1-500 | 501-572
Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 HEBT de gerechtigheid lief, gij,
2 1, 1 | gerechtigheid lief, gij, die de aarde richt; hebt van de
3 1, 1 | de aarde richt; hebt van de Here een goed gevoelen en
4 1, 3 | beproefd zijnde overtuigt de zotten.~
5 1, 5 | 5 Want de Heilige Geest der onderwijzing
6 1, 5 | der onderwijzing vliedt de bedriegerij, wijkt af van
7 1, 5 | bedriegerij, wijkt af van de gedachten der onverstandigen
8 1, 5 | onverstandigen en bestraft hen, als de ongerechtigheid daarbij
9 1, 6 | 6 Want de wijsheid is een menslievende
10 1, 7 | 7 Want de Geest des Heren vervult
11 1, 7 | Geest des Heren vervult de aarde, en hetgeen alles
12 1, 8 | spreekt wat onrecht is, en de straffende wraak zal hem
13 1, 9 | 9 Want over de raadslagen der goddelozen
14 1, 9 | zijner woorden zal voor de Here komen, tot bestraffing
15 1, 10| Overmits zijn ijverig oor al de dingen hoort, en het knorren
16 1, 11| 11 Wacht ulieden dan voor de onnutte murmurering en onthoudt
17 1, 11| van achterklappen, want de verborgen rede zal niet
18 1, 11| niet ledig heengaan, en de mond die liegt, brengt de
19 1, 11| de mond die liegt, brengt de ziel om.~
20 1, 12| 12 Staat niet naar de dood door dwaling uws levens,
21 1, 13| 13 Want God heeft de dood niet gemaakt, en heeft
22 1, 14| geschapen om te zijn, en de beginselen der wereld zijn
23 1, 16| 16 Maar de goddelozen hebben dat met
24 2, 1 | daar is geen genezing tegen de dood des mensen, en niemand
25 2, 1 | niemand wordt gekend, die uit de hel wedergekeerd is.~
26 2, 2 | neusgaten is een rook, en de rede is een vonk voortkomende
27 2, 2 | een vonk voortkomende door de beweging van ons hart.~
28 2, 3 | geest wordt verspreid gelijk de wijde lucht.~
29 2, 4 | leven gaat voorbij, gelijk de voetstappen van een wolk,
30 2, 4 | gelijk een nevel, die van de stralen der zon nagejaagd
31 2, 6 | 6 Komt dan, en laat ons de tegenwoordige goederen genieten,
32 2, 6 | metterhaast gebruiken, gelijk in de jeugd.~
33 2, 7 | kostelijke wijn en zalf, en de bloem der lente ga ons niet
34 2, 10| 10 Laat ons de arme rechtvaardige overweldigen,
35 2, 10| overweldigen, en laat ons de weduwen niet verschonen,
36 2, 10| weduwen niet verschonen, en de grijze, veeljarige haren
37 2, 12| 12 Laat ons op de rechtvaardige loeren, want
38 2, 12| onze werken, en verwijt ons de zonden begaan tegen de wet,
39 2, 12| ons de zonden begaan tegen de wet, en maakt gerucht van
40 2, 12| gerucht van ons vanwege de zonden onzer wandeling.~
41 2, 15| zien, want zijn leven is de anderen ongelijk, en zijn
42 2, 18| 18 Want indien de rechtvaardige een zoon Gods
43 2, 18| en zal hem verlossen uit de hand dergenen die hem tegenstaan.~
44 2, 22| 22 Zij verstaan de verborgenheden Gods niet,
45 2, 22| niet te hopen, en achten de eer der onbestraffelijke
46 2, 23| 23 Want God heeft de mens geschapen tot onverderfelijkheid,
47 2, 24| des duivels nijdigheid is de dood in de wereld gekomen,
48 2, 24| nijdigheid is de dood in de wereld gekomen, en die van
49 3, 1 | 1 MAAR de zielen der rechtvaardigen
50 3, 1 | der rechtvaardigen zijn in de hand Gods, en geen kwaal
51 3, 2 | 2 Zij schijnen in de ogen der dwazen te sterven,
52 3, 7 | over en weer lopen, gelijk de vonken in de stoppelen.~
53 3, 7 | lopen, gelijk de vonken in de stoppelen.~
54 3, 8 | 8 Zij zullen de heidenen oordelen, en over
55 3, 8 | heidenen oordelen, en over de volken heersen, en de Here
56 3, 8 | over de volken heersen, en de Here zal als koning in eeuwigheid
57 3, 9 | op hem betrouwen zullen de waarheid verstaan, en de
58 3, 9 | de waarheid verstaan, en de gelovigen zullen in liefde
59 3, 10| 10 Maar de goddelozen zullen gestraft
60 3, 10| zij gedacht hebben; die de rechtvaardige niet hebben
61 3, 10| niet hebben geacht, en van de Here zijn afgeweken.~
62 3, 11| Want hij is ellendig die de wijsheid en tucht veracht,
63 3, 13| is vervloekt, daarom is de onvruchtbare zalig, die
64 3, 13| in overtreding, zij zal de vrucht genieten in de bezoeking
65 3, 13| zal de vrucht genieten in de bezoeking der zielen.~
66 3, 14| 14 En de gesnedene is zalig die geen
67 3, 14| noch boze dingen tegen de Here, gedacht heeft, want
68 3, 14| een zeer aangenaam lot in de tempel des Heren.~
69 3, 15| 15 Want de vrucht van de goede arbeid
70 3, 15| 15 Want de vrucht van de goede arbeid is heerlijk,
71 3, 15| goede arbeid is heerlijk, en de wortel der wijsheid vervalt
72 3, 16| 16 Maar de kinderen der echtbrekers
73 3, 18| hoop hebben, noch troost in de dag des oordeels.~
74 4, 1 | want onsterfelijkheid is in de gedachtenis derzelve, dewijl
75 4, 1 | zij beide bij God en bij de mensen gekend wordt.~
76 4, 2 | verlangt men naar haar, en in de toekomende eeuw draagt zij
77 4, 2 | en triomfeert, nadat zij de strijd der prijzen, die
78 4, 3 | 3 Maar de vruchtbare menigte der goddelozen
79 4, 4 | 4 Want hoewel zij in de takken voor een tijