Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library

boek Judith (Het)

IntraText - Concordances

(Hapax - words occurring once)


aanbi-macht | make-zwoer

     Chapter, Verse
1 11, 14| in het dal, en ik zal God aanbidden, en Hij zal mij verkondigen 2 14, 8 | Wanneer nu de morgenstond aanbrak, zo hingen zij het hoofd 3 11, 14| ik zal komen en u zulks aanbrengen, en gij zult met uw gehele 4 16, 30| kinderen Israëls enige vrees aandeed, in de dagen van Judith, 5 7, 1 | kinderen Israëls de krijg zou aandoen.~ 6 11, 7 | 7 En nu wat aangaat de rede, die Achior gesproken 7 5, 8 | hebben de God des hemels aangebeden, de God die zij kenden, 8 16, 8 | grote reuzen hebben hem niet aangegrepen, maar Judith, de dochter 9 10, 8 | God onzer vaderen, make u aangenaam, en volbreng uw aanslagen, 10 9, 3 | hebben u tot een helper aangeroepen, o God, o mijn God, verhoor 11 10, 16| gehele leger, want haar aankomst werd ruchtbaar door de tenten. 12 14, 2 | wanneer de morgenstond zal aanlichten, en de zon op aarde opgaan, 13 10, 14| hoorden, en haar aangezicht aanmerkten, zo was het voor hen zeer 14 9, 15| helper der kleinen, een aannemer der zwakken, een beschutter 15 12, 10| Holofernes een maaltijd aanrichtte, alleen voor zijn dienstknechten, 16 10, 19| over de schoonheid haars aanschijns, en zij, nedervallende op 17 15, 9 | woning hadden, kwamen om te aanschouwen het goede dat God Israël 18 13, 6 | te hulp te komen, en mijn aanslag uit te voeren, tot verwondering 19 6, 3 | verdelgen van het aanschijn des aardbodems, en hun God zal hen niet 20 6, 4 | Nabuchodonosor, de heer des gehelen aardrijks, want hij heeft het gezegd, 21 5, 27| Holofernes en zij zullen een aas zijn voor uw ganse leger.~ ~ ~ 22 8, 22| 22 Gedenkt wat hij met Abraham al gedaan heeft.~ 23 6, 11| uit de stam Simeon, en Abris, de zoon van Gothoniël, 24 14, 5 | 5 En gijlieden zult hen achtervolgen, mitsgaders allen die in 25 2, 1 | 1 EN in het achttiende jaar, op de tweeëntwintigste 26 7, 8 | opdat zijn heerleger geen afbreuk lijde,~ 27 14, 2 | maar gij zult niet henen afgaan.~ 28 10, 10| haar na, totdat zij de berg afgegaan, en totdat zij het dal doorgegaan 29 14, 14| geworpen, en zijn hoofd was hem afgehouwen; en hij riep met luider 30 4, 4 | hun velden kort tevoren afgemaaid waren.~ 31 5, 8 | 8 En zijn afgetreden van de weg hunner vaderen, 32 5, 9 | 9 En zijn afgetrokken naar Egypte, (want hongersnood 33 5, 20| 20 Maar toen zij afgeweken zijn van de weg, die hij 34 5, 21| Gods is tot de grond toe afgeworpen, en hun steden zijn ingenomen 35 13, 18| van het huis Israëls niet afwendt, maar hij heeft onze vijanden 36 6, 3 | 3 Deze zal zijn macht afzenden en hen verdelgen van het 37 8, 1 | zoon van Rafam, de zoon van Akitho, de zoon van Elia, de zoon 38 2, 14| gelegen waren aan de beek Albonai, totdat men komt aan de 39 13, 25| verhoging, en bezoeke u met allerlei goed, opdat gij uw leven 40 16, 19| vette tot brandoffer is het allerminste, maar die de Here vreest 41 16, 19| maar die de Here vreest is altijd groot.~ 42 1, 12| Moab, en de kinderen van Ammon, en geheel Judea, en allen 43 14, 6 | zo roept mij Achior, de Ammoniet, opdat hij zie en kenne 44 5, 14| neergezet in het land der Ammorieten.~ 45 8, 1 | van Helkia, de zoon van Ananias, de zoon van Gedeon, de 46 1, 7 | en op de berg Libanon en Antilibanon, en allen die woonden langs 47 6, 13| 13 En hij, antwoordende, verhaalde hun de woorden 48 2, 15| tegen het zuiden en tegen Arabië liggen.~ 49 5, 10| listigheid tegen hen door arbeid, en door maken van tichelstenen, 50 1, 6 | en in het platte land van Arioch, de koning der Elymeërs, 51 9, 6 | ruiters, en roemen op de arm van hun voetvolk. Zij hopen 52 10, 4 | haar voeten, en deed haar armringen aan, en halsbanden, en ringen, 53 2, 18| daar woonden in Azote en Askalon vreesden hem uitermate zeer.~ 54 7, 13| gesproken tot de kinderen Assurs.~ 55 4, 1 | krijgsoverste des konings van Assyrië, aan die volken gedaan had, 56 12, 19| 19 En zij nam, en at, en dronk voor hem, hetgeen 57 2, 18| en die daar woonden in Azote en Askalon vreesden hem 58 7, 13| inwoners van Bethulië en hun bakken werden ledig, en zij hadden 59 12, 15| de vellen, die zij van Baogas ontvangen had tot haar dagelijks 60 11, 16| met zijn tong tegen u zal bassen;~ 61 15, 4 | zond naar Bethomasthem en Bebaï, en Chebaï, en Chela, en 62 9, 12| ben) de sterkte, die ik bedacht heb.