal beschermen, en wie is God dan Nabuchodonosor?~ 16 6, 3 | aanschijn des aardbodems, en hun God zal hen niet verlossen, 17 6, 14| volk, nedervallende, bad God aan, en riep zeggende:~ 18 6, 15| 15 Here, gij God des hemels, zie op hun hoogmoed, 19 6, 18| 18 En zij riepen de God Israëls aan om hulp, die 20 7, 13| Israëls riepen tot de Here hun God, want hun geest werd kleinmoedig, 21 7, 13| spraken tot al de oversten: God zij rechter tussen ons en 22 7, 14| geen helper voor ons, maar God heeft ons in hun handen 23 7, 17| hemel en de aarde, en onze God en Here onzer vaderen, die 24 7, 18| vergadering, en zij riepen tot God de Here met luider stem.~ 25 7, 19| blijven, waarin de Here onze God zijn barmhartigheid over 26 8, 8 | oplegde, want zij vreesde God zeer.~ 27 8, 10| gij gesproken hebt, tussen God en ons, en hebt beloofd, 28 8, 11| zijt gijlieden, dat gij God op de huidige dag hebt verzocht, 29 8, 13| bedenking, en hoe zult gij de God die al deze dingen geschapen 30 8, 14| broeders, verwekt de Here, onze God, niet tot gramschap. Want 31 8, 15| raadslagen van de Here, onze God, niet ten pand, want God 32 8, 15| God, niet ten pand, want God is niet als een mens, dat 33 8, 19| wij erkennen geen andere God dan hem, waarom wij hopen 34 8, 20| worden, en de Here, onze God, zal de ontheiliging derzelve 35 8, 20| genade, maar de Here, onze God, zal ze tot oneer zetten.~ 36 8, 21| laat ons de Here, onze God, danken die ons verzoekt, 37 8, 30| Ga in vrede, en de Here God ga voor u tot wraak over 38 9, 2 | 2 Here, gij God mijns vaders Simeon, die 39 9, 3 | een helper aangeroepen, o God, o mijn God, verhoor mij 40 9, 3 | aangeroepen, o God, o mijn God, verhoor mij ook, die een 41 9, 15| geweldigen, maar gij zijt een God der nederigen; gij zijt 42 9, 16| 16 Ja, ja, gij God mijns vaders, gij God van 43 9, 16| gij God mijns vaders, gij God van het erfdeel Israëls, 44 9, 19| wete en bevinde, dat gij de God zijt aller kracht en sterkte, 45 10, 1 | ophield van roepen tot de God Israëls, en al deze woorden 46 10, 8 | 8 En zeiden tot haar: God, de God onzer vaderen, make 47 10, 8 | zeiden tot haar: God, de God onzer vaderen, make u aangenaam, 48 10, 8 | van Jeruzalem. En zij bad God aan,~ 49 11, 4 | dienstmaagd zult volgen, zo zal God de zaak met u volkomen uitvoeren, 50 11, 8 | tenzij dat zij tegen hun God gezondigd hebben.~ 51 11, 9 | ingenomen, waardoor zij hun God zullen vertoornen, zo wanneer 52 11, 10| te gebruiken al hetgeen God in zijn wetten hun verboden 53 11, 13| aangezicht gevloden, en God heeft mij gezonden, om met 54 11, 14| Want uw dienstmaagd vreest God, dienende nacht en dag de 55 11, 14| dienende nacht en dag de God des hemels. En nu ik zal 56 11, 14| uitgaan in het dal, en ik zal God aanbidden, en Hij zal mij 57 11, 20| Holofernes zeide. tot haar: God heeft welgedaan, dat Hij 58 11, 21| gij gezegd hebt, zo zal uw God mijn God zijn, en gij zult 59 11, 21| hebt, zo zal uw God mijn God zijn, en gij zult in het 60 12, 8 | opkwam, bad zij de Here, de God Israëls, dat Hij haar weg 61 13, 6 | 6 O Here, gij God aller kracht, zie te dezer 62 13, 8 | 8 Sterk mij, o God Israëls, op deze dag.~ groot~ 63 13, 13| doet toch de poort open, God, onze God, is met ons om 64 13, 13| de poort open, God, onze God, is met ons om nog kracht 65 13, 18| 18 Looft God, looft Hem; looft God, die 66 13, 18| Looft God, looft Hem; looft God, die zijn barmhartigheid 67 13, 21| nederbuigende, aanbaden zij God.~ 68 13, 22| Geloofd zijt gij, o onze God, die op de huidige dag de 69 13, 23| dochter, voor de hoogste God, boven alle vrouwen, die 70 13, 24| 24 En geloofd zij de Here God, die de hemel en de aarde 71 13, 25| tot in der eeuwigheid; en God doe u dit tot een eeuwige 72 13, 25| dewijl gij oprecht voor onze God hebt gewandeld.~ 73 14, 7 | Achior ziende al hetgeen de God Israëls gedaan had, geloofde 74 14, 7 | gedaan had, geloofde zeer aan God, en besneed het vlees zijner 75 15, 9 | aanschouwen het goede dat God Israël gedaan had, en om 76 15, 11| aan Israël goed gedaan, en God hebbe een welgevallen daaraan. 77 16, 3 | 3 Want de Here is een God, die de krijgen vermorzelt: 78 16, 15| 15 Ik zal mijn God een lofzang zingen.~ 79 16, 22| gekomen waren, aanbaden zij God, en toen het volk gereinigd


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License