|
14
1
EN Judith zeide. tot hen: Hoort mij nu broeders, en neemt dit hoofd, en hangt
dat uit, op de tinne van onze stadsmuur.
2
En wanneer de morgenstond zal aanlichten, en de zon op aarde opgaan, zo zal een
iegelijk van u zijn krijgsuitrusting nemen, en gij allen, die kloeke mannen
zijt, zult uitgaan buiten de stad, en zult een overste stellen tegen hen, als
of gij wildet nederdalen in het veld, tegen de eerste wacht der kinderen van
Assur, maar gij zult niet henen afgaan.
3
En zij zullen hun wapenen nemen, en naar hun legers heentrekken, en zullen de
hoofdlieden van het leger der Assyriërs opwekken.
4
En zij zullen gelijkelijk lopen tot de tent van Holofernes, en zullen hem niet
vinden, en een vrees zal op hen vallen, en zij zullen voor uw aangezicht
vlieden.
5
En gijlieden zult hen achtervolgen, mitsgaders allen die in de gehele landpale
Israëls wonen, en zult hen nedervellen in hun wegen.
6
Maar eer gij dat doet, zo roept mij Achior, de Ammoniet, opdat hij zie en kenne
degene, die het huis Israëls veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood
heeft afgezonden; en zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij nu kwam,
en het hoofd van Holofernes zag, in de hand van een man onder de vergadering
des volks, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in onmacht gevallen; maar als
zij hem verkwikt hadden viel hij aan de voeten van Judith, en aanbad haar en
zeide: Gezegend zijt gij in alle tenten van Juda, en onder alle volken; die van
uw naam horen, die zullen zich ontzetten; en nu, verhaal mij al hetgeen gij in
deze dagen gedaan hebt. En Judith verhaalde hem in het midden des volks, al
hetgeen zij gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij met
hen sprak; en als zij ophield van spreken, zo juichte het volk met luider stem,
en verhief een stem van vreugde in hun stad.
7
En Achior ziende al hetgeen de God Israëls gedaan had, geloofde zeer aan God,
en besneed het vlees zijner voorhuid, en werd tot het huis Israëls toegevoegd
tot op deze dag.
8
Wanneer nu de morgenstond aanbrak, zo hingen zij het hoofd van Holofernes van
de muur uit, en alle mannen Israëls namen hun wapenen, en vielen uit met benden
tot aan de opgang des bergs, en de Assyriërs, zo haast zij hen zagen, zonden
tot hun bevelhebbers,
9
Deze nu kwamen tot hun krijgsoversten en kolonels, en tot een ieder die over
hen te gebieden had, en zij kwamen tot de tent van Holofernes, en zeiden tot
degenen die over al zijn zaken gesteld was:
10
Wek toch onze heer op, want de slaven durven tot ons nederkomen in de krijg,
opdat zij geheel verdelgd worden.
11
En Bagoas ging binnen, en klopte aan de voorzaal der tent:,
12
Want hij vermoedde, dat hij bij Judith sliep.
13
En als hij niemand hoorde, deed hij open, en kwam in de slaapkamer.
14
En vond hem dood op de vloer geworpen, en zijn hoofd was hem afgehouwen; en hij
riep met luider stem, met geschrei, en gezucht, en sterk getier, en verscheurde
zijn klederen.
15
En hij ging in de tent waar Judith zich ophield, en vond haar niet, en hij sprong
tot het volk uit roepende: Die slaven hebben trouweloos gehandeld: een
Hebreeuwse vrouw heeft schaamte gebracht over het huis des konings
Nabuchodonosors, want ziet Holofernes ligt ter aarde, en zijn hoofd is niet op
hem.
16
Als nu de oversten van het leger der Assyriërs deze woorden hoorden, zo
scheurden zij hun klederen, en hun ziel werd zeer beroerd.
17
En hun geschrei en geroep werd groot in het midden van het leger.
|