~ 63 2, 5 | ganse aangezicht der aarde bedekken met de voeten van mijn heerleger, 64 8, 15| als een mens, dat hij zou bedreigd worden, noch als een zoon 65 9, 13| 13 Sla met mijn bedriegelijke lippen de knecht met de 66 16, 12| 12 De Perzen beefden voor haar stoutheid, en 67 2, 11| 11 En hij begaf zich met zijn ganse leger 68 11, 1 | koning der ganse aarde, heeft begeerd te dienen.~ 69 16, 27| 27 En velen begeerden haar te hebben, maar geen 70 12, 16| bewogen, en was uitermate begerig om met haar gemeenschap 71 8, 25| eerst openbaar, maar van het begin uwer dagen heeft al het 72 16, 2 | 2 En Judith zeide: Begint de lof mijns Heren met tambourijn; 73 16, 1 | 1 EN Judith begon deze dankzegging te zingen 74 7, 10| blijf maar in uw leger, en behoud al de mannen van het heer, 75 10, 15| haar: Gij hebt uw leven behouden, dewijl gij u gehaast hebt 76 11, 3 | zijt, want gij komt tot uw behoudenis; heb goede moed, gij zult 77 9, 15| vertwijfelenden, en een behouder dergenen, die geen hoop 78 13, 12| 12 En zij beiden gingen tezamen uit, naar 79 5, 22| 22 En nu bekeerd zijnde tot hun God, zijn 80 16, 27| te hebben, maar geen man bekende haar al de dagen haars levens, 81 15, 13| zilverwerk, en de bedden, en de bekkens, en al zijn huisraad, en 82 4, 12| 12 En zij bekleedden het altaar met een zak.~ 83 7, 9 | spitsen van hun bergen te beklimmen.~ 84 8, 3 | veld dat tussen Dothaïm en Belamon ligt.~ 85 5, 1 | zij in de vlakke velden beletsels gesteld hadden.~ 86 4, 3 | vlekken, en naar Bethhoron en Belmen, en Jericho, en naar Choba, 87 4, 16| gedurigen offers, en de beloften, en de vrijwillige gaven 88 7, 3 | breedte naar Dothaïm tot Belthem toe, en in de lengte van 89 7, 10| dienstknechten de waterfontein bemachtigen, die uit de voet van deze 90 5, 23| tegen hun God, en zo wij bemerken dat er onder hen zodanige 91 5, 1 | spitsen der hoge bergen bemuurd hadden, en dat zij in de 92 16, 9 | tot verhoging dergenen die benauwd waren in Israël.~ 93 14, 8 | wapenen, en vielen uit met benden tot aan de opgang des bergs, 94 10, 2 | haar dienstmaagd, en kwam beneden in het huis, waar zij zich 95 6, 2 | geslacht Israëls niet zouden beoorlogen, omdat hun God hen zal beschermen, 96 7, 10| 10 En nu, heer, beoorloog hen niet gelijk in een bestorming 97 7, 11| zijn dienstknechten, en zij bepaalden dat men doen zou gelijk 98 8, 24| gelijk hij hen door vuur beproefd heeft tot onderzoeking huns 99 6, 17| vergadering in zijn huis, en bereidde een maaltijd voor de oudsten,~ 100 5, 1 | de kinderen Israëls zich bereiden tot de krijg, en dat zij 101 14, 16| klederen, en hun ziel werd zeer beroerd.~ 102 15, 7 | het leger der Assyriërs en beroofden hen, en verrijkten zich 103 5, 24| hun Here hen niet mogelijk bescherme, en hun God vóór hen zij, 104 6, 2 | beoorlogen, omdat hun God hen zal beschermen, en wie is God dan Nabuchodonosor?~ 105 4, 4 | vlekken, die daarop waren, en beschikten koren tot voorraad van de 106 8, 14| heeft de macht om ons te beschutten in welke dagen hij wil, 107 14, 7 | geloofde zeer aan God, en besneed het vlees zijner voorhuid, 108 12, 11| ons trekken, zij zal ons bespotten.~ 109 1, 16| zijn leger, uit vele volken bestaande, een zeer grote menigte 110 5, 3 | hun kracht en hun sterkte bestaat, en wat koning onder hen 111 8, 30| en gingen heen naar hun bestemde krijgsordeningen.~ 112 7, 10| beoorloog hen niet gelijk in een bestorming geschiedt, en niet één man 113 2, 5 | bewaren tot de dag van hun bestraffing.~ 114 4, 11| 11 En bestrooiden hun hoofden met as, en spreidden 115 11, 11| uit het volk met de handen betaamt aan te raken.~ 116 7, 16| 16 Want het is ons beter, dat wij hun ten roof worden, 117 1, 9 | Jordaan tot Jeruzalem toe, en Bethane, en Chellus, en Kades, en 118 4, 5 | inwoners van Bethulië, en Bethemesch, welke tegenover Esdrelon 119 4, 3 | en in de vlekken, en naar Bethhoron en Belmen, en Jericho, en 120 15, 4 | 4 En Ozias zond naar Bethomasthem en Bebaï, en Chebaï, en 121 2, 5 | mannen die op hun sterkte betrouwen, tot honderd en twintig 122 10, 9 | mij hebt gesproken, en zij bevalen de jongelingen haar open 123 13, 3 | want de wijn had hem zeer bevangen.~ 124 12, 6 | Holofernes, zeggende: Mijn heer beveel toch, dat men toelate dat 125 10, 9 | 9 En zeide tot hen: Beveelt dat mij de poort der stad 126 2, 3 | uitroeien al degenen, die het bevel zijns monds niet nagevolgd 127 14, 8 | hen zagen, zonden tot hun bevelhebbers,~ 128 9, 19| en alle stammen wete en bevinde, dat gij de God zijt aller 129 9, 9 | 9 En te bevlekken de tabernakel der rust van 130 9, 2 | tot schaamte, en de schoot bevlekt hadden tot schande, (want 131 2, 5 | overgeven, en gij zult mij die bewaren tot de dag van hun bestraffing.~ 132 13, 13| met ons om nog kracht te bewijzen in Israël, en tegen de vijanden, 133 5, 3 | steden het zijn die zij bewonen, en de menigte van hun heerleger, 134 5, 22| en hebben het gebergte bewoond, want het was woest.~ 135 5, 5 | u woont, en dit gebergte bewoont; en geen leugen zal uit 136 7, 6 | die te Bethulië waren, en bezichtigde de toegangen naar de stad.~ 137 8, 20| zijn voor degenen, die ons bezitten. Want onze dienstbaarheid 138 9, 18| Sion, en tegen het huis der bezitting van uw kinderen;~ 139 13, 25| een eeuwige verhoging, en bezoeke u met allerlei goed, opdat 140 12, 12| schone jonkvrouw zich niet bezware zelf tot mijn heer te komen, 141 7, 13| hun vrouwen en jongelingen bezweken van dorst, en zij vielen 142 8, 26| 26 En nu, bid gij voor ons, want gij zijt 143 3, 14| al de bagage zijns legers bijeenvergaderde.~ 144 7, 10| zal uit uw volk vallen; blijf maar in uw leger, en behoud 145 9, 3 | over de bevlekking huns bloeds, en hebben u tot een helper 146 1, 11| enig man, en deden zijn boden ledig van zich wederkeren 147 9, 6 | hun schilden en lansen, en bogen, en slingers, en weten niet, 148 6, 9 | onder aan de berg komende, bonden Achior, en nadat zij hem 149 3, 10| hun landpalen en hieuw hun bossen af.~ 150 1, 2 | 2 En bouwde rondom Ecbatana muren van 151 12, 9 | totdat men haar haar spijs bracht tegen de avond.~ 152 16, 22| gereinigd was, offerden zij hun brandofferen en hun gewillige offeren, 153 9, 9 | heerlijke naam, en met het breekijzer om te werpen de hoorn van 154 10, 5 | en met vijgen, en reine broden, en bond al haar vaten om 155 8, 23| van Laban, zijns moeders broeder,~ 156 5, 7 | vaderen, welke in het land van Chaldea waren;~ 157 5, 6 | Dit volk komt af van de Chaldeeën.~ 158 6, 11| de zoon van Gothoniël, en Charmis, de zoon van Malchiël.~ 159 15, 4 | Bethomasthem en Bebaï, en Chebaï, en Chela, en in alle landpalen 160 15, 4 | en Bebaï, en Chebaï, en Chela, en in alle landpalen van 161 2, 13| tegen het zuiden des lands Chellon, en hij trok over de Eufraat, 162 1, 9 | Jeruzalem toe, en Bethane, en Chellus, en Kades, en de rivier 163 7, 12| Ekrebel, hetwelk ligt bij Chus, die is omtrent de beek 164 16, 2 | tambourijn; zing mijn Here met cimbalen, en dicht Hem kunstig een 165 7, 1 | 1 EN des anderen daags gebood Holofernes zijn gehele 166 2, 17| 17 En hij daalde af in het veld van Damaskus, 167 15, 11| God hebbe een welgevallen daaraan. Zijt gezegend voor de Almachtige 168 15, 7 | hen, en verrijkten zich daarbij zeer.~ 169 4, 6 | 6 Dewijl daardoor de ingang was naar Judea, 170 3, 5 | ook onze steden, en die daarin wonen, zijn uw knechten; 171 12, 10| dienstknechten, en riep niemand daartoe dergenen, die over de gemene 172 13, 15| tot de meeste, want het dacht hun vreemd, dat zij kwam 173 11, 6 | gehoord, en van de vernuftige daden uws harten, en het wordt 174 2, 12| trokken uit van Nineve drie dagreizen, op de vlakte van het veld 175 8, 5 | zichzelf een tent op het dak van haar huis, en deed een 176 7, 4 | de hoge bergen, noch de dalen, noch de heuvelen zullen 177 8, 21| laat ons de Here, onze God, danken die ons verzoekt, gelijk 178 16, 1 | 1 EN Judith begon deze dankzegging te zingen onder gans Israël, 179 16, 12| ontzetten zich over haar dapperheid.~ 180 16, 29| 29 En zij deelde haar goederen, eer zij stierf, 181 8, 20| God, zal de ontheiliging derzelve van onze mond eisen, en 182 15, 5 | sloegen hen tot Choba toe; desgelijks ook die van Jeruzalem daar 183 8, 2 | was geweest Manasse van dezelfde stam, en van hetzelfde geslacht, 184 15, 13| in, en zij laadde dat op dezelve.~ 185 6, 15| ons geslacht, en zie ten dezen dage aan het aanschijn van 186 1, 11| 11 Doch al de inwoners dezes lands verachtten het woord 187 16, 2 | mijn Here met cimbalen, en dicht Hem kunstig een nieuwe Psalm; 188 1, 6 | Nabuchodonosor voerde te dien zelven dage krijg tegen 189 9, 13| en de overste met zijn dienaar.~ 190 10, 19| aangezicht en dat zijner dienaren kwam, verwonderden zij zich 191 4, 16| stonden, en die de Here dienden, hun lendenen met zakken 192 16, 17| 17 Dat al uw schepsel u diene, want gij hebt het gezegd, 193 11, 14| dienstmaagd vreest God, dienende nacht en dag de God des 194 8, 20| heidenen, waar wij ook zullen dienstbaar zijn. En wij zullen tot 195 8, 20| ons bezitten. Want onze dienstbaarheid zal niet gericht worden 196 8, 17| onder ons, welke de goden dient, die met handen gemaakt 197 8, 13| 13 Want de diepte van het hart des mensen 198 13, 14| geschiedde als de mannen dier stad haar stem hoorden, 199 11, 5 | hem dienen, maar ook de dieren des velds en de beesten, 200 9, 2 | hadden tot onreinheid, en de dij ontbloot hadden tot schaamte, 201 10, 3 | zalfde dat met kostelijke dikke zalf, en zij vlocht het 202 16, 19| goeden reuk, is een klein ding voor u, en al het vette 203 12, 14| zijn, tot aan de dag mijns doods.~ 204 10, 10| afgegaan, en totdat zij het dal doorgegaan was, en zij haar niet meer 205 8, 13| des mensen kunt gij niet doorgronden, en kunt niet vatten de 206 1, 15| in de gebergten Ragan, en doorschoot hem met zijn pijlen, en 207 16, 14| jonge vrouwen hebben hen doorstoken, en als kinderen der overlopers 208 3, 13| van die van Esdrelon bij Dothea, welke ligt tegenover de 209 5, 11| waren en de Egyptenaars dreven hen uit van hun aangezicht.~ 210 11, 16| zetten, en gij zult hen drijven gelijk schapen, die geen 211 12, 17| Holofernes zeide tot haar: Drink toch, en zijt met ons vrolijk.~ 212 12, 10| kome, en met ons ete en drinke.~ 213 16, 28| Manasse, en het huis Israëls droeg zeven dagen lang rouw over 214 6, 4 | 4 En hun bergen zullen dronken worden in hun bloed, en 215 13, 19| hij gelegen heeft in zijn dronkenschap, en de Here heeft hem geslagen 216 2, 5 | tot honderd en twintig duizend voetknechten, en een menigte 217 16, 5 | 5 Hij kwam in met vele duizenden zijner macht, welker menigte 218 14, 10| heer op, want de slaven durven tot ons nederkomen in de 219 11, 11| tot spijs te gebruiken de eerstelingen van koren, en de tienden 220 13, 25| en God doe u dit tot een eeuwige verhoging, en bezoeke u 221 15, 11| de Almachtige Here, ten eeuwigen tijde, en al het volk zeide: 222 6, 2 | toch Achior, en gij die van Efraïm gehuurd zijt, dat gij heden 223 5, 11| hun God, en hij sloeg gans Egypteland met plagen, die niet te 224 5, 11| niet te genezen waren en de Egyptenaars dreven hen uit van hun aangezicht.~ 225 2, 2 | en hij verhaalde met zijn eigen mond al het kwaad van dat 226 2, 5 | gevangenen voeren tot de uiterste einden der ganse aarde. Doch gij, 227 8, 20| ontheiliging derzelve van onze mond eisen, en hij zal de dood onzer 228 7, 12| en het oosten, tegenover Ekrebel, hetwelk ligt bij Chus, 229 8, 1 | van Akitho, de zoon van Elia, de zoon van Eliab, de zoon 230 8, 1 | zoon van Elia, de zoon van Eliab, de zoon van Nathanaël, 231 7, 20| hij het volk doen scheiden elk naar zijn legerplaats, en 232 4, 6 | uiterlijk voor twee mannen naast elkander.~ 233 1, 6 | van Arioch, de koning der Elymeërs, en zeer vele volken der 234 11, 19| dergelijke vrouw niet van het ene einde der aarde tot het 235 4, 6 | zouden, daar de toegang eng was, en uiterlijk voor twee 236 3, 13| ligt tegenover de grote engte van Judea.~ 237 1, 11| hij was voor hen als een enig man, en deden zijn boden 238 9, 16| vaders, gij God van het erfdeel Israëls, gij Here des hemels 239 5, 23| dat er onder hen zodanige ergernis is, zo zullen wij opklimmen 240 8, 19| 19 Maar wij erkennen geen andere God dan hem, 241 5, 15| 15 En hebben al de Esebonieten uitgeroeid door hun sterkte.~ 242 4, 3 | Jericho, en naar Choba, en Esora, en naar het dal Salem, 243 12, 10| bij ons kome, en met ons ete en drinke.~ 244 1, 10| komt aan de landpalen van Ethiopië.~ 245 2, 8 | wordt; en hij nam kemelen en ezelen tot hun bagage, een zeer 246 5, 18| aangezicht de Kanaäniet, en de Feresiet, en de Jebusiet, en de Sychemiet, 247 10, 5 | dienstmaagd een lederen fles met wijn, en een kruik met 248 7, 3 | dal bij Bethulië aan de fontein, en zij strekten zich uit 249 8, 7 | schoon van gedaante, en zeer fraai van aanzien, en Manasse 250 1, 4 | 4 En legde het fundament van de muren daarvan tot 251 16, 18| de bergen zullen uit de fundamenten met hun wateren bewogen 252 10, 11| vanwaar komt gij? en waar gaat gij heen?