Chapter, Verse
1 1, 6 | veld, hetwelk gelegen is aan de landpale Ragan; en bij
2 1, 6 | voegden zich allen, die aan dat gebergte woonden, en
3 1, 6 | woonden, en allen die woonden aan de Eufraat, en aan de Tiger,
4 1, 6 | woonden aan de Eufraat, en aan de Tiger, en aan de Hydaspes,
5 1, 6 | Eufraat, en aan de Tiger, en aan de Hydaspes, en in het platte
6 1, 10| 10 Totdat men komt aan de overzijde van het gebergte
7 1, 10| woonden, totdat men komt aan de landpalen van Ethiopië.~
8 1, 12| Egypte waren, totdat men komt aan de landpalen van de twee
9 2, 5 | innemen, en zij zullen zich aan u overgeven, en gij zult
10 2, 12| Bektileth af, bij de berg die aan de linkerzijde ligt van
11 2, 13| Ismaëls, die daar woonden aan de woestijn tegen het zuiden
12 2, 14| steden die gelegen waren aan de beek Albonai, totdat
13 2, 14| Albonai, totdat men komt aan de zee.~
14 2, 15| wederstonden, en kwam tot aan de landpalen van Jafet,
15 2, 18| hem overviel degenen, die aan de zee woonden, die daar
16 3, 8 | en nam daaruit krijgsvolk aan tot zijn krijg, uitgelezen
17 4, 1 | des konings van Assyrië, aan die volken gedaan had, en
18 4, 5 | te Jeruzalem was, schreef aan de inwoners van Bethulië,
19 4, 5 | tegenover Esdrelon ligt, aan de vlakte des velds dat
20 4, 9 | lijfeigenen deden zakken aan hun lendenen.~
21 4, 14| en zag hun verdrukking aan.~
22 5, 2 | de vorsten van het land aan de zee.~
23 5, 8 | en zijn vermenigvuldigd aan goud, en zilver, en aan
24 5, 8 | aan goud, en zilver, en aan zeer veel vee.~
25 5, 26| Holofernes, en die het land aan de zee, en der Moabieten
26 6, 5 | meer zien, van deze dag aan, totdat ik wraak zal gedaan
27 6, 8 | gebergte, en kwamen tot aan de fonteinen, die onder
28 6, 9 | 9 Maar zij, bedekt onder aan de berg komende, bonden
29 6, 9 | Achior, en nadat zij hem aan de voet des bergs geworpen
30 6, 14| nedervallende, bad God aan, en riep zeggende:~
31 6, 15| geslacht, en zie ten dezen dage aan het aanschijn van degenen,
32 6, 18| zij riepen de God Israëls aan om hulp, die gehele nacht.~
33 7, 3 | in het dal bij Bethulië aan de fontein, en zij strekten
34 7, 3 | van onder Bethulië, tot aan Kyamon, hetwelk ligt tegenover
35 7, 7 | 7 En kwam aan de waterfontein, en nam
36 7, 8 | krijgsoversten des lands aan de zee, en zeiden: Mijn
37 7, 13| de watervaten ontbraken aan al de inwoners van Bethulië
38 7, 15| gehele stad over tot buit aan het volk van Holofernes,
39 7, 15| volk van Holofernes, en aan al zijn heerkracht.~
40 8, 9 | had de stad over te geven aan de Assyriërs, na vijf dagen;
41 8, 10| gij de stad zult overgeven aan onze vijanden, indien binnen
42 8, 28| Gijlieden zult deze nacht aan de poort staan, en ik zal
43 8, 28| gij gezegd hebt de stad aan onze vijanden over te geven,
44 9, 1 | ontblootte de zak, die zij aan had, en het was nu de tijd
45 10, 3 | deed haar vreugde-klederen aan, waarmede zij bekleed was
46 10, 4 | En zij deed pantoffelen aan haar voeten, en deed haar
47 10, 4 | en deed haar armringen aan, en halsbanden, en ringen,
48 10, 6 | stad Bethulië, en vonden aan deze staande Ozias, en de
49 10, 8 | Jeruzalem. En zij bad God aan,~
50 10, 12| hen weg want zij zullen aan u overgegeven worden, om
51 10, 16| maagd, en die brachten haar aan de tent van Holofernes,
52 11, 4 | woorden uwer dienstmaagd aan, en laat uw dienstmaagd
53 11, 10| beraadslaagd de hand te slaan aan hun lastbeesten, en hebben
54 11, 11| volk met de handen betaamt aan te raken.~
55 12, 14| een verheuging zijn, tot aan de dag mijns doods.~
56 13, 6 | kracht, zie te dezer ure aan de werken mijner handen,
57 13, 7 | sponde van het bed, die aan Holofernes' hoofd was, en
58 13, 7 | vandaar, en nabij komende aan het bed, greep zij het haar
59 13, 7 | het haar van zijn hoofd aan en zeide:~
60 13, 12| stad Bethulië, en kwamen aan haar poorten.~
61 14, 6 | verkwikt hadden viel hij aan de voeten van Judith, en
62 14, 6 | zij gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat
63 14, 7 | gedaan had, geloofde zeer aan God, en besneed het vlees
64 14, 8 | vielen uit met benden tot aan de opgang des bergs, en
65 14, 11| Bagoas ging binnen, en klopte aan de voorzaal der tent:,~
66 15, 5 | allen eendrachtiglijk op hen aan en sloegen hen tot Choba
67 15, 11| gedaan door uw hand. Gij hebt aan Israël goed gedaan, en God
68 15, 13| 13 En zij gaven aan Judith de tent van Holofernes,
69 15, 13| huisraad, en zij nam het aan, en zij legde het op haar
70 16, 2 | verheft, en roept zijn naam aan.~
71 16, 29| goederen, eer zij stierf, aan al de naaste vrienden van
72 16, 29| van haar man Manasse, en aan de naaste vrienden van haar
|