Chapter, Verse
1 2, 6 | Maar de ongehoorzamen zal uw oog niet sparen, gij zult
2 2, 6 | dood, en tot een roof in al uw land; want zo zeker als
3 3, 5 | en die daarin wonen, zijn uw knechten; kom en handel
4 3, 5 | hen, gelijk het goed is in uw ogen.~
5 5, 27| zullen een aas zijn voor uw ganse leger.~ ~ ~
6 6, 5 | mijner dienstknechten tussen uw zijden gaan, en gij zult
7 6, 6 | wordt. Indien gij nu met uw hart vertrouwt dat zij niet
8 6, 6 | gevangen worden, zo laat uw aangezicht niet vervallen,
9 7, 10| en niet één man zal uit uw volk vallen; blijf maar
10 7, 10| volk vallen; blijf maar in uw leger, en behoud al de mannen
11 7, 10| van het heer, en laat maar uw dienstknechten de waterfontein
12 7, 20| ons komt, zo zal ik naar uw woorden doen. En zo heeft
13 8, 10| inwoners van Bethulië, want uw rede is niet recht, welke
14 8, 25| en daar is niemand die uw woorden kan tegenstaan.
15 8, 25| woorden kan tegenstaan. Want uw wijsheid is heden niet eerst
16 8, 25| dagen heeft al het volk uw vernuft bekend, gelijkerwijs
17 9, 3 | buit tot verdeling onder uw lieve kinderen, welke ook
18 9, 3 | kinderen, welke ook met uw ijver hebben geijverd, en
19 9, 5 | 5 Want al uw wegen zijn bereid, en uw
20 9, 5 | uw wegen zijn bereid, en uw oordeel is u tevoren bekend.~
21 9, 6 | krijgen verplettert; Here is uw naam.~
22 9, 7 | Breek gij hun geweld met uw kracht, en sla hun sterkte
23 9, 7 | hun sterkte ter neder in uw toorn;~
24 9, 8 | Want zij hebben voorgenomen uw heiligdom te ontheiligen,~
25 9, 9 | tabernakel der rust van uw heerlijke naam, en met het
26 9, 9 | om te werpen de hoorn van uw altaar.~
27 9, 11| 11 Zend uw toorn over hun hoofden,~
28 9, 15| 15 Want uw sterkte is niet in de menigte,
29 9, 15| niet in de menigte, noch uw vermogen in de geweldigen,
30 9, 16| wateren, gij Koning van al uw schepselen,~
31 9, 18| raadslagen genomen hebben tegen uw verbond, en tegen uw geheiligd
32 9, 18| tegen uw verbond, en tegen uw geheiligd thuis, en tegen
33 9, 18| het huis der bezitting van uw kinderen;~
34 9, 19| En maak, dat men onder al uw volk en alle stammen wete
35 10, 8 | u aangenaam, en volbreng uw aanslagen, tot roem van
36 10, 15| zeiden tot haar: Gij hebt uw leven behouden, dewijl gij
37 10, 16| zo zijt niet bevreesd in uw hart, maar boodschap hem
38 10, 16| maar boodschap hem naar uw woorden, en hij zal u weldoen.
39 11, 1 | Heb goede moed, vrouwe, en uw hart zij niet bevreesd,
40 11, 2 | 2 En nu, indien uw volk, dat op dit gebergte
41 11, 3 | zijt, want gij komt tot uw behoudenis; heb goede moed,
42 11, 4 | dienstmaagd aan, en laat uw dienstmaagd voor uw aanschijn
43 11, 4 | laat uw dienstmaagd voor uw aanschijn spreken, en ik
44 11, 5 | vogelen des hemels zullen door uw geweld onder Nabuchodonosor
45 11, 6 | 6 Want wij hebben van uw wijsheid gehoord, en van
46 11, 7 | Achior gesproken heeft in uw raad, wij hebben zijn woorden
47 11, 13| 13 Daarom, ik, uw dienstmaagd, dit alles wetende,
48 11, 14| 14 Want uw dienstmaagd vreest God,
49 11, 14| u blijven, mijn heer, en uw dienstmaagd zal des nachts
50 11, 14| aanbrengen, en gij zult met uw gehele macht uittrekken;
51 11, 16| 16 En ik zal uw stoel in het midden van
52 11, 21| van gestalte en kloek zijn uw redenen, indien gij dan
53 11, 21| gij gezegd hebt, zo zal uw God mijn God zijn, en gij
54 12, 3 | want daar is niemand van uw geslacht onder ons.~
55 12, 4 | tot hem: Zo waarachtig als uw ziel leeft, mijn heer, uw
56 12, 4 | uw ziel leeft, mijn heer, uw dienstmaagd zal niet opgeteerd
57 13, 6 | is nu de rechte tijd, om uw erve te hulp te komen, en
58 13, 22| huidige dag de vijanden van uw volk teniet hebt gemaakt.~
59 13, 25| 25 Want uw hoop zal niet geweerd worden
60 13, 25| allerlei goed, opdat gij uw leven niet gespaard hebt,
61 14, 4 | vallen, en zij zullen voor uw aangezicht vlieden.~
62 14, 6 | onder alle volken; die van uw naam horen, die zullen zich
63 15, 11| hebt dit alles gedaan door uw hand. Gij hebt aan Israël
64 16, 17| 17 Dat al uw schepsel u diene, want gij
65 16, 17| zijn geworden. Gij hebt uw geest uitgezonden, en hij
66 16, 17| en daar is niemand die uw stem zal wederstaan.~
67 16, 18| de steenrotsen zullen van uw aangezicht, gelijk was,
|