~ 253 3, 14| sloeg zijn leger tussen Gaba en Scythopolis, en hij was 254 15, 6 | En die van Gileäd en van Galilea sloegen hen met een grote 255 6, 4 | aanschijn, maar zij zullen ganselijk omkomen. Zo zegt Nabuchodonosor, 256 4, 7 | hogepriester Joakim, en de raad des gansen volk Israëls, die binnen 257 4, 17| zij riepen tot de Here van ganser kracht, dat hij het gehele 258 2, 13| beroofde alle kinderen van Gases, en de kinderen Ismaëls, 259 14, 9 | een ieder die over hen te gebieden had, en zij kwamen tot de 260 5, 8 | gewoond; en hun God heeft geboden, dat zij zouden gaan uit 261 16, 10| welriekende zalf, en had haar haar gebonden in een hulsel, en zij nam 262 7, 1 | 1 EN des anderen daags gebood Holofernes zijn gehele heerleger, 263 12, 18| is van al de dagen mijner geboorte.~ 264 12, 20| gedronken had, van dat hij geboren was.~ 265 16, 17| uitgezonden, en hij heeft ze gebouwd, en daar is niemand die 266 8, 26| worden, en wij niet meer gebrek lijden.~ 267 12, 15| ontvangen had tot haar dagelijks gebruik, opdat zij daarop nederzitten, 268 5, 10| Egypte stond tegen hen op, en gebruikte listigheid tegen hen door 269 8, 7 | 7 En zij was schoon van gedaante, en zeer fraai van aanzien, 270 8, 13| zijn zin vernemen, en zijn gedachten verstaan?~ 271 13, 25| die de kracht Gods zullen gedenken, tot in der eeuwigheid; 272 8, 22| 22 Gedenkt wat hij met Abraham al gedaan 273 8, 1 | van Ananias, de zoon van Gedeon, de zoon van Rafam, de zoon 274 9, 2 | oversten hebt gegeven om gedood te worden, en hun leger, 275 12, 20| nooit zo veel op één dag gedronken had, van dat hij geboren 276 4, 16| offerden het brandoffer des gedurigen offers, en de beloften, 277 13, 2 | omdat de maaltijd zeer lang geduurd had; en Judith werd alleen 278 8, 25| grote dorst en heeft ons gedwongen dat wij doen zouden volgens 279 16, 26| zij was in haar tijd zeer geëerd in het gehele land.~ 280 7, 15| nu, roept hen tot u, en geeft de gehele stad over tot 281 10, 15| leven behouden, dewijl gij u gehaast hebt af te komen tot het 282 9, 3 | geijverd, en een gruwel gehad hebben over de bevlekking 283 14, 15| slaven hebben trouweloos gehandeld: een Hebreeuwse vrouw heeft 284 6, 4 | Nabuchodonosor, de heer des gehelen aardrijks, want hij heeft 285 1, 2 | rondom Ecbatana muren van gehouwen stenen, die drie ellen waren 286 6, 2 | Achior, en gij die van Efraïm gehuurd zijt, dat gij heden onder 287 9, 3 | ook met uw ijver hebben geijverd, en een gruwel gehad hebben 288 2, 8 | mitsgaders schapen en ossen en geiten tot hun voorraad, zonder 289 9, 2 | leger, hetwelk hun bedrog gekend had, tot bloed, en hebt 290 11, 7 | hem de mannen van Bethulië gekregen hebben, en hij heeft hun 291 12, 1 | zilverwerk bewaard werd, en hij gelastte dat men haar zou opdissen 292 12, 16| hebben, en hij zocht de gelegene tijd, om haar te verleiden, 293 15, 2 | het gebergte; en die zich gelegerd hadden op het gebergte rondom 294 10, 15| enigen van ons zullen u geleiden, totdat zij u in zijn handen 295 14, 4 | 4 En zij zullen gelijkelijk lopen tot de tent van Holofernes, 296 8, 25| volk uw vernuft bekend, gelijkerwijs ook de bedenking uws harten 297 14, 7 | God Israëls gedaan had, geloofde zeer aan God, en besneed 298 12, 10| daartoe dergenen, die over de gemene zaken waren, en hij zeide 299 2, 11| uitgelezen voetvolk; en veel gemengd volk kwam bij hen, als sprinkhanen, 300 6, 1 | 1 EN als het gemurmel der mannen, die rondom de 301 8, 20| niet gericht worden tot genade, maar de Here, onze God, 302 16, 19| 19 Maar gij zult genadig zijn degenen die u vrezen, 303 8, 24| kastijdt degenen, die hem genaken, tot een waarschuwing.~ 304 5, 11| met plagen, die niet te genezen waren en de Egyptenaars 305 8, 20| zal Judea niet meer zo genoemd worden, en onze heilige 306 9, 1 | het reukwerk van die avond geofferd werd, en Judith riep met 307 8, 15| des mensen, dat hij zou geoordeeld worden.~ 308 9, 2 | die de schoot der maagd geopend hadden tot onreinheid, en 309 2, 8 | als een menigte krijgsvolk geordineerd wordt; en hij nam kemelen 310 6, 2 | dat gij heden onder ons zo geprofeteerd en gezegd hebt, dat wij 311 16, 22| zij God, en toen het volk gereinigd was, offerden zij hun brandofferen 312 5, 18| en de Sychemiet, en al de Gergesenen; en zij hebben in het gebergte 313 8, 20| dienstbaarheid zal niet gericht worden tot genade, maar 314 16, 20| wraak doen, in de dag des gerichts.~ 315 14, 17| 17 En hun geschrei en geroep werd groot in het midden 316 8, 2 | gestorven in de dagen des gerstenoogstes.~ 317 11, 12| van de raad; en het zal geschieden, als hun dit zal geboodschapt 318 1, 9 | Ramesse, en het gehele land Gesem,~ 319 13, 25| opdat gij uw leven niet gespaard hebt, om der vernedering 320 11, 21| nu, gij zijt schoon van gestalte en kloek zijn uw redenen, 321 2, 8 | tot hun voorraad, zonder getal.~ 322 14, 14| geschrei, en gezucht, en sterk getier, en verscheurde zijn klederen.~ 323 7, 17| 17 Wij nemen tegen u tot getuigen de hemel en de aarde, en 324 2, 5 | vervuld worden, en ik zal hun gevangenen voeren tot de uiterste einden 325 5, 21| 21 En zijn gevankelijk weggevoerd in een vreemd 326 13, 25| oprecht voor onze God hebt gewandeld.~ 327 15, 15| alle mannen Israëls volgden gewapend met kransen, en met lofzangen 328 13, 25| 25 Want uw hoop zal niet geweerd worden uit het hart der 329 10, 18| kostelijke stenen was tezamen geweven, en zij boodschapten hem 330 16, 22| hun brandofferen en hun gewillige offeren, en hun gaven.~ 331 16, 14| overlopers hebben zij hen gewond, zij zijn vergaan door het 332 13, 12| gingen tezamen uit, naar haar gewoonte, en door het leger gegaan 333 15, 2 | liepen weg, en vluchtten gezamenlijk op alle wegen van het vlakke 334 3, 1 | 1 EN zij zonden gezanten tot hem met woorden van 335 8, 11| en hebt u in Gods plaats gezet, in het midden van de kinderen 336 12, 16| van de dag af dat hij haar gezien had.~ 337 11, 8 | tenzij dat zij tegen hun God gezondigd hebben.~ 338 14, 14| luider stem, met geschrei, en gezucht, en sterk getier, en verscheurde 339 8, 9 | gesproken had, hoe hij hun gezworen had de stad over te geven 340 16, 23| gaf zij tot een heilige gift voor de Here.~ 341 1, 8 | van de berg Karmel, en van Gilead, en tot Opper-Galilea, en 342 15, 6 | 6 En die van Gileäd en van Galilea sloegen hen 343 1, 6 | volken der kinderen van Gilod kwamen tezamen tot die krijg.~ 344 8, 26| voor ons, want gij zijt een godvrezende vrouw, en de Here zal de 345 16, 19| want alle offerande ten goeden reuk, is een klein ding 346 8, 25| gezegd hebt, dat hebt gij van goeder harte gezegd, en daar is 347 6, 11| Simeon, en Abris, de zoon van Gothoniël, en Charmis, de zoon van 348 8, 14| Here, onze God, niet tot gramschap. Want zo hij in deze vijf 349 13, 7 | nabij komende aan het bed, greep zij het haar van zijn hoofd 350 6, 7 | stonden, dat zij Achior zouden grijpen, en naar Bethulië heenvoeren, 351 15, 15| 15 En nam groene takken in haar handen, en 352 5, 21| tempel huns Gods is tot de grond toe afgeworpen, en hun steden 353 9, 3 | hebben geijverd, en een gruwel gehad hebben over de bevlekking 354 14, 8 | bergs, en de Assyriërs, zo haast zij hen zagen, zonden tot 355 5, 19| God, die ongerechtigheid haat.~ 356 9, 2 | hadden tot schande, (want gij hadt gezegd, het zal zo niet 357 10, 4 | deed haar armringen aan, en halsbanden, en ringen, en oorringen, 358 3, 5 | zijn uw knechten; kom en handel met hen, gelijk het goed 359 9, 18| en striem worde, die zo harde raadslagen genomen hebben 360 10, 16| over de kinderen Israëls om harentwil, en de een zeide tot de 361 15, 11| Israël goed gedaan, en God hebbe een welgevallen daaraan. 362 4, 16| lendenen met zakken omgord hebbende, offerden het brandoffer 363 14, 3 | nemen, en naar hun legers heentrekken, en zullen de hoofdlieden 364 6, 7 | grijpen, en naar Bethulië heenvoeren, en hem overleveren in de 365 16, 16| Here, gij zijt groot en heerlijk, wonderlijk in kracht, en 366 9, 9 | tabernakel der rust van uw heerlijke naam, en met het breekijzer 367 15, 11| Israëls, gij zijt een grote heerlijkheid Israëls. Gij zijt een grote 368 4, 13| tot verwoesting, noch hun heiligdommen tot ontheiliging en smaad, 369 8, 1 | zoon van Oziël, de zoon van Helkia, de zoon van Ananias, de 370 14, 2 | Assur, maar gij zult niet henen afgaan.~ 371 11, 16| gelijk schapen, die geen herder hebben, en daar zal niet 372 10, 7 | en hoe haar aangezicht hersteld en haar kleding veranderd 373 7, 7 | die met krijgswachten, en hijzelf trok weder op naar zijn 374 16, 23| 23 En Judith hing op in de tempel al de vaten 375 14, 8 | morgenstond aanbrak, zo hingen zij het hoofd van Holofernes 376 8, 3 | bond in het veld, en de hitte kwam op zijn hoofd, en hij 377 8, 23| Syrië, als hij de schapen hoedde van Laban, zijns moeders 378 11, 16| hebben, en daar zal niet een hond zijn, die met zijn tong 379 1, 16| maaltijden, hij en zijn leger, honderdentwintig dagen lang.~ 380 2, 7 | zijn heer bevolen had, tot honderdentwintigduizend, en twaalfduizend schutters 381 16, 28| in het huis haars mans, honderdenvijf jaren, en zij stelde haar 382 7, 2 | van strijdbare mannen was honderdenzeventigduizend man te voet, en twaalfduizend 383 7, 10| zij zullen versmelten door honger, zij en hun vrouwen en hun 384 5, 9 | afgetrokken naar Egypte, (want hongersnood had het land Kanaän bedekt) 385 13, 24| heeft tot verwonding des hoofds van de overste onzer vijanden.~ 386 10, 3 | haar hoofd, en zette een hoofdsiersel daarop, en deed haar vreugde-klederen 387 9, 6 | hun heerleger, zij zijn hoogmoedig op hun paarden en ruiters, 388 6, 13| kinderen van Assur; wat hoogmoedige taal Holofernes had gesproken 389 13, 23| gij, o dochter, voor de hoogste God, boven alle vrouwen, 390 5, 5 | zeide tot hem: Mijnheer hoor toch een woord uit de mond 391 9, 9 | breekijzer om te werpen de hoorn van uw altaar.~ 392 7, 8 | zee, en zeiden: Mijn heer hore toch een woord, opdat zijn 393 7, 10| daarom legeren en wacht houden, dat er niet één man uit 394 5, 26| dat men hem in stukken zou houwen, want zeiden zij, wij vrezen 395 16, 21| de pijn tot in eeuwigheid huilen.~ 396 15, 13| en de bekkens, en al zijn huisraad, en zij nam het aan, en 397 7, 20| vrouwen en kinderen naar hun huizen gezonden en zij waren in 398 16, 10| haar haar gebonden in een hulsel, en zij nam een linnen kleding, 399 7, 12| en zonden enigen uit de hunnen tegen het zuiden en het 400 6, 5 | 5 En gij Achior, gij huurling der Ammonieten, die deze 401 4, 9 | 9 En alle inwoners, en huurlingen, en hun lijfeigenen deden 402 1, 6 | aan de Tiger, en aan de Hydaspes, en in het platte land van 403 8, 19| niet zal verachten, noch iemand van ons geslacht.~ 404 6, 4 | zijner rede zullen niet ijdel zijn.~ 405 9, 3 | kinderen, welke ook met uw ijver hebben geijverd, en een 406 4, 6 | 6 Dewijl daardoor de ingang was naar Judea, en het licht 407 4, 5 | van het gebergte zouden inhouden,~ 408 12, 9 | 9 En inkomende, bleef zij rein in de tent, 409 15, 10| 10 En als zij tot haar inkwamen, zegenden zij haar allen 410 2, 13| van Gases, en de kinderen Ismaëls, die daar woonden aan de 411 8, 23| 23 En hoe hij Izaäk verzocht heeft, en wat Jakob 412 2, 15| tot aan de landpalen van Jafet, die tegen het zuiden en 413 8, 23| Izaäk verzocht heeft, en wat Jakob al is overkomen in Mesopotamië 414 5, 18| Kanaäniet, en de Feresiet, en de Jebusiet, en de Sychemiet, en al 415 2, 18| allen die daar woonden tot Jemnaän; en die daar woonden in 416 4, 3 | Bethhoron en Belmen, en Jericho, en naar Choba, en Esora, 417 13, 6 | mijner handen, tot verhoging Jeruzalems, want het is nu de rechte 418 15, 9 | 9 En Joachim, de hogepriester, en de 419 12, 12| en zeide: Dat de schone jonkvrouw zich niet bezware zelf tot 420 8, 1 | zoon van Ors, de zoon van Jozef, de zoon van Oziël, de zoon 421 14, 6 | zijt gij in alle tenten van Juda, en onder alle volken; die 422 8, 9 | 9 En Judithl hoorde de kwade woorden 423 14, 6 | ophield van spreken, zo juichte het volk met luider stem, 424 16, 13| 13 Toen juichten mijn nederigen, en riepen 425 13, 8 | Israëls, op deze dag.~ groot~kaartje ~ ~ 426 1, 9 | Bethane, en Chellus, en Kades, en de rivier van Egypte, 427 5, 13| weg van de berg Sinaï, en Kades-Barneä en zij hebben verdreven 428 12, 1 | men haar brengen zou in de kamer waar zijn zilverwerk bewaard 429 12, 10| hij zeide tot Bagoas de kamerling, welke over alles gesteld 430 10, 17| 17 En de kamerlingen van Holofernes, en al zijn 431 8, 25| is niemand die uw woorden kan tegenstaan. Want uw wijsheid 432 5, 18| van voor hun aangezicht de Kanaäniet, en de Feresiet, en de Jebusiet, 433 5, 3 | Zegt mij toch, gij kinderen Kanaäns, wat volk dit is, dat zich 434 1, 8 | tot de volken van de berg Karmel, en van Gilead, en tot Opper-Galilea, 435 8, 24| niet over ons, maar de Here kastijdt degenen, die hem genaken, 436 1, 16| 16 En hij keerde met hen weder naar Nineve, 437 2, 8 | geordineerd wordt; en hij nam kemelen en ezelen tot hun bagage, 438 5, 8 | aangebeden, de God die zij kenden, en die hebben hen verdreven 439 14, 6 | Ammoniet, opdat hij zie en kenne degene, die het huis Israëls 440 4, 8 | zij en hun vrouwen en hun kleine kinderen, en hun beesten.~ 441 9, 15| gij zijt een helper der kleinen, een aannemer der zwakken, 442 7, 10| naaste spitsen der bergen klimmen, en zullen ons daarom legeren 443 14, 11| En Bagoas ging binnen, en klopte aan de voorzaal der tent:,~ 444 9, 13| bedriegelijke lippen de knecht met de overste, en de overste 445 14, 9 | tot hun krijgsoversten en kolonels, en tot een ieder die over 446 12, 10| bij u is, dat zij bij ons kome, en met ons ete en drinke.~ 447 2, 11| het zand der aarde, en men kon hen niet tellen vanwege 448 2, 6 | leef, en de macht mijns koninkrijks, al wat ik gesproken heb, 449 3, 4 | onze plaatsen, en al onze korenvelden, en al ons klein en groot 450 15, 8 | gebergte en op het vlakke veld kregen veel buit, want daar was 451 1, 16| een zeer grote menigte van krijgslieden; en hij was daar ledig, 452 7, 2 | twaalfduizend te paard, behalve de krijgsrusting; en daar was een zeer grote 453 14, 2 | een iegelijk van u zijn krijgsuitrusting nemen, en gij allen, die 454 7, 7 | ze in, en bezette die met krijgswachten, en hijzelf trok weder op 455 15, 15| die bij haar waren, en zij kroonden zich en degenen, die bij 456 10, 5 | lederen fles met wijn, en een kruik met olie, en vulde een male 457 16, 2 | met cimbalen, en dicht Hem kunstig een nieuwe Psalm; verheft, 458 2, 2 | met zijn eigen mond al het kwaad van dat land.~ 459 7, 3 | onder Bethulië, tot aan Kyamon, hetwelk ligt tegenover 460 15, 13| spande haar wagens in, en zij laadde dat op dezelve.~ 461 8, 23| hij de schapen hoedde van Laban, zijns moeders broeder,~ 462 3, 9 | het land dat rondom hen lag, ontvingen hem met kransen, 463 10, 18| en hem werden zilveren lampen voorgedragen.~ 464 3, 4 | 4 Ziet, al onze landhuizen, en al onze plaatsen, en 465 1, 7 | Antilibanon, en allen die woonden langs de vlakte van de zeekant,~ 466 9, 6 | hopen op hun schilden en lansen, en bogen, en slingers, 467 7, 4 | heuvelen zullen onder deze last kunnen bestaan.~ 468 11, 10| de hand te slaan aan hun lastbeesten, en hebben besloten tot 469 12, 11| wij zodanige vrouw zouden laten gaan, zonder gemeenschap 470 10, 5 | gaf haar dienstmaagd een lederen fles met wijn, en een kruik 471 11, 1 | bevreesd, want ik heb geen mens leed gedaan, die Nabuchodonosor, 472 2, 6 | land; want zo zeker als ik leef, en de macht mijns koninkrijks, 473 7, 10| klimmen, en zullen ons daarom legeren en wacht houden, dat er 474 7, 20| doen scheiden elk naar zijn legerplaats, en zij zijn naar de muren 475 11, 15| 15 En ik zal u leiden door het midden van Judea, 476 15, 15| het ganse volk in de rei, leidende al de vrouwen, en alle mannen 477 7, 8 | kinderen Ezau's, en al de leidslieden der Moabieten, en de krijgsoversten 478 5, 3 | hen opgestaan is, die een leidsman is van hun leger.~ 479 16, 27| bekende haar al de dagen haars levens, van de dag dat haar man 480 10, 15| u in zijn handen zullen leveren.~ 481 1, 7 | Damaskus woonden, en op de berg Libanon en Antilibanon, en allen 482 13, 16| zij ontstaken vuur om te lichten, en omringden haar.~ 483 6, 9 | des bergs geworpen hadden, lieten zij hem daar liggen, en 484 9, 3 | buit tot verdeling onder uw lieve kinderen, welke ook met 485 7, 8 | zijn heerleger geen afbreuk lijde,~ 486 8, 26| en wij niet meer gebrek lijden.~ 487 8, 25| harten goed is, maar het volk lijdt grote dorst en heeft ons 488 4, 9 | inwoners, en huurlingen, en hun lijfeigenen deden zakken aan hun lendenen.~ 489 12, 6 | en Holofernes beval zijn lijfwachten, dat zij haar niet verhinderden.~ 490 2, 12| bij de berg die aan de linkerzijde ligt van Opper-Cilicië, 491 16, 10| een hulsel, en zij nam een linnen kleding, om hem te bedriegen.~ 492 9, 13| Sla met mijn bedriegelijke lippen de knecht met de overste, 493 16, 2 | Judith zeide: Begint de lof mijns Heren met tambourijn; 494 15, 15| gewapend met kransen, en met lofzangen in hun monden.~ 495 14, 4 | En zij zullen gelijkelijk lopen tot de tent van Holofernes, 496 6, 10| hun stad, en maakten hem los, en brachten hem binnen 497 2, 13| En hij vernielde Pud en Lud, en beroofde alle kinderen 498 9, 19| 19 En maak, dat men onder al uw volk 499 1, 16| was daar ledig, en hield maaltijden, hij en zijn leger, honderdentwintig 500 16, 8 | dochter van Merari, heeft hem machteloos gemaakt, door de schoonheid 501 11, 6 | geheel het koninkrijk, en machtig in wetenschap, en wonderlijk 502 2, 7 | zijns heren, en riep al de machtigen, en de krijgsoversten, en


aanbi-macht | make-zwoer

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License