Chapter, Verse
1 1, 11| vreesden hem niet, maar hij was voor hen als een enig man,
2 1, 16| van krijgslieden; en hij was daar ledig, en hield maaltijden,
3 2, 4 | legers, die de tweede na hem was, en hij zeide tot hem:~
4 3, 11| 11 En het was bij hem besloten, dat hij
5 3, 14| Gaba en Scythopolis, en hij was daar een ganse maand stil,
6 4, 2 | gevangenis, en het ganse volk was kort tevoren vergaderd geweest
7 4, 5 | in die dagen te Jeruzalem was, schreef aan de inwoners
8 4, 6 | Dewijl daardoor de ingang was naar Judea, en het licht
9 4, 6 | naar Judea, en het licht was te beletten degenen die
10 4, 6 | zouden, daar de toegang eng was, en uiterlijk voor twee
11 4, 16| vrijwillige gaven des volks, en as was op hun haar.~
12 5, 9 | menigte, en hun geslacht was ontelbaar.~
13 5, 22| gebergte bewoond, want het was woest.~
14 6, 12| vraagde wat hem overkomen was.~
15 7, 1 | hulp in deze krijg gekomen was, dat zij zouden optrekken
16 7, 2 | macht van strijdbare mannen was honderdenzeventigduizend
17 7, 2 | de krijgsrusting; en daar was een zeer grote menigte van
18 7, 13| hadden en daar geen middel was om hun te ontvluchten; en
19 7, 13| doorgangen der poorten, en daar was geen kracht meer in hen.
20 8, 2 | 2 En haar man was geweest Manasse van dezelfde
21 8, 2 | hetzelfde geslacht, en hij was gestorven in de dagen des
22 8, 4 | 4 En Judith was in haar huis, in de weduwelijke
23 8, 5 | om haar lendenen, en zij was bekleed met klederen ener
24 8, 7 | 7 En zij was schoon van gedaante, en
25 8, 8 | 8 En daar was niemand die haar enige kwade
26 8, 9 | al haar goederen gesteld was, en riep tot zich Ozias,
27 9, 1 | die zij aan had, en het was nu de tijd dat te Jeruzalem
28 10, 2 | af, waarmede zij bekleed was, en trok haar weduwklederen
29 10, 3 | aan, waarmede zij bekleed was in de dagen van het leven
30 10, 7 | en haar kleding veranderd was, zo verwonderden zij zich
31 10, 10| totdat zij het dal doorgegaan was, en zij haar niet meer zagen.~
32 10, 14| aangezicht aanmerkten, zo was het voor hen zeer wonderlijk
33 10, 18| smaragden, en kostelijke stenen was tezamen geweven, en zij
34 12, 10| welke over alles gesteld was dat hem toebehoorde: Ga
35 12, 16| zijn ziel werd bewogen, en was uitermate begerig om met
36 12, 20| 20 En Holofernes was vrolijk over haar, en dronk
37 12, 20| had, van dat hij geboren was.~
38 13, 1 | EN als het laat geworden was, zo haastten zich zijn dienstknechten
39 13, 3 | 3 En Holofernes was voorover op zijn bed gevallen,
40 13, 4 | gelijk dagelijks geschied was. Want zij zeide, dat zij
41 13, 7 | die aan Holofernes' hoofd was, en zij nam zijn sabel vandaar,
42 14, 6 | dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij met hen sprak;
43 14, 9 | over al zijn zaken gesteld was:~
44 14, 14| geworpen, en zijn hoofd was hem afgehouwen; en hij riep
45 15, 1 | zich over hetgeen geschied was, en vrees en beving viel
46 15, 2 | 2 En daar was geen mens die staande bleef
47 15, 4 | zonden hetgeen er geschied was, opdat zij allen op de vijanden
48 15, 5 | van hun vijanden overkomen was.~
49 15, 8 | kregen veel buit, want daar was een zeer grote menigte.~
50 16, 18| van uw aangezicht, gelijk was, versmelten.~
51 16, 22| toen het volk gereinigd was, offerden zij hun brandofferen
52 16, 24| 24 En het volk was vrolijk te Jeruzalem, voor
53 16, 26| 26 En zij was in haar tijd zeer geëerd
54 16, 27| tot zijn volk vergaderd was.~
55 16, 28| En zij nam zeer toe, en was zeer groot, en zij werd
56 16, 30| 30 En daar was niemand meer, die de kinderen
57 16, 30| dagen, nadat zij gestorven was.~
|