Chapter, Verse
1 3, 3 | 3 Doe met ons, gelijk het u behaagt.~
2 3, 4 | onze korenvelden, en al ons klein en groot vee, en al
3 6, 2 | zijt, dat gij heden onder ons zo geprofeteerd en gezegd
4 6, 4 | voeten zal bestaan voor ons aanschijn, maar zij zullen
5 6, 15| over de vernedering van ons geslacht, en zie ten dezen
6 7, 10| moeten overgeven; en wij en ons volk zullen op de naaste
7 7, 10| bergen klimmen, en zullen ons daarom legeren en wacht
8 7, 13| God zij rechter tussen ons en tussen u, dat gij zulk
9 7, 13| gij zulk een groot onrecht ons hebt aangedaan, en geen
10 7, 14| nu is er geen helper voor ons, maar God heeft ons in hun
11 7, 14| voor ons, maar God heeft ons in hun handen gegeven, dat
12 7, 16| 16 Want het is ons beter, dat wij hun ten roof
13 7, 17| Here onzer vaderen, die ons vergeldt naar onze misdaden,
14 7, 19| goede moed, broeders, laat ons nog vijf dagen standvastig
15 7, 19| zijn barmhartigheid over ons zal wenden, want hij zal
16 7, 19| zal wenden, want hij zal ons tot het einde toe niet verlaten.~
17 7, 20| voorbijgaan, en geen hulp over ons komt, zo zal ik naar uw
18 8, 10| gesproken hebt, tussen God en ons, en hebt beloofd, dat gij
19 8, 10| Here zich niet wendt om ons te helpen.~
20 8, 14| zo hij in deze vijf dagen ons niet helpen wil, hij heeft
21 8, 14| wil, hij heeft de macht om ons te beschutten in welke dagen
22 8, 14| dagen hij wil, of ook om ons te verdelgen voor het aanschijn
23 8, 16| 16 Daarom laat ons op zijn verlossing wachten,
24 8, 17| noch volk, noch stad onder ons, welke de goden dient, die
25 8, 19| waarom wij hopen dat hij ons niet zal verachten, noch
26 8, 19| verachten, noch iemand van ons geslacht.~
27 8, 20| verwoesting onzer erve op ons hoofd wenden onder de heidenen,
28 8, 20| spot zijn voor degenen, die ons bezitten. Want onze dienstbaarheid
29 8, 21| 21 En nu, broeders, laat ons onze broederen een voorbeeld
30 8, 21| voorbeeld geven, want van ons hangt hun leven af, en het
31 8, 21| en het altaar steunt op ons. Boven dit alles, laat ons
32 8, 21| ons. Boven dit alles, laat ons de Here, onze God, danken
33 8, 21| Here, onze God, danken die ons verzoekt, gelijk hij ook
34 8, 24| wreekt hij zich niet over ons, maar de Here kastijdt degenen,
35 8, 25| lijdt grote dorst en heeft ons gedwongen dat wij doen zouden
36 8, 25| en dat wij de eed over ons zouden brengen, die wij
37 8, 26| 26 En nu, bid gij voor ons, want gij zijt een godvrezende
38 10, 15| zijn tent, en enigen van ons zullen u geleiden, totdat
39 11, 3 | van hen gevloden en tot ons gekomen zijt, want gij komt
40 11, 8 | 8 Want over ons geslacht wordt geen wraak
41 12, 3 | niemand van uw geslacht onder ons.~
42 12, 10| die bij u is, dat zij bij ons kome, en met ons ete en
43 12, 10| zij bij ons kome, en met ons ete en drinke.~
44 12, 11| zie, het is schande voor ons dat wij zodanige vrouw zouden
45 12, 11| want zo wij haar niet tot ons trekken, zij zal ons bespotten.~
46 12, 11| tot ons trekken, zij zal ons bespotten.~
47 12, 12| verheerlijkt te worden, en met ons tot vrolijkheid wijn te
48 12, 17| Drink toch, en zijt met ons vrolijk.~
49 13, 6 | der vijanden, die tegen ons opgestaan zijn.~
50 13, 13| open, God, onze God, is met ons om nog kracht te bewijzen
51 13, 25| der vernedering wil van ons geslacht, maar zijt onze
52 14, 6 | veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood heeft afgezonden;
53 14, 10| want de slaven durven tot ons nederkomen in de krijg,
54 15, 11| zijt een grote roem van ons geslacht. Gij hebt dit alles
|