|
5
1
EN het werd Holofernes, de krijgsoverste van het heerleger der Assyriërs,
geboodschapt dat de kinderen Israëls zich bereiden tot de krijg, en dat zij de
doorgangen van het gebergte besloten, en al de spitsen der hoge bergen bemuurd
hadden, en dat zij in de vlakke velden beletsels gesteld hadden.
2
En hij werd zeer toornig, en hij riep al de oversten der Moabieten, en de
krijgsoversten der Ammonieten, en al de vorsten van het land aan de zee.
3
En hij zeide tot hen: Zegt mij toch, gij kinderen Kanaäns, wat volk dit is, dat
zich op dit gebergte ophoudt, en wat steden het zijn die zij bewonen, en de
menigte van hun heerleger, en waarin hun kracht en hun sterkte bestaat, en wat
koning onder hen opgestaan is, die een leidsman is van hun leger.
4
En waarom zij mij de rug toegekeerd hebben, dat zij mij niet zijn tegemoet
gekomen, buiten al degenen die in het westen wonen.
5
En Achior, de overste van al de kinderen Ammons, zeide tot hem: Mijnheer hoor
toch een woord uit de mond uws knechts, en ik zal u de waarheid verhalen van
dit volk, dat nabij u woont, en dit gebergte bewoont; en geen leugen zal uit de
mond uws knechts gaan.
6
Dit volk komt af van de Chaldeeën.
7
En zij hebben eerst als vreemdelingen gewoond in Mesopotamië. Want zij wilden
niet volgen de goden hunner vaderen, welke in het land van Chaldea waren;
8
En zijn afgetreden van de weg hunner vaderen, en hebben de God des hemels
aangebeden, de God die zij kenden, en die hebben hen verdreven van het
aangezicht hunner goden; en zij zijn naar Mesopotamië gebracht, en hebben daar
vele dagen als vreemdelingen gewoond; en hun God heeft geboden, dat zij zouden
gaan uit het land van hun vreemdelingschap, en reizen naar het land Kanaän, en
zij bleven daar wonen, en zijn vermenigvuldigd aan goud, en zilver, en aan zeer
veel vee.
9
En zijn afgetrokken naar Egypte, (want hongersnood had het land Kanaän bedekt)
en woonden daar als vreemdelingen totdat zij wedergekeerd zijn, en zij zijn
daar geworden tot een grote menigte, en hun geslacht was ontelbaar.
10
En de koning van Egypte stond tegen hen op, en gebruikte listigheid tegen hen
door arbeid, en door maken van tichelstenen, en vernederde hen, en maakte hen
tot slaven.
11
En zij riepen tot hun God, en hij sloeg gans Egypteland met plagen, die niet te
genezen waren en de Egyptenaars dreven hen uit van hun aangezicht.
12
En God heeft de Rode zee voor hen uitgedroogd.
13
En heeft hen geleid naar de weg van de berg Sinaï, en Kades-Barneä en zij
hebben verdreven allen die de woestijn bewoonden.
14
En zij hebben zich neergezet in het land der Ammorieten.
15
En hebben al de Esebonieten uitgeroeid door hun sterkte.
16
En door de Jordaan getrokken zijnde,
17
Hebben zij dit gehele gebergte tot een erfenis ontvangen.
18
En zij verdreven van voor hun aangezicht de Kanaäniet, en de Feresiet, en de
Jebusiet, en de Sychemiet, en al de Gergesenen; en zij hebben in het gebergte
vele dagen gewoond.
19
En zo lang zij niet zondigden tegen hun God ging het hun wel; want met hen is
een God, die ongerechtigheid haat.
20
Maar toen zij afgeweken zijn van de weg, die hij hun had voorgesteld, zijn zij
door vele oorlogen zeer verwoest geworden.
21
En zijn gevankelijk weggevoerd in een vreemd land, en de tempel huns Gods is
tot de grond toe afgeworpen, en hun steden zijn ingenomen door hun vijanden.
22
En nu bekeerd zijnde tot hun God, zijn zij wedergekomen uit hun verstrooiing,
waarheen zij verstrooid waren, en hebben zich te Jeruzalem nedergezet, waar hun
heiligdom is, en hebben het gebergte bewoond, want het was woest.
23
En nu, heersende heer, zo er misdaad in dit volk is, en zo zij zondigen tegen
hun God, en zo wij bemerken dat er onder hen zodanige ergernis is, zo zullen
wij opklimmen en hen overweldigen.
24
Maar zo daar geen ongerechtigheid onder hun volk is, zo ga, mijn heer, hen
voorbij, opdat hun Here hen niet mogelijk bescherme, en hun God vóór hen zij,
en wij zullen tot een smaad zijn voor het gehele land.
25
En het geschiedde, als Achior ophield deze woorden te spreken, dat al het volk
murmureerde, hetwelk de tent omringde en daar rondom stond.
26
En de geweldigen van Holofernes, en die het land aan de zee, en der Moabieten
bewoonden, zeiden dat men hem in stukken zou houwen, want zeiden zij, wij
vrezen niet voor de kinderen Israëls, want ziet het is een volk waarin geen
kracht is, noch macht tot een sterk heerleger.
27
Daarom zo zullen wij optrekken heer Holofernes en zij zullen een aas zijn voor
uw ganse leger.
|