Chapter, Verse
1 1, 11| hem niet tot deze krijg, want zij vreesden hem niet, maar
2 2, 6 | een roof in al uw land; want zo zeker als ik leef, en
3 4, 2 | tempel des Heren huns Gods, want zij waren onlangs wedergekomen
4 5, 7 | gewoond in Mesopotamië. Want zij wilden niet volgen de
5 5, 9 | afgetrokken naar Egypte, (want hongersnood had het land
6 5, 19| hun God ging het hun wel; want met hen is een God, die
7 5, 22| hebben het gebergte bewoond, want het was woest.~
8 5, 26| hem in stukken zou houwen, want zeiden zij, wij vrezen niet
9 5, 26| voor de kinderen Israëls, want ziet het is een volk waarin
10 6, 4 | heer des gehelen aardrijks, want hij heeft het gezegd, en
11 7, 9 | 9 Want dit volk van de kinderen
12 7, 9 | bergen, waarin zij wonen, want het is niet licht de spitsen
13 7, 10| van deze berg voortkomt, want allen, die in Bethulië wonen,
14 7, 13| riepen tot de Here hun God, want hun geest werd kleinmoedig,
15 7, 13| zelfs niet voor een dag. Want men gaf hun te drinken in
16 7, 16| 16 Want het is ons beter, dat wij
17 7, 19| barmhartigheid over ons zal wenden, want hij zal ons tot het einde
18 8, 3 | 3 Want hij stond bij degene die
19 8, 8 | enige kwade zaak oplegde, want zij vreesde God zeer.~
20 8, 10| der inwoners van Bethulië, want uw rede is niet recht, welke
21 8, 13| 13 Want de diepte van het hart des
22 8, 14| God, niet tot gramschap. Want zo hij in deze vijf dagen
23 8, 15| onze God, niet ten pand, want God is niet als een mens,
24 8, 20| 20 Want als wij ingenomen zijn,
25 8, 20| degenen, die ons bezitten. Want onze dienstbaarheid zal
26 8, 21| broederen een voorbeeld geven, want van ons hangt hun leven
27 8, 24| 24 Want gelijk hij hen door vuur
28 8, 25| woorden kan tegenstaan. Want uw wijsheid is heden niet
29 8, 26| En nu, bid gij voor ons, want gij zijt een godvrezende
30 8, 29| onderzoeken wat ik doen zal, want ik zal u niet zeggen wat
31 9, 2 | bevlekt hadden tot schande, (want gij hadt gezegd, het zal
32 9, 4 | 4 Want gij hebt de dingen gedaan,
33 9, 5 | 5 Want al uw wegen zijn bereid,
34 9, 6 | 6 Want ziet, de Assyriërs zijn
35 9, 8 | 8 Want zij hebben voorgenomen uw
36 9, 15| 15 Want uw sterkte is niet in de
37 10, 12| vrouw, en vlucht van hen weg want zij zullen aan u overgegeven
38 10, 16| oploop door het gehele leger, want haar aankomst werd ruchtbaar
39 11, 1 | hart zij niet bevreesd, want ik heb geen mens leed gedaan,
40 11, 3 | en tot ons gekomen zijt, want gij komt tot uw behoudenis;
41 11, 3 | blijven, en ook voortaan; want daar is niemand die u zal
42 11, 5 | 5 Want zo waar als Nabuchodonosor,
43 11, 6 | 6 Want wij hebben van uw wijsheid
44 11, 8 | 8 Want over ons geslacht wordt
45 11, 10| 10 Want dewijl hun de spijs ontbroken
46 11, 14| 14 Want uw dienstmaagd vreest God,
47 11, 17| 17 Want deze dingen zijn mij aangezegd
48 12, 3 | dergelijke halen, om u te geven, want daar is niemand van uw geslacht
49 12, 11| 11 Want zie, het is schande voor
50 12, 11| gemeenschap met haar te hebben, want zo wij haar niet tot ons
51 12, 14| 14 Want al wat behagelijk zal zijn
52 12, 18| Ja, Heer, ik wil drinken, want mijn leven is op deze dag
53 13, 2 | gingen heen naar hun bedden, want zij waren allen vermoeid,
54 13, 3 | voorover op zijn bed gevallen, want de wijn had hem zeer bevangen.~
55 13, 4 | dagelijks geschied was. Want zij zeide, dat zij uitgaan
56 13, 6 | tot verhoging Jeruzalems, want het is nu de rechte tijd,
57 13, 15| de minste tot de meeste, want het dacht hun vreemd, dat
58 13, 25| 25 Want uw hoop zal niet geweerd
59 14, 10| 10 Wek toch onze heer op, want de slaven durven tot ons
60 14, 12| 12 Want hij vermoedde, dat hij bij
61 14, 15| konings Nabuchodonosors, want ziet Holofernes ligt ter
62 15, 5 | uit het ganse gebergte, want zij boodschapten hun wat
63 15, 8 | vlakke veld kregen veel buit, want daar was een zeer grote
64 16, 3 | 3 Want de Here is een God, die
65 16, 3 | die de krijgen vermorzelt: want hij heeft in zijn leger,
66 16, 8 | 8 Want hun machtige is niet gevallen
67 16, 9 | 9 Want zij deed de klederen harer
68 16, 17| al uw schepsel u diene, want gij hebt het gezegd, en
69 16, 18| 18 Want de bergen zullen uit de
70 16, 19| zijn degenen die u vrezen, want alle offerande ten goeden
|