Chapter, Verse
1 1, 6 | de landpale Ragan; en bij hem voegden zich allen, die
2 1, 11| Assyriërs, en zij kwamen bij hem niet tot deze krijg, want
3 1, 11| krijg, want zij vreesden hem niet, maar hij was voor
4 1, 15| gebergten Ragan, en doorschoot hem met zijn pijlen, en verdierf
5 1, 15| zijn pijlen, en verdierf hem tot die dag toe.~
6 2, 4 | legers, die de tweede na hem was, en hij zeide tot hem:~
7 2, 4 | hem was, en hij zeide tot hem:~
8 2, 7 | mannen tot de krijg, gelijk hem zijn heer bevolen had, tot
9 2, 15| en versloeg allen, die hem wederstonden, en kwam tot
10 2, 18| een vrees en beving voor hem overviel degenen, die aan
11 2, 18| Azote en Askalon vreesden hem uitermate zeer.~
12 3, 1 | zij zonden gezanten tot hem met woorden van vrede, zeggende:~
13 3, 9 | rondom hen lag, ontvingen hem met kransen, reien en trommels.~
14 3, 11| 11 En het was bij hem besloten, dat hij al de
15 3, 12| 12 Opdat alle volken, hem, Nabuchodonosor, alleen
16 3, 12| tongen, en al hun geslachten hem tot een god aanroepen.~
17 4, 2 | uitermate bevreesd voor hem, en waren zeer bevreesd
18 5, 5 | kinderen Ammons, zeide tot hem: Mijnheer hoor toch een
19 5, 26| bewoonden, zeiden dat men hem in stukken zou houwen, want
20 6, 7 | beval zijn knechten, die bij hem in zijn tent stonden, dat
21 6, 7 | Bethulië heenvoeren, en hem overleveren in de handen
22 6, 8 | En zijn knechten grepen hem, en brachten hem buiten
23 6, 8 | grepen hem, en brachten hem buiten het leger in het
24 6, 9 | bonden Achior, en nadat zij hem aan de voet des bergs geworpen
25 6, 9 | geworpen hadden, lieten zij hem daar liggen, en keerden
26 6, 10| Israëls kwamen nederwaarts tot hem uit hun stad, en maakten
27 6, 10| uit hun stad, en maakten hem los, en brachten hem binnen
28 6, 10| maakten hem los, en brachten hem binnen Bethulië.~
29 6, 11| 11 En stelden hem voor de oversten van hun
30 6, 12| volk, en Ozias vraagde wat hem overkomen was.~
31 6, 16| vertroostten Achior en prezen hem zeer.~
32 6, 17| 17 En Ozias nam hem mee uit de vergadering in
33 8, 3 | Bethulië, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in het
34 8, 16| zijn verlossing wachten, en hem aanroepen tot onze hulp,
35 8, 16| stem verhoren, indien het hem behagelijk is.~
36 8, 19| erkennen geen andere God dan hem, waarom wij hopen dat hij
37 8, 24| Here kastijdt degenen, die hem genaken, tot een waarschuwing.~
38 10, 13| veldoverste uws legers, om hem waarachtige woorden te boodschappen,
39 10, 13| en ik zal een weg voor hem wijzen, waardoor hij trekken
40 10, 16| 16 Wanneer gij nu voor hem staat, zo zijt niet bevreesd
41 10, 16| uw hart, maar boodschap hem naar uw woorden, en hij
42 10, 16| van Holofernes, totdat zij hem de boodschap van haar gedaan
43 10, 18| geweven, en zij boodschapten hem van haar, en hij kwam uit
44 10, 18| kwam uit in de voortent, en hem werden zilveren lampen voorgedragen.~
45 10, 19| haar aangezicht, aanbad hem, en zijn dienstknechten
46 11, 2 | ik zou mijn spies tegen hem niet opgeheven hebben, doch
47 11, 4 | 4 En Judith zeide tot hem: Neem de woorden uwer dienstmaagd
48 11, 5 | alleen de mensen door u hem dienen, maar ook de dieren
49 11, 7 | woorden gehoord, dewijl hem de mannen van Bethulië gekregen
50 12, 4 | 4 En Judith zeide tot hem: Zo waarachtig als uw ziel
51 12, 10| over alles gesteld was dat hem toebehoorde: Ga toch heen
52 12, 13| 13 En Judith zeide tot hem: Wie ben ik, die mijn heer
53 12, 19| nam, en at, en dronk voor hem, hetgeen haar dienstmaagd
54 13, 3 | gevallen, want de wijn had hem zeer bevangen.~
55 13, 9 | al haar kracht: en hieuw hem zijn hoofd af, en zij wentelde
56 13, 18| 18 Looft God, looft Hem; looft God, die zijn barmhartigheid
57 13, 19| dronkenschap, en de Here heeft hem geslagen door de hand ener
58 13, 20| ben, dat mijn aangezicht hem heeft verleid tot zijn verderf,
59 14, 4 | van Holofernes, en zullen hem niet vinden, en een vrees
60 14, 6 | Israëls veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood
61 14, 6 | onmacht gevallen; maar als zij hem verkwikt hadden viel hij
62 14, 6 | hebt. En Judith verhaalde hem in het midden des volks,
63 14, 14| 14 En vond hem dood op de vloer geworpen,
64 14, 14| geworpen, en zijn hoofd was hem afgehouwen; en hij riep
65 14, 15| en zijn hoofd is niet op hem.~
66 16, 2 | Here met cimbalen, en dicht Hem kunstig een nieuwe Psalm;
67 16, 8 | kinderen der Titanen hebben hem niet verslagen, en de grote
68 16, 8 | en de grote reuzen hebben hem niet aangegrepen, maar Judith,
69 16, 8 | dochter van Merari, heeft hem machteloos gemaakt, door
70 16, 10| nam een linnen kleding, om hem te bedriegen.~
|