Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
helkia 1
helpen 2
helper 3
hem 70
hemel 2
hemels 5
hen 82
Frequency    [«  »]
79 god
78 der
72 aan
70 hem
70 want
67 uw
61 voor

boek Judith (Het)

IntraText - Concordances

hem

   Chapter, Verse
1 1, 6 | de landpale Ragan; en bij hem voegden zich allen, die 2 1, 11| Assyriërs, en zij kwamen bij hem niet tot deze krijg, want 3 1, 11| krijg, want zij vreesden hem niet, maar hij was voor 4 1, 15| gebergten Ragan, en doorschoot hem met zijn pijlen, en verdierf 5 1, 15| zijn pijlen, en verdierf hem tot die dag toe.~ 6 2, 4 | legers, die de tweede na hem was, en hij zeide tot hem:~ 7 2, 4 | hem was, en hij zeide tot hem:~ 8 2, 7 | mannen tot de krijg, gelijk hem zijn heer bevolen had, tot 9 2, 15| en versloeg allen, die hem wederstonden, en kwam tot 10 2, 18| een vrees en beving voor hem overviel degenen, die aan 11 2, 18| Azote en Askalon vreesden hem uitermate zeer.~ 12 3, 1 | zij zonden gezanten tot hem met woorden van vrede, zeggende:~ 13 3, 9 | rondom hen lag, ontvingen hem met kransen, reien en trommels.~ 14 3, 11| 11 En het was bij hem besloten, dat hij al de 15 3, 12| 12 Opdat alle volken, hem, Nabuchodonosor, alleen 16 3, 12| tongen, en al hun geslachten hem tot een god aanroepen.~ 17 4, 2 | uitermate bevreesd voor hem, en waren zeer bevreesd 18 5, 5 | kinderen Ammons, zeide tot hem: Mijnheer hoor toch een 19 5, 26| bewoonden, zeiden dat men hem in stukken zou houwen, want 20 6, 7 | beval zijn knechten, die bij hem in zijn tent stonden, dat 21 6, 7 | Bethulië heenvoeren, en hem overleveren in de handen 22 6, 8 | En zijn knechten grepen hem, en brachten hem buiten 23 6, 8 | grepen hem, en brachten hem buiten het leger in het 24 6, 9 | bonden Achior, en nadat zij hem aan de voet des bergs geworpen 25 6, 9 | geworpen hadden, lieten zij hem daar liggen, en keerden 26 6, 10| Israëls kwamen nederwaarts tot hem uit hun stad, en maakten 27 6, 10| uit hun stad, en maakten hem los, en brachten hem binnen 28 6, 10| maakten hem los, en brachten hem binnen Bethulië.~ 29 6, 11| 11 En stelden hem voor de oversten van hun 30 6, 12| volk, en Ozias vraagde wat hem overkomen was.~ 31 6, 16| vertroostten Achior en prezen hem zeer.~ 32 6, 17| 17 En Ozias nam hem mee uit de vergadering in 33 8, 3 | Bethulië, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in het 34 8, 16| zijn verlossing wachten, en hem aanroepen tot onze hulp, 35 8, 16| stem verhoren, indien het hem behagelijk is.~ 36 8, 19| erkennen geen andere God dan hem, waarom wij hopen dat hij 37 8, 24| Here kastijdt degenen, die hem genaken, tot een waarschuwing.~ 38 10, 13| veldoverste uws legers, om hem waarachtige woorden te boodschappen, 39 10, 13| en ik zal een weg voor hem wijzen, waardoor hij trekken 40 10, 16| 16 Wanneer gij nu voor hem staat, zo zijt niet bevreesd 41 10, 16| uw hart, maar boodschap hem naar uw woorden, en hij 42 10, 16| van Holofernes, totdat zij hem de boodschap van haar gedaan 43 10, 18| geweven, en zij boodschapten hem van haar, en hij kwam uit 44 10, 18| kwam uit in de voortent, en hem werden zilveren lampen voorgedragen.~ 45 10, 19| haar aangezicht, aanbad hem, en zijn dienstknechten 46 11, 2 | ik zou mijn spies tegen hem niet opgeheven hebben, doch 47 11, 4 | 4 En Judith zeide tot hem: Neem de woorden uwer dienstmaagd 48 11, 5 | alleen de mensen door u hem dienen, maar ook de dieren 49 11, 7 | woorden gehoord, dewijl hem de mannen van Bethulië gekregen 50 12, 4 | 4 En Judith zeide tot hem: Zo waarachtig als uw ziel 51 12, 10| over alles gesteld was dat hem toebehoorde: Ga toch heen 52 12, 13| 13 En Judith zeide tot hem: Wie ben ik, die mijn heer 53 12, 19| nam, en at, en dronk voor hem, hetgeen haar dienstmaagd 54 13, 3 | gevallen, want de wijn had hem zeer bevangen.~ 55 13, 9 | al haar kracht: en hieuw hem zijn hoofd af, en zij wentelde 56 13, 18| 18 Looft God, looft Hem; looft God, die zijn barmhartigheid 57 13, 19| dronkenschap, en de Here heeft hem geslagen door de hand ener 58 13, 20| ben, dat mijn aangezicht hem heeft verleid tot zijn verderf, 59 14, 4 | van Holofernes, en zullen hem niet vinden, en een vrees 60 14, 6 | Israëls veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood 61 14, 6 | onmacht gevallen; maar als zij hem verkwikt hadden viel hij 62 14, 6 | hebt. En Judith verhaalde hem in het midden des volks, 63 14, 14| 14 En vond hem dood op de vloer geworpen, 64 14, 14| geworpen, en zijn hoofd was hem afgehouwen; en hij riep 65 14, 15| en zijn hoofd is niet op hem.~ 66 16, 2 | Here met cimbalen, en dicht Hem kunstig een nieuwe Psalm; 67 16, 8 | kinderen der Titanen hebben hem niet verslagen, en de grote 68 16, 8 | en de grote reuzen hebben hem niet aangegrepen, maar Judith, 69 16, 8 | dochter van Merari, heeft hem machteloos gemaakt, door 70 16, 10| nam een linnen kleding, om hem te bedriegen.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License