Chapter, Verse
1 1, 16| Nineve, hij en al zijn leger, uit vele volken bestaande, een
2 2, 7 | 7 En Holofernes ging uit van voor het aanschijn zijns
3 2, 10| En hij nam goud en zilver uit des konings huis, zeer veel.~
4 2, 12| 12 En zij trokken uit van Nineve drie dagreizen,
5 2, 17| en hun velden wande hij uit, en sloeg al hun jonge mannen
6 4, 2 | waren onlangs wedergekomen uit de gevangenis, en het ganse
7 4, 2 | tevoren vergaderd geweest uit Judea; en de vaten en het
8 4, 11| en spreidden hun zakken uit voor het aanschijn des Heren.~
9 5, 5 | Mijnheer hoor toch een woord uit de mond uws knechts, en
10 5, 5 | bewoont; en geen leugen zal uit de mond uws knechts gaan.~
11 5, 8 | geboden, dat zij zouden gaan uit het land van hun vreemdelingschap,
12 5, 11| de Egyptenaars dreven hen uit van hun aangezicht.~
13 5, 22| God, zijn zij wedergekomen uit hun verstrooiing, waarheen
14 6, 5 | dat geslacht dergenen, die uit Egypte gekomen zijn, en
15 6, 10| kwamen nederwaarts tot hem uit hun stad, en maakten hem
16 6, 11| Ozias, de zoon van Mika, uit de stam Simeon, en Abris,
17 6, 17| 17 En Ozias nam hem mee uit de vergadering in zijn huis,
18 7, 3 | fontein, en zij strekten zich uit in de breedte naar Dothaïm
19 7, 6 | Holofernes al zijn ruiters uit, voor het gezicht der kinderen
20 7, 10| geschiedt, en niet één man zal uit uw volk vallen; blijf maar
21 7, 10| waterfontein bemachtigen, die uit de voet van deze berg voortkomt,
22 7, 10| houden, dat er niet één man uit de stad zal gaan; en zij
23 7, 12| kinderen Ammons, en vijfduizend uit de kinderen van Assur met
24 7, 12| Dothaïm, en zonden enigen uit de hunnen tegen het zuiden
25 8, 30| vijanden. En zij keerden weder uit haar tent, en gingen heen
26 10, 2 | trok haar weduwklederen uit.~
27 10, 6 | 6 En zij gingen uit naar de poort der stad Bethulië,
28 10, 10| 10 En Judith ging uit, en haar maagd met haar,
29 10, 16| weldoen. En zij verkozen uit zich honderd mannen, en
30 10, 17| al zijn dienaars kwamen uit, en brachten haar in de
31 10, 18| hem van haar, en hij kwam uit in de voortent, en hem werden
32 11, 9 | tevergeefs en zonder iets uit te richten zou zijn, zo
33 11, 11| staan, welke zelfs niemand uit het volk met de handen betaamt
34 12, 2 | aanstoot daaruit ontsta, maar uit hetgeen mij volgt, zal mij
35 12, 7 | en zij ging des nachts uit naar het dal van Bethulië,
36 12, 12| 12 En Bagoas ging uit van Holofernes, en kwam
37 13, 6 | te komen, en mijn aanslag uit te voeren, tot verwondering
38 13, 11| een weinig daarna ging zij uit, en gaf haar dienstmaagd
39 13, 12| zij beiden gingen tezamen uit, naar haar gewoonte, en
40 13, 19| het hoofd van Holofernes uit de zak, en toonde het, en
41 13, 25| zal niet geweerd worden uit het hart der mensen, die
42 14, 1 | dit hoofd, en hangt dat uit, op de tinne van onze stadsmuur.~
43 14, 6 | afgezonden; en zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als
44 14, 8 | van Holofernes van de muur uit, en alle mannen Israëls
45 14, 8 | namen hun wapenen, en vielen uit met benden tot aan de opgang
46 14, 15| hij sprong tot het volk uit roepende: Die slaven hebben
47 15, 3 | En toen vielen tegen hen uit alle strijdbare mannen van
48 15, 4 | zouden uitvallen, om hen uit te roeien.~
49 15, 5 | Jeruzalem daar gekomen waren, en uit het ganse gebergte, want
50 15, 14| zij maakten zich een rei uit haar midden.~
51 16, 3 | des volks, mij verlost, uit de hand dergenen, die mij
52 16, 4 | 4 Assur kwam uit de gebergten van het noorden;~
53 16, 9 | klederen harer weduwschap uit, tot verhoging dergenen
54 16, 18| 18 Want de bergen zullen uit de fundamenten met hun wateren
55 16, 23| en het behangsel, dat zij uit zijn slaapkamer genomen
|