Chapter, Verse
1 1, 6 | land van Arioch, de koning der Elymeërs, en zeer vele volken
2 1, 6 | Elymeërs, en zeer vele volken der kinderen van Gilod kwamen
3 1, 7 | Nabuchodonosor, de koning der Assyriërs, zond tot allen
4 1, 11| Nabuchodonosor, de koning der Assyriërs, en zij kwamen
5 2, 1 | de tweeëntwintigste dag der eerste maand, werd er gesproken
6 2, 1 | Nabuchodonosor, de koning der Assyriërs, van wraak te
7 2, 4 | Nabuchodonosor, de koning der Assyriërs, Holofernes, de
8 2, 5 | de grote koning, de heer der ganse aarde: ziet gij zult
9 2, 5 | zal het ganse aangezicht der aarde bedekken met de voeten
10 2, 5 | voeren tot de uiterste einden der ganse aarde. Doch gij, uittrekkende
11 2, 6 | hand; en gij zult niet een der woorden uws heren overtreden,
12 2, 7 | hoofdlieden van het leger der Assyriërs, en telde uitgelezen
13 2, 11| sprinkhanen, en als het zand der aarde, en men kon hen niet
14 4, 3 | zij namen al de spitsen der hoge bergen in.~
15 5, 1 | krijgsoverste van het heerleger der Assyriërs, geboodschapt
16 5, 1 | besloten, en al de spitsen der hoge bergen bemuurd hadden,
17 5, 2 | hij riep al de oversten der Moabieten, en de krijgsoversten
18 5, 2 | Moabieten, en de krijgsoversten der Ammonieten, en al de vorsten
19 5, 14| zich neergezet in het land der Ammorieten.~
20 5, 26| het land aan de zee, en der Moabieten bewoonden, zeiden
21 6, 1 | 1 EN als het gemurmel der mannen, die rondom de vergadering
22 6, 1 | de overste des heerlegers der Assyriërs tot Achior, voor
23 6, 1 | Achior, voor het ganse volk der uitlanders en tot alle kinderen
24 6, 5 | gij Achior, gij huurling der Ammonieten, die deze woorden
25 6, 6 | zullen u stellen in een der steden van hun opgangen,
26 6, 7 | overleveren in de handen der kinderen Israëls.~
27 6, 8 | waren; en als de mannen der stad hen op de spits des
28 6, 12| zij riepen al de oudsten der stad bijeen, en al hun jongelingen,
29 6, 13| het midden van de oversten der kinderen van Assur; wat
30 7, 6 | ruiters uit, voor het gezicht der kinderen Israëls, die te
31 7, 8 | s, en al de leidslieden der Moabieten, en de krijgsoversten
32 7, 10| zullen op de naaste spitsen der bergen klimmen, en zullen
33 7, 12| 12 En het heer der kinderen Ammons, en vijfduizend
34 7, 12| Mochmor; en het overige leger der Assyriërs legde zich neder
35 7, 13| ontvluchten; en het gehele leger der Assyriërs, hun voetknechten,
36 7, 13| stadsstraten, en in de doorgangen der poorten, en daar was geen
37 7, 13| Ozias, en tot de oversten der stad, jongelingen en vrouwen
38 7, 18| van allen in het midden der vergadering, en zij riepen
39 8, 6 | nieuwe maan en de dagen der nieuwe maan, en de feestdagen
40 8, 6 | de feestdagen en de dagen der vreugde van het huis Israëls.~
41 8, 10| Hoort mij nu, gij oversten der inwoners van Bethulië, want
42 8, 11| het midden van de kinderen der mensen.~
43 8, 12| Almachtige, maar zult in der eeuwigheid niets verstaan.~
44 9, 2 | vreemden, die de schoot der maagd geopend hadden tot
45 9, 9 | bevlekken de tabernakel der rust van uw heerlijke naam,
46 9, 15| geweldigen, maar gij zijt een God der nederigen; gij zijt een
47 9, 15| nederigen; gij zijt een helper der kleinen, een aannemer der
48 9, 15| der kleinen, een aannemer der zwakken, een beschutter
49 9, 15| zwakken, een beschutter der vertwijfelenden, en een
50 9, 16| gij Here des hemels en der aarde, gij schepper der
51 9, 16| der aarde, gij schepper der wateren, gij Koning van
52 9, 18| Sion, en tegen het huis der bezitting van uw kinderen;~
53 10, 2 | zich ophield in de dagen der sabbatten, en in haar feestdagen,
54 10, 4 | tot bedrog van de ogen der mannen, zovelen haar aanzien
55 10, 6 | gingen uit naar de poort der stad Bethulië, en vonden
56 10, 6 | staande Ozias, en de oudsten der stad Chabrin en Charmin.~
57 10, 9 | Beveelt dat mij de poort der stad opengedaan worde en
58 10, 10| maagd met haar, en de mannen der stad zagen haar na, totdat
59 10, 11| recht heen en de voorwacht der Assyriërs kwam haar tegen,
60 11, 1 | Nabuchodonosor, de koning der ganse aarde, heeft begeerd
61 11, 5 | Nabuchodonosor, de koning der gehele aarde, leeft, en
62 11, 19| vrouw niet van het ene einde der aarde tot het andere einde,
63 12, 12| als een van de dochteren der Assyriërs, welke in het
64 13, 6 | voeren, tot verwondering der vijanden, die tegen ons
65 13, 12| heen, en klommen op de berg der stad Bethulië, en kwamen
66 13, 14| en zij riepen de oudsten der stad bijeen.~
67 13, 19| veldoverste van het leger der Assyriërs, en ziet hier,
68 13, 25| geweerd worden uit het hart der mensen, die de kracht Gods
69 13, 25| zullen gedenken, tot in der eeuwigheid; en God doe u
70 13, 25| leven niet gespaard hebt, om der vernedering wil van ons
71 14, 2 | veld, tegen de eerste wacht der kinderen van Assur, maar
72 14, 3 | hoofdlieden van het leger der Assyriërs opwekken.~
73 14, 11| en klopte aan de voorzaal der tent:,~
74 14, 16| de oversten van het leger der Assyriërs deze woorden hoorden,
75 15, 7 | woonden, vielen in het leger der Assyriërs en beroofden hen,
76 16, 8 | jonge mannen, en de kinderen der Titanen hebben hem niet
77 16, 14| 14 De zonen der jonge vrouwen hebben hen
78 16, 14| doorstoken, en als kinderen der overlopers hebben zij hen
|