|
10
1
EN het geschiedde toen zij ophield van roepen tot de God Israëls, en al deze
woorden geëindigd had.
2
Dat zij opstond van haar voetval en riep haar dienstmaagd, en kwam beneden in
het huis, waar zij zich ophield in de dagen der sabbatten, en in haar
feestdagen, en zij legde de zak af, waarmede zij bekleed was, en trok haar
weduwklederen uit.
3
En zij wies haar lichaam geheel met water, en zalfde dat met kostelijke dikke
zalf, en zij vlocht het haar van haar hoofd, en zette een hoofdsiersel daarop,
en deed haar vreugde-klederen aan, waarmede zij bekleed was in de dagen van het
leven haars mans Manasse.
4
En zij deed pantoffelen aan haar voeten, en deed haar armringen aan, en
halsbanden, en ringen, en oorringen, en al haar sieraad, en versierde zich
zeer, tot bedrog van de ogen der mannen, zovelen haar aanzien zouden.
5
En zij gaf haar dienstmaagd een lederen fles met wijn, en een kruik met olie,
en vulde een male met meel, en met vijgen, en reine broden, en bond al haar
vaten om en om, en legde ze deze op.
6
En zij gingen uit naar de poort der stad Bethulië, en vonden aan deze staande
Ozias, en de oudsten der stad Chabrin en Charmin.
7
Als zij nu haar zagen, en hoe haar aangezicht hersteld en haar kleding
veranderd was, zo verwonderden zij zich uitermate zeer over haar schoonheid.
8
En zeiden tot haar: God, de God onzer vaderen, make u aangenaam, en volbreng uw
aanslagen, tot roem van de kinderen Israëls en verhoging van Jeruzalem. En zij
bad God aan,
9
En zeide tot hen: Beveelt dat mij de poort der stad opengedaan worde en ik zal
uitgaan om de dingen te volbrengen, waarvan gij met mij hebt gesproken, en zij
bevalen de jongelingen haar open te doen, gelijk zij gesproken had, en zij
deden alzo.
10
En Judith ging uit, en haar maagd met haar, en de mannen der stad zagen haar
na, totdat zij de berg afgegaan, en totdat zij het dal doorgegaan was, en zij
haar niet meer zagen.
11
Toen gingen deze in het dal recht heen en de voorwacht der Assyriërs kwam haar
tegen, en grepen haar, en vraagden haar: Wiens zijt gij? en vanwaar komt gij?
en waar gaat gij heen?
12
En zij zeide: Ik ben een Hebreeuwse vrouw, en vlucht van hen weg want zij
zullen aan u overgegeven worden, om vernield te worden.
13
En ik kom tot het aangezicht van Holofernes de veldoverste uws legers, om hem
waarachtige woorden te boodschappen, en ik zal een weg voor hem wijzen,
waardoor hij trekken zal, en het gehele gebergte veroveren, en van zijn mannen
zal niemand omkomen, noch iets dat leven heeft.
14
Als nu de mannen haar woorden hoorden, en haar aangezicht aanmerkten, zo was
het voor hen zeer wonderlijk in schoonheid.
15
En zij zeiden tot haar: Gij hebt uw leven behouden, dewijl gij u gehaast hebt
af te komen tot het aangezicht onzes heren. En nu, ga voort tot zijn tent, en
enigen van ons zullen u geleiden, totdat zij u in zijn handen zullen leveren.
16
Wanneer gij nu voor hem staat, zo zijt niet bevreesd in uw hart, maar boodschap
hem naar uw woorden, en hij zal u weldoen. En zij verkozen uit zich honderd
mannen, en voegden die bij haar en haar maagd, en die brachten haar aan de tent
van Holofernes, en daar kwam een oploop door het gehele leger, want haar
aankomst werd ruchtbaar door de tenten. En zij kwamen en omringden haar, gelijk
zij stond buiten de tent van Holofernes, totdat zij hem de boodschap van haar
gedaan hadden. En zij waren verwonderd over haar schoonheid, en zij
verwonderden zich over de kinderen Israëls om harentwil, en de een zeide tot de
ander: Wie zou dit volk kunnen verachten, dat zodanige vrouwen onder zich
heeft; daarom is het niet goed dat één man van hen overblijve, welke
overgelaten zijnde het gehele land door listigheid zou kunnen bedriegen.
17
En de kamerlingen van Holofernes, en al zijn dienaars kwamen uit, en brachten
haar in de tent.
18
En Holofernes rustte op zijn bed onder een behangsel, hetwelk van purper, en
goud, en smaragden, en kostelijke stenen was tezamen geweven, en zij
boodschapten hem van haar, en hij kwam uit in de voortent, en hem werden
zilveren lampen voorgedragen.
19
En als Judith voor zijn aangezicht en dat zijner dienaren kwam, verwonderden
zij zich allen over de schoonheid haars aanschijns, en zij, nedervallende op
haar aangezicht, aanbad hem, en zijn dienstknechten richtten haar op.
|