aanbi-macht | make-zwoer
Chapter, Verse
503 10, 8 | God, de God onzer vaderen, make u aangenaam, en volbreng
504 5, 10| hen door arbeid, en door maken van tichelstenen, en vernederde
505 6, 11| en Charmis, de zoon van Malchiël.~
506 10, 5 | kruik met olie, en vulde een male met meel, en met vijgen,
507 7, 13| hun te drinken in zekere mate. En hun jonge kinderen versmachtten,
508 6, 17| 17 En Ozias nam hem mee uit de vergadering in zijn
509 10, 5 | olie, en vulde een male met meel, en met vijgen, en reine
510 13, 15| tezamen van de minste tot de meeste, want het dacht hun vreemd,
511 1, 10| van het gebergte Tanis en Memfis, en tot allen, die in Egypte
512 7, 13| omsingeld hadden en daar geen middel was om hun te ontvluchten;
513 12, 5 | tent, en zij sliep tot de middernacht; en zij stond op tegen de
514 2, 16| omringde al de kinderen van Midian, en verbrandde hun woonhutten,
515 5, 5 | kinderen Ammons, zeide tot hem: Mijnheer hoor toch een woord uit
516 6, 11| waren Ozias, de zoon van Mika, uit de stam Simeon, en
517 13, 15| liepen allen tezamen van de minste tot de meeste, want het
518 5, 23| nu, heersende heer, zo er misdaad in dit volk is, en zo zij
519 1, 12| de inwoners van het land Moab, en de kinderen van Ammon,
520 6, 1 | uitlanders en tot alle kinderen Moabs:~
521 7, 12| die is omtrent de beek Mochmor; en het overige leger der
522 12, 15| daarop nederzitten, en eten mocht; en Judith kwam in, en zat
523 8, 23| hoedde van Laban, zijns moeders broeder,~
524 5, 24| opdat hun Here hen niet mogelijk bescherme, en hun God vóór
525 8, 25| zouden brengen, die wij niet mogen overtreden.~
526 15, 15| en met lofzangen in hun monden.~
527 12, 5 | en zij stond op tegen de morgenwake.~
528 15, 13| en zij legde het op haar muilezel en zij spande haar wagens
529 5, 25| spreken, dat al het volk murmureerde, hetwelk de tent omringde
530 14, 8 | hoofd van Holofernes van de muur uit, en alle mannen Israëls
531 1, 2 | en maakte de hoogte des muurs zeventig ellen, en zijn
532 4, 6 | uiterlijk voor twee mannen naast elkander.~
533 15, 2 | voor het aanschijn zijns naasten, maar liepen weg, en vluchtten
534 8, 7 | Manasse haar man had haar nagelaten goud en zilver, en knechten
535 2, 3 | het bevel zijns monds niet nagevolgd waren.~
536 8, 27| geslacht zal komen tot onze nakomelingen.~
537 8, 1 | zoon van Eliab, de zoon van Nathanaël, de zoon van Salamiël, de
538 13, 21| ontzette zich zeer, en zich nederbuigende, aanbaden zij God.~
539 14, 2 | tegen hen, als of gij wildet nederdalen in het veld, tegen de eerste
540 7, 10| over hen komt, zullen zij nedergeveld worden op de straten hunner
541 5, 22| hebben zich te Jeruzalem nedergezet, waar hun heiligdom is,
542 14, 10| de slaven durven tot ons nederkomen in de krijg, opdat zij geheel
543 14, 5 | Israëls wonen, en zult hen nedervellen in hun wegen.~
544 6, 10| kinderen Israëls kwamen nederwaarts tot hem uit hun stad, en
545 12, 15| gebruik, opdat zij daarop nederzitten, en eten mocht; en Judith
546 11, 4 | En Judith zeide tot hem: Neem de woorden uwer dienstmaagd
547 14, 1 | Hoort mij nu broeders, en neemt dit hoofd, en hangt dat
548 7, 14| wij voor hun ogen moeten neergeveld worden door dorst en groot
549 5, 14| 14 En zij hebben zich neergezet in het land der Ammorieten.~
550 8, 12| maar zult in der eeuwigheid niets verstaan.~
551 12, 20| zeer veel wijn, zodat hij nooit zo veel op één dag gedronken
552 16, 4 | uit de gebergten van het noorden;~
553 2, 1 | Assyriërs, van wraak te oefenen over het ganse land, gelijk
554 16, 19| die u vrezen, want alle offerande ten goeden reuk, is een
555 16, 22| brandofferen en hun gewillige offeren, en hun gaven.~
556 4, 16| brandoffer des gedurigen offers, en de beloften, en de vrijwillige
557 2, 18| die daar woonden te Sur en Okina, en allen die daar woonden
558 15, 15| die bij haar waren met olijftakken. En zij ging voor het ganse
559 4, 16| hun lendenen met zakken omgord hebbende, offerden het brandoffer
560 7, 13| dewijl al hun vijanden hen omsingeld hadden en daar geen middel
561 7, 12| hetwelk ligt bij Chus, die is omtrent de beek Mochmor; en het
562 11, 9 | vertoornen, zo wanneer zij deze onbehoorlijkheid zullen hebben begaan.~
563 8, 24| vuur beproefd heeft tot onderzoeking huns harten, zo wreekt hij
564 8, 12| 12 En gij onderzoekt nu de Here, de Almachtige,
565 8, 20| Here, onze God, zal ze tot oneer zetten.~
566 2, 5 | zij het woord mijns monds ongehoorzaam zijn geweest; en zult hen
567 2, 6 | 6 Maar de ongehoorzamen zal uw oog niet sparen,
568 4, 2 | huns Gods, want zij waren onlangs wedergekomen uit de gevangenis,
569 14, 6 | zijn aangezicht, en is in onmacht gevallen; maar als zij hem
570 7, 13| dat gij zulk een groot onrecht ons hebt aangedaan, en geen
571 9, 2 | maagd geopend hadden tot onreinheid, en de dij ontbloot hadden
572 2, 5 | zijn geweest; en zult hen ontbieden, dat zij mij aarde en water
573 9, 2 | tot onreinheid, en de dij ontbloot hadden tot schaamte, en
574 9, 1 | legde as op haar hoofd, en ontblootte de zak, die zij aan had,
575 7, 13| dagen lang, en de watervaten ontbraken aan al de inwoners van Bethulië
576 11, 10| Want dewijl hun de spijs ontbroken heeft, en al het water zeer
577 5, 9 | menigte, en hun geslacht was ontelbaar.~
578 6, 15| zie op hun hoogmoed, en ontferm u over de vernedering van
579 9, 8 | voorgenomen uw heiligdom te ontheiligen,~
580 7, 4 | menigte zagen, werden zeer ontroerd, en de een zeide tot de
581 12, 2 | opdat geen aanstoot daaruit ontsta, maar uit hetgeen mij volgt,
582 6, 6 | geen mijner woorden zal ontvallen.~
583 7, 13| geen middel was om hun te ontvluchten; en het gehele leger der
584 16, 16| wonderlijk in kracht, en onverwinnelijk.~
585 9, 5 | wegen zijn bereid, en uw oordeel is u tevoren bekend.~
586 2, 3 | 3 En deze oordeelden, dat men zou uitroeien al
587 5, 20| voorgesteld, zijn zij door vele oorlogen zeer verwoest geworden.~
588 10, 4 | halsbanden, en ringen, en oorringen, en al haar sieraad, en
589 8, 18| dagen is geschied, om welke oorzaak onze vaders ten zwaard en
590 7, 12| tegen het zuiden en het oosten, tegenover Ekrebel, hetwelk
591 12, 1 | gelastte dat men haar zou opdissen van zijn spijs, en dat zij
592 8, 25| wijsheid is heden niet eerst openbaar, maar van het begin uwer
593 10, 9 | dat mij de poort der stad opengedaan worde en ik zal uitgaan
594 14, 2 | aanlichten, en de zon op aarde opgaan, zo zal een iegelijk van
595 14, 8 | uit met benden tot aan de opgang des bergs, en de Assyriërs,
596 11, 2 | mijn spies tegen hem niet opgeheven hebben, doch zij zelf hebben
597 12, 4 | uw dienstmaagd zal niet opgeteerd hebben hetgeen ik bij mij
598 5, 3 | dat zich op dit gebergte ophoudt, en wat steden het zijn
599 6, 8 | slinger wierpen beletten hun opkomst, en wierpen op hen met stenen.~
600 12, 8 | 8 En als zij weder opkwam, bad zij de Here, de God
601 8, 8 | die haar enige kwade zaak oplegde, want zij vreesde God zeer.~
602 10, 16| Holofernes, en daar kwam een oploop door het gehele leger, want
603 2, 12| de linkerzijde ligt van Opper-Cilicië, en hij nam zijn geheel
604 1, 8 | Karmel, en van Gilead, en tot Opper-Galilea, en het grote veld Esdrelon.~
605 13, 25| tegengegaan, dewijl gij oprecht voor onze God hebt gewandeld.~
606 12, 8 | haar weg richten wilde, tot oprichting van de kinderen haars volks.~
607 7, 4 | aanschijn van het gehele land opslikken, en noch de hoge bergen,
608 16, 20| die tegen mijn geslacht opstaan, de Here, de almachtige,
609 10, 2 | 2 Dat zij opstond van haar voetval en riep
610 14, 3 | het leger der Assyriërs opwekken.~
611 1, 5 | machtige legers, en tot de ordeningen van zijn voetvolk.~
612 8, 1 | van Merari, de zoon van Ors, de zoon van Jozef, de zoon
613 2, 8 | menigte; mitsgaders schapen en ossen en geiten tot hun voorraad,
614 16, 28| zeer groot, en zij werd oud in het huis haars mans,
615 10, 16| goed dat één man van hen overblijve, welke overgelaten zijnde
616 11, 12| gedaan), die hun zouden overbrengen de toelating van de raad;
617 4, 13| hun jonge kinderen niet overgave tot een roof, en hun vrouwen
618 10, 16| van hen overblijve, welke overgelaten zijnde het gehele land door
619 1, 13| jaar, en hij verkreeg de overhand in deze zijn krijg en versloeg
620 7, 12| de beek Mochmor; en het overige leger der Assyriërs legde
621 15, 8 | de slag, vermeesterden de overigen; en de vlekken en de steden
622 6, 7 | Bethulië heenvoeren, en hem overleveren in de handen der kinderen
623 16, 14| doorstoken, en als kinderen der overlopers hebben zij hen gewond, zij
624 4, 4 | tot voorraad van de krijg, overmits hun velden kort tevoren
625 12, 10| toebehoorde: Ga toch heen en overreed de Hebreeuwse vrouw die
626 2, 18| vrees en beving voor hem overviel degenen, die aan de zee
627 2, 5 | waterbeken vullen, en de overvloeiende rivier zal met hun doden
628 5, 23| zullen wij opklimmen en hen overweldigen.~
629 11, 8 | wraak genomen, en het zwaard overweldigt het niet, tenzij dat zij
630 1, 10| 10 Totdat men komt aan de overzijde van het gebergte Tanis en
631 8, 1 | zoon van Jozef, de zoon van Oziël, de zoon van Helkia, de
632 8, 15| Here, onze God, niet ten pand, want God is niet als een
633 16, 12| 12 De Perzen beefden voor haar stoutheid,
634 1, 7 | Assyriërs, zond tot allen die in Perzië woonden, en tot allen die
635 1, 15| doorschoot hem met zijn pijlen, en verdierf hem tot die
636 16, 21| geven, en zij zullen door de pijn tot in eeuwigheid huilen.~
637 13, 10| nam het behangsel van de pilaren weg.~
638 8, 11| verzocht, en hebt u in Gods plaats gezet, in het midden van
639 5, 11| sloeg gans Egypteland met plagen, die niet te genezen waren
640 1, 6 | aan de Hydaspes, en in het platte land van Arioch, de koning
641 6, 16| zij vertroostten Achior en prezen hem zeer.~
642 16, 2 | dicht Hem kunstig een nieuwe Psalm; verheft, en roept zijn
643 2, 13| 13 En hij vernielde Pud en Lud, en beroofde alle
644 10, 18| een behangsel, hetwelk van purper, en goud, en smaragden,
645 2, 4 | geschiedde, als hij zijn raadslag geëindigd had, zo riep Nabuchodonosor,
646 8, 1 | van Gedeon, de zoon van Rafam, de zoon van Akitho, de
647 11, 11| de handen betaamt aan te raken.~
648 1, 9 | van Egypte, en Tafnesa, en Ramesse, en het gehele land Gesem,~
649 13, 6 | Jeruzalems, want het is nu de rechte tijd, om uw erve te hulp
650 7, 13| al de oversten: God zij rechter tussen ons en tussen u,
651 7, 18| 18 En daar rees een groot en eendrachtig
652 8, 26| vrouw, en de Here zal de regen zenden, opdat onze waterbakken
653 3, 9 | ontvingen hem met kransen, reien en trommels.~
654 12, 9 | En inkomende, bleef zij rein in de tent, totdat men haar
655 10, 5 | meel, en met vijgen, en reine broden, en bond al haar
656 5, 8 | hun vreemdelingschap, en reizen naar het land Kanaän, en
657 16, 19| alle offerande ten goeden reuk, is een klein ding voor
658 9, 1 | Jeruzalem in het huis Gods het reukwerk van die avond geofferd werd,
659 16, 8 | niet verslagen, en de grote reuzen hebben hem niet aangegrepen,
660 10, 19| en zijn dienstknechten richtten haar op.~ ~ ~
661 10, 4 | armringen aan, en halsbanden, en ringen, en oorringen, en al haar
662 5, 12| 12 En God heeft de Rode zee voor hen uitgedroogd.~
663 15, 4 | uitvallen, om hen uit te roeien.~
664 9, 6 | hun paarden en ruiters, en roemen op de arm van hun voetvolk.
665 10, 1 | geschiedde toen zij ophield van roepen tot de God Israëls, en al
666 14, 15| sprong tot het volk uit roepende: Die slaven hebben trouweloos
667 16, 28| Israëls droeg zeven dagen lang rouw over haar.~
668 10, 16| want haar aankomst werd ruchtbaar door de tenten. En zij kwamen
669 5, 4 | 4 En waarom zij mij de rug toegekeerd hebben, dat zij
670 9, 9 | bevlekken de tabernakel der rust van uw heerlijke naam, en
671 10, 18| 18 En Holofernes rustte op zijn bed onder een behangsel,
672 8, 6 | alleen de dagen voor de sabbat en de sabbatdagen, en de
673 8, 6 | dagen voor de sabbat en de sabbatdagen, en de dagen voor de nieuwe
674 10, 2 | ophield in de dagen der sabbatten, en in haar feestdagen,
675 8, 1 | van Nathanaël, de zoon van Salamiël, de zoon van Sarasadaï,
676 4, 3 | en Esora, en naar het dal Salem, en zij namen al de spitsen
677 1, 9 | 9 En tot allen die in Samaria waren, en tot hun steden,
678 4, 3 | in de ganse landpale van Samarië, en in de vlekken, en naar
679 8, 1 | van Salamiël, de zoon van Sarasadaï, de zoon van Israël.~
680 8, 9 | kleinmoedig waren vanwege de schaarsheid des waters; en Judith hoorde
681 9, 16| hemels en der aarde, gij schepper der wateren, gij Koning
682 16, 17| 17 Dat al uw schepsel u diene, want gij hebt het
683 9, 16| wateren, gij Koning van al uw schepselen,~
684 2, 17| hun jonge mannen met de scherpte des zwaards.~
685 14, 16| deze woorden hoorden, zo scheurden zij hun klederen, en hun
686 9, 6 | voetvolk. Zij hopen op hun schilden en lansen, en bogen, en
687 8, 3 | stond bij degene die de schoven bond in het veld, en de
688 4, 5 | dagen te Jeruzalem was, schreef aan de inwoners van Bethulië,
689 2, 7 | honderdentwintigduizend, en twaalfduizend schutters te paard;~
690 3, 14| zijn leger tussen Gaba en Scythopolis, en hij was daar een ganse
691 2, 18| woonden, die daar waren in Sidon en Tyrus, en die daar woonden
692 5, 13| naar de weg van de berg Sinaï, en Kades-Barneä en zij
693 9, 18| tegen de spits des bergs Sion, en tegen het huis der bezitting
694 15, 6 | sloegen hen met een grote slachting, totdat zij voorbij Damaskus
695 15, 8 | wedergekeerd zijnde van de slag, vermeesterden de overigen;
696 1, 13| hij is met zijn macht in slagorden getrokken tegen de koning
697 6, 8 | toe, en allen die met de slinger wierpen beletten hun opkomst,
698 9, 6 | en lansen, en bogen, en slingers, en weten niet, dat gij
699 13, 1 | dienstknechten om te scheiden, Bagoas sloot de tent van buiten toe,
700 10, 18| van purper, en goud, en smaragden, en kostelijke stenen was
701 15, 13| op haar muilezel en zij spande haar wagens in, en zij laadde
702 2, 6 | ongehoorzamen zal uw oog niet sparen, gij zult hen overgeven
703 16, 28| zij begroeven haar in de spelonk van haar man Manasse, en
704 11, 2 | veracht had, ik zou mijn spies tegen hem niet opgeheven
705 7, 9 | verlaat zich niet op hun spiesen, maar op de hoogte van hun
706 13, 7 | 7 En zij ging naar de sponde van het bed, die aan Holofernes'
707 8, 20| een aanstoot en tot een spot zijn voor degenen, die ons
708 7, 13| riepen met luider stem en spraken tot al de oversten: God
709 12, 15| dienstmaagd kwam toe, en spreidde voor haar, recht over Holofernes,
710 4, 11| bestrooiden hun hoofden met as, en spreidden hun zakken uit voor het
711 2, 11| gemengd volk kwam bij hen, als sprinkhanen, en als het zand der aarde,
712 14, 15| en vond haar niet, en hij sprong tot het volk uit roepende:
713 14, 1 | uit, op de tinne van onze stadsmuur.~
714 13, 14| om af te komen naar hun stadspoort, en zij riepen de oudsten
715 7, 13| en zij vielen neder op de stadsstraten, en in de doorgangen der
716 13, 11| Holofernes over, en die stak het in de zak harer spijs.~
717 3, 4 | klein en groot vee, en al de stallen onzer woningen liggen open
718 2, 16| woonhutten, en beroofde hun stallingen,~
719 9, 19| onder al uw volk en alle stammen wete en bevinde, dat gij
720 7, 19| laat ons nog vijf dagen standvastig blijven, waarin de Here
721 16, 18| wateren bewogen worden, de steenrotsen zullen van uw aangezicht,
722 8, 15| 15 Doch stelt gij de raadslagen van de
723 8, 21| huis Gods, en het altaar steunt op ons. Boven dit alles,
724 3, 14| was daar een ganse maand stil, opdat hij al de bagage
725 11, 16| 16 En ik zal uw stoel in het midden van hen zetten,
726 16, 12| Perzen beefden voor haar stoutheid, en de Meden ontzetten zich
727 7, 3 | Bethulië aan de fontein, en zij strekten zich uit in de breedte naar
728 9, 18| bedrog hun tot een wonde en striem worde, die zo harde raadslagen
729 5, 26| bewoonden, zeiden dat men hem in stukken zou houwen, want zeiden
730 2, 18| en die daar woonden te Sur en Okina, en allen die daar
731 5, 18| Feresiet, en de Jebusiet, en de Sychemiet, en al de Gergesenen; en
732 6, 13| van Assur; wat hoogmoedige taal Holofernes had gesproken
733 9, 9 | 9 En te bevlekken de tabernakel der rust van uw heerlijke
734 1, 9 | de rivier van Egypte, en Tafnesa, en Ramesse, en het gehele
735 15, 15| 15 En nam groene takken in haar handen, en gaf ook
736 16, 2 | Begint de lof mijns Heren met tambourijn; zing mijn Here met cimbalen,
737 1, 10| overzijde van het gebergte Tanis en Memfis, en tot allen,
738 2, 17| Damaskus, in de dagen van de tarweoogst, en hij verbrandde al hun
739 13, 25| geslacht, maar zijt onze val tegengegaan, dewijl gij oprecht voor
740 12, 13| ben ik, die mijn heer zou tegenspreken?~
741 8, 25| niemand die uw woorden kan tegenstaan. Want uw wijsheid is heden
742 2, 7 | leger der Assyriërs, en telde uitgelezen mannen tot de
743 2, 11| aarde, en men kon hen niet tellen vanwege hun menigte.~
744 11, 8 | zwaard overweldigt het niet, tenzij dat zij tegen hun God gezondigd
745 16, 13| verhieven hun stem, en zij zijn teruggekeerd.~
746 11, 9 | nu, opdat mijn heer niet tevergeefs en zonder iets uit te richten
747 9, 18| verbond, en tegen uw geheiligd thuis, en tegen de spits des bergs
748 5, 10| arbeid, en door maken van tichelstenen, en vernederde hen, en maakte
749 11, 11| eerstelingen van koren, en de tienden van wijn en van olie, welke
750 1, 6 | aan de Eufraat, en aan de Tiger, en aan de Hydaspes, en
751 15, 11| Almachtige Here, ten eeuwigen tijde, en al het volk zeide: Het
752 14, 1 | en hangt dat uit, op de tinne van onze stadsmuur.~
753 16, 8 | mannen, en de kinderen der Titanen hebben hem niet verslagen,
754 12, 10| alles gesteld was dat hem toebehoorde: Ga toch heen en overreed
755 2, 5 | mij aarde en water zullen toebereiden, daar ik tegen hen zal uittrekken
756 4, 6 | opklimmen zouden, daar de toegang eng was, en uiterlijk voor
757 12, 2 | hetgeen mij volgt, zal mij toegediend worden.~
758 5, 4 | En waarom zij mij de rug toegekeerd hebben, dat zij mij niet
759 14, 7 | werd tot het huis Israëls toegevoegd tot op deze dag.~
760 9, 4 | dingen die nu zijn, en die toekomende zijn, en, die dingen, die
761 12, 6 | heer beveel toch, dat men toelate dat zijn dienstmaagd tot
762 11, 12| hun zouden overbrengen de toelating van de raad; en het zal
763 7, 12| hun tenten, en hun andere toerustingen legerden zij in grote hopen,
764 11, 16| hond zijn, die met zijn tong tegen u zal bassen;~
765 3, 12| alleen zouden dienen, en alle tongen, en al hun geslachten hem
766 13, 19| Holofernes uit de zak, en toonde het, en zeide tot hen: Ziet
767 5, 2 | 2 En hij werd zeer toornig, en hij riep al de oversten
768 3, 9 | hem met kransen, reien en trommels.~
769 9, 2 | en de geweldigen op hun tronen.~
770 1, 12| land; en hij zwoer bij zijn troon en zijn koninkrijk, dat
771 14, 15| roepende: Die slaven hebben trouweloos gehandeld: een Hebreeuwse
772 1, 1 | 1 IN het twaalfde jaar van het koninkrijk
773 2, 1 | het achttiende jaar, op de tweeëntwintigste dag der eerste maand, werd
774 13, 9 | 9 En zij sloeg tweemaal in zijn hals met al haar
775 2, 5 | betrouwen, tot honderd en twintig duizend voetknechten, en
776 2, 18| die daar waren in Sidon en Tyrus, en die daar woonden te
777 4, 6 | daar de toegang eng was, en uiterlijk voor twee mannen naast elkander.~
778 2, 5 | gevangenen voeren tot de uiterste einden der ganse aarde.
779 12, 6 | dienstmaagd tot het gebed uitga; en Holofernes beval zijn
780 13, 4 | slaapkamer zou staan, en haar uitgang waarnemen, gelijk dagelijks
781 5, 12| heeft de Rode zee voor hen uitgedroogd.~
782 14, 6 | van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij met hen
783 5, 15| hebben al de Esebonieten uitgeroeid door hun sterkte.~
784 11, 7 | aangezegd alles wat hij voor u uitgesproken heeft. Daarom, heersende
785 6, 1 | voor het ganse volk der uitlanders en tot alle kinderen Moabs:~
786 2, 3 | oordeelden, dat men zou uitroeien al degenen, die het bevel
787 2, 5 | der ganse aarde. Doch gij, uittrekkende zult tevoren al hun landpalen
788 15, 4 | allen op de vijanden zouden uitvallen, om hen uit te roeien.~
789 11, 4 | God de zaak met u volkomen uitvoeren, en mijn heer zal niet vervallen
790 13, 6 | aller kracht, zie te dezer ure aan de werken mijner handen,
791 2, 5 | hun gekwetsten zullen hun valleien en waterbeken vullen, en
792 13, 7 | was, en zij nam zijn sabel vandaar, en nabij komende aan het
793 3, 8 | 8 En bezette de vaste steden, en nam daaruit krijgsvolk
794 8, 13| doorgronden, en kunt niet vatten de woorden zijner bedenking,
795 1, 5 | dezer poorten breedte van veertig ellen, tot de uittocht van
796 12, 15| Holofernes, op de aarde, de vellen, die zij van Baogas ontvangen
797 1, 11| de inwoners dezes lands verachtten het woord van Nabuchodonosor,
798 10, 7 | hersteld en haar kleding veranderd was, zo verwonderden zij
799 16, 13| mijn zwakken, en zij zijn verbaasd geworden; die verhieven
800 12, 7 | 7 En zij verbleef in het leger drie dagen,
801 11, 10| hetgeen God in zijn wetten hun verboden heeft te eten.~
802 9, 18| genomen hebben tegen uw verbond, en tegen uw geheiligd thuis,
803 2, 2 | en hij stelde hun voor de verborgenheid van zijn raad, en hij verhaalde
804 16, 6 | dat hij mijn landpalen zou verbranden, en dat hij mijn jonge mannen
805 9, 3 | gevangenis, en al de buit tot verdeling onder uw lieve kinderen,
806 1, 15| hem met zijn pijlen, en verdierf hem tot die dag toe.~
807 11, 20| die mijn heer verachten, verdorven worden.~
808 4, 14| verhoorde hun stem, en zag hun verdrukking aan.~
809 16, 14| zij hen gewond, zij zijn vergaan door het heer des Heren,
810 7, 10| woning. En gij zult hun zware vergelding doen, omdat zij tegen u
811 7, 17| Here onzer vaderen, die ons vergeldt naar onze misdaden, en naar
812 14, 6 | zullen zich ontzetten; en nu, verhaal mij al hetgeen gij in deze
813 5, 5 | en ik zal u de waarheid verhalen van dit volk, dat nabij
814 12, 12| om door zijn aanschijn verheerlijkt te worden, en met ons tot
815 16, 2 | kunstig een nieuwe Psalm; verheft, en roept zijn naam aan.~
816 12, 14| doen; en dit zal mij een verheuging zijn, tot aan de dag mijns
817 14, 6 | volk met luider stem, en verhief een stem van vreugde in
818 16, 13| zijn verbaasd geworden; die verhieven hun stem, en zij zijn teruggekeerd.~
819 12, 6 | lijfwachten, dat zij haar niet verhinderden.~
820 4, 14| 14 En de Here verhoorde hun stem, en zag hun verdrukking
821 8, 16| hulp, en Hij zal onze stem verhoren, indien het hem behagelijk
822 11, 6 | uws harten, en het wordt verkondigd in het gehele aardrijk,
823 11, 14| aanbidden, en Hij zal mij verkondigen wanneer zij hun zonden zullen
824 10, 16| hij zal u weldoen. En zij verkozen uit zich honderd mannen,
825 1, 13| zeventiende jaar, en hij verkreeg de overhand in deze zijn
826 14, 6 | gevallen; maar als zij hem verkwikt hadden viel hij aan de voeten
827 7, 9 | van de kinderen Israëls verlaat zich niet op hun spiesen,
828 7, 19| ons tot het einde toe niet verlaten.~
829 13, 20| mijn aangezicht hem heeft verleid tot zijn verderf, en hij
830 12, 16| gelegene tijd, om haar te verleiden, van de dag af dat hij haar
831 6, 3 | en hun God zal hen niet verlossen, maar wij die zijn knechten
832 8, 16| Daarom laat ons op zijn verlossing wachten, en hem aanroepen
833 16, 3 | het midden des volks, mij verlost, uit de hand dergenen, die
834 11, 21| Nabuchodonosor wonen, en gij zult vermaard zijn door het gehele land.~
835 1, 13| ruiterij en zijn wagenen, en vermeesterde zijn steden.~
836 15, 8 | wedergekeerd zijnde van de slag, vermeesterden de overigen; en de vlekken
837 14, 12| 12 Want hij vermoedde, dat hij bij Judith sliep.~
838 13, 2 | bedden, want zij waren allen vermoeid, omdat de maaltijd zeer
839 9, 15| niet in de menigte, noch uw vermogen in de geweldigen, maar gij
840 16, 3 | een God, die de krijgen vermorzelt: want hij heeft in zijn
841 5, 10| maken van tichelstenen, en vernederde hen, en maakte hen tot slaven.~
842 8, 13| onderzoeken, en zijn zin vernemen, en zijn gedachten verstaan?~
843 8, 25| dagen heeft al het volk uw vernuft bekend, gelijkerwijs ook
844 11, 6 | wijsheid gehoord, en van de vernuftige daden uws harten, en het
845 11, 3 | daar is niemand die u zal verongelijken, maar een ieder zal u weldoen,
846 4, 8 | God met grote ernst, en verootmoedigden hun zielen met grote ernst,
847 10, 13| en het gehele gebergte veroveren, en van zijn mannen zal
848 9, 6 | Here zijt, die de krijgen verplettert; Here is uw naam.~
849 13, 13| 13 En Judith zeide van verre tot degenen, die de wacht
850 15, 7 | Assyriërs en beroofden hen, en verrijkten zich daarbij zeer.~
851 14, 14| gezucht, en sterk getier, en verscheurde zijn klederen.~
852 16, 8 | Titanen hebben hem niet verslagen, en de grote reuzen hebben
853 7, 16| onze vrouwen en kinderen versmachten.~
854 7, 13| mate. En hun jonge kinderen versmachtten, en hun vrouwen en jongelingen
855 1, 12| Nabuchodonosor werd zeer verstoord tegen al dat land; en hij
856 3, 10| 10 En hij verstoorde al hun landpalen en hieuw
857 16, 5 | zijner macht, welker menigte verstopte de waterbeken, en hun ruiterij
858 5, 22| verstrooiing, waarheen zij verstrooid waren, en hebben zich te
859 5, 22| zij wedergekomen uit hun verstrooiing, waarheen zij verstrooid
860 11, 9 | waardoor zij hun God zullen vertoornen, zo wanneer zij deze onbehoorlijkheid
861 2, 6 | bevolen heb, en gij zult niet vertragen het te doen.~
862 6, 3 | maar wij zullen hen daarmee vertreden.~
863 6, 16| 16 En zij vertroostten Achior en prezen hem zeer.~
864 6, 6 | Indien gij nu met uw hart vertrouwt dat zij niet zullen gevangen
865 9, 15| zwakken, een beschutter der vertwijfelenden, en een behouder dergenen,
866 16, 3 | de hand dergenen, die mij vervolgden.~
867 8, 14| 14 Niet alzo, broeders, verwekt de Here, onze God, niet
868 11, 7 | Daarom, heersende heer, verwerp zijn rede niet, maar laat
869 5, 20| door vele oorlogen zeer verwoest geworden.~
870 1, 14| en nam de torens in, en verwoestte haar straten, en haar sieraad
871 13, 18| hij heeft onze vijanden verwond door mijn hand, in deze
872 10, 16| gedaan hadden. En zij waren verwonderd over haar schoonheid, en
873 13, 6 | aanslag uit te voeren, tot verwondering der vijanden, die tegen
874 13, 24| die u geleid heeft tot verwonding des hoofds van de overste
875 7, 13| hadden geen water om tot verzadiging te drinken, zelfs niet voor
876 8, 21| onze God, danken die ons verzoekt, gelijk hij ook onze vaders
877 16, 19| klein ding voor u, en al het vette tot brandoffer is het allerminste,
878 12, 10| En het geschiedde op de vierde dag, dat Holofernes een
879 7, 12| der kinderen Ammons, en vijfduizend uit de kinderen van Assur
880 1, 2 | zeventig ellen, en zijn breedte vijftig ellen;~
881 10, 5 | een male met meel, en met vijgen, en reine broden, en bond
882 14, 4 | Holofernes, en zullen hem niet vinden, en een vrees zal op hen
883 1, 15| 15 En hij ving Arfaxad in de gebergten
884 6, 8 | trokken van het midden des vlakken velds naar het gebergte,
885 14, 4 | zullen voor uw aangezicht vlieden.~
886 12, 14| in zijn ogen, dat zal ik vlijtig doen; en dit zal mij een
887 10, 3 | kostelijke dikke zalf, en zij vlocht het haar van haar hoofd,
888 14, 14| 14 En vond hem dood op de vloer geworpen, en zijn hoofd
889 15, 2 | naasten, maar liepen weg, en vluchtten gezamenlijk op alle wegen
890 6, 4 | met hun doden, en niet een voetstap hunner voeten zal bestaan
891 10, 2 | Dat zij opstond van haar voetval en riep haar dienstmaagd,
892 11, 5 | velds en de beesten, en de vogelen des hemels zullen door uw
893 8, 26| opdat onze waterbakken vol worden, en wij niet meer
894 8, 29| wat ik doe, totdat het zal volbracht zijn.~
895 10, 8 | vaderen, make u aangenaam, en volbreng uw aanslagen, tot roem van
896 15, 15| en alle mannen Israëls volgden gewapend met kransen, en
897 8, 25| gedwongen dat wij doen zouden volgens hetgeen wij hun beloofd
898 12, 2 | ontsta, maar uit hetgeen mij volgt, zal mij toegediend worden.~
899 11, 4 | zo zal God de zaak met u volkomen uitvoeren, en mijn heer
900 10, 6 | poort der stad Bethulië, en vonden aan deze staande Ozias,
901 5, 24| mogelijk bescherme, en hun God vóór hen zij, en wij zullen tot
902 8, 21| laat ons onze broederen een voorbeeld geven, want van ons hangt
903 7, 20| 20 Doch zo deze voorbijgaan, en geen hulp over ons komt,
904 10, 18| hem werden zilveren lampen voorgedragen.~
905 5, 20| de weg, die hij hun had voorgesteld, zijn zij door vele oorlogen
906 14, 7 | besneed het vlees zijner voorhuid, en werd tot het huis Israëls
907 13, 3 | 3 En Holofernes was voorover op zijn bed gevallen, want
908 11, 3 | het leven blijven, en ook voortaan; want daar is niemand die
909 10, 18| haar, en hij kwam uit in de voortent, en hem werden zilveren
910 7, 10| uit de voet van deze berg voortkomt, want allen, die in Bethulië
911 10, 11| het dal recht heen en de voorwacht der Assyriërs kwam haar
912 11, 17| mij aangezegd naar mijn voorwetenschap, en zijn mij geboodschapt,
913 14, 11| binnen, en klopte aan de voorzaal der tent:,~
914 8, 18| 18 Gelijk wel in de vorige dagen is geschied, om welke
915 5, 2 | der Ammonieten, en al de vorsten van het land aan de zee.~
916 6, 12| van al hun volk, en Ozias vraagde wat hem overkomen was.~
917 10, 11| tegen, en grepen haar, en vraagden haar: Wiens zijt gij? en
918 15, 9 | Judith te zien, en met haar vreedzaam te spreken.~
919 5, 8 | gaan uit het land van hun vreemdelingschap, en reizen naar het land
920 9, 2 | gegeven hebt tot wraak over de vreemden, die de schoot der maagd
921 8, 8 | kwade zaak oplegde, want zij vreesde God zeer.~
922 10, 3 | hoofdsiersel daarop, en deed haar vreugde-klederen aan, waarmede zij bekleed
923 16, 28| zij stelde haar maagd in vrijheid, en zij stierf te Bethulië,
924 4, 16| offers, en de beloften, en de vrijwillige gaven des volks, en as was
925 12, 12| te worden, en met ons tot vrolijkheid wijn te drinken, en op deze
926 11, 1 | tot haar: Heb goede moed, vrouwe, en uw hart zij niet bevreesd,
927 12, 15| kleding, en met al haar vrouwensiersel; en haar dienstmaagd kwam
928 10, 5 | en een kruik met olie, en vulde een male met meel, en met
929 2, 5 | hun valleien en waterbeken vullen, en de overvloeiende rivier
930 7, 5 | hun wapenen en ontstaken vuren op hun torens, en bleven
931 10, 13| veldoverste uws legers, om hem waarachtige woorden te boodschappen,
932 5, 22| wedergekomen uit hun verstrooiing, waarheen zij verstrooid waren, en
933 5, 5 | knechts, en ik zal u de waarheid verhalen van dit volk, dat
934 13, 4 | zou staan, en haar uitgang waarnemen, gelijk dagelijks geschied
935 11, 13| om met u dingen te doen, waarover zich in het gehele aardrijk
936 8, 24| die hem genaken, tot een waarschuwing.~
937 10, 9 | de dingen te volbrengen, waarvan gij met mij hebt gesproken,
938 8, 16| laat ons op zijn verlossing wachten, en hem aanroepen tot onze
939 15, 13| muilezel en zij spande haar wagens in, en zij laadde dat op
940 2, 17| hun steden, en hun velden wande hij uit, en sloeg al hun
941 8, 26| regen zenden, opdat onze waterbakken vol worden, en wij niet
942 12, 7 | zich in het leger, in de waterfonteinen.~
943 7, 12| in het dal, en namen de waterleidingen en fonteinen van de kinderen
944 8, 9 | vanwege de schaarsheid des waters; en Judith hoorde ook al
945 7, 13| dertig dagen lang, en de watervaten ontbraken aan al de inwoners
946 1, 11| zijn boden ledig van zich wederkeren met schande.~
947 2, 15| versloeg allen, die hem wederstonden, en kwam tot aan de landpalen
948 8, 4 | was in haar huis, in de weduwelijke staat, drie jaren en vier
949 10, 2 | bekleed was, en trok haar weduwklederen uit.~
950 16, 20| 20 Wee de volken, die tegen mijn
951 9, 4 | daarna zijn geschied, en weet de dingen die nu zijn, en
952 16, 11| pantoffelen hebben zijn oog weggerukt, en haar schoonheid heeft
953 5, 21| 21 En zijn gevankelijk weggevoerd in een vreemd land, en de
954 7, 10| en alzo zal hen de dorst wegnemen en zij zullen hun stad moeten
955 16, 6 | buit geven, en mijn maagden wegroven.~
956 14, 10| 10 Wek toch onze heer op, want
957 11, 20| zeide. tot haar: God heeft welgedaan, dat Hij u voor dit volk
958 15, 11| gedaan, en God hebbe een welgevallen daaraan. Zijt gezegend voor
959 16, 5 | duizenden zijner macht, welker menigte verstopte de waterbeken,
960 16, 10| zalfde haar aangezicht met welriekende zalf, en had haar haar gebonden
961 8, 10| dagen de Here zich niet wendt om ons te helpen.~
962 13, 9 | hem zijn hoofd af, en zij wentelde het lichaam van het bed.~
963 8, 27| Hoort mij en ik zal een werk doen, hetwelk van geslacht
964 13, 6 | zie te dezer ure aan de werken mijner handen, tot verhoging
965 9, 9 | met het breekijzer om te werpen de hoorn van uw altaar.~
966 9, 19| uw volk en alle stammen wete en bevinde, dat gij de God
967 9, 6 | en bogen, en slingers, en weten niet, dat gij de Here zijt,
968 11, 13| uw dienstmaagd, dit alles wetende, ben van hun aangezicht
969 11, 6 | koninkrijk, en machtig in wetenschap, en wonderlijk in de krijgsordeningen.~
970 11, 10| gebruiken al hetgeen God in zijn wetten hun verboden heeft te eten.~
971 10, 11| haar, en vraagden haar: Wiens zijt gij? en vanwaar komt
972 10, 13| ik zal een weg voor hem wijzen, waardoor hij trekken zal,
973 5, 7 | in Mesopotamië. Want zij wilden niet volgen de goden hunner
974 14, 2 | stellen tegen hen, als of gij wildet nederdalen in het veld,
975 5, 22| gebergte bewoond, want het was woest.~
976 9, 18| mijn bedrog hun tot een wonde en striem worde, die zo
977 3, 4 | en al de stallen onzer woningen liggen open voor u, doe
978 2, 16| Midian, en verbrandde hun woonhutten, en beroofde hun stallingen,~
979 16, 21| 21 Hij zal vuur en wormen in hun vlees geven, en zij
980 8, 24| onderzoeking huns harten, zo wreekt hij zich niet over ons,
981 1, 12| koninkrijk, dat hij zich zeker wreken zou over al de landpalen
982 15, 14| vrouwen Israëls liepen te zamen om haar te zien, en zij
983 2, 11| sprinkhanen, en als het zand der aarde, en men kon hen
984 12, 15| mocht; en Judith kwam in, en zat neder.~
985 1, 12| de landpalen van de twee zeeën.~
986 11, 3 | 3 Maar nu, zeg mij, waarom gij van hen
987 8, 29| zal, want ik zal u niet zeggen wat ik doe, totdat het zal
988 6, 1 | vergadering waren, ophield, zo zei Holofernes de overste des
989 7, 13| men gaf hun te drinken in zekere mate. En hun jonge kinderen
990 1, 6 | Nabuchodonosor voerde te dien zelven dage krijg tegen de koning
991 9, 11| 11 Zend uw toorn over hun hoofden,~
992 8, 26| en de Here zal de regen zenden, opdat onze waterbakken
993 1, 2 | waren in de breedte, en zes ellen in de lengte; en maakte
994 1, 4 | van de muren daarvan tot zestig ellen in de breedte.~
995 10, 3 | haar van haar hoofd, en zette een hoofdsiersel daarop,
996 16, 28| en het huis Israëls droeg zeven dagen lang rouw over haar.~
997 1, 13| de koning Arfaxad in het zeventiende jaar, en hij verkreeg de
998 8, 5 | 5 En zij maakte zichzelf een tent op het dak van
999 14, 7 | 7 En Achior ziende al hetgeen de God Israëls
1000 6, 5 | dienstknechten tussen uw zijden gaan, en gij zult vallen
1001 10, 18| voortent, en hem werden zilveren lampen voorgedragen.~
1002 8, 13| heeft, onderzoeken, en zijn zin vernemen, en zijn gedachten
1003 16, 2 | mijns Heren met tambourijn; zing mijn Here met cimbalen,
1004 12, 16| gemeenschap te hebben, en hij zocht de gelegene tijd, om haar
1005 12, 20| en dronk zeer veel wijn, zodat hij nooit zo veel op één
1006 14, 2 | morgenstond zal aanlichten, en de zon op aarde opgaan, zo zal
1007 5, 19| 19 En zo lang zij niet zondigden tegen hun God ging het hun
1008 5, 23| in dit volk is, en zo zij zondigen tegen hun God, en zo wij
1009 16, 14| 14 De zonen der jonge vrouwen hebben
1010 16, 1 | Israël, en het gehele volk zong deze lofzang haar na.~
1011 10, 4 | van de ogen der mannen, zovelen haar aanzien zouden.~
1012 16, 6 | door het zwaard, en mijn zuigelingen tegen de aarde slaan, en
1013 7, 13| ons en tussen u, dat gij zulk een groot onrecht ons hebt
1014 2, 17| mannen met de scherpte des zwaards.~
1015 7, 10| woning. En gij zult hun zware vergelding doen, omdat zij
1016 1, 12| tegen al dat land; en hij zwoer bij zijn troon en zijn koninkrijk,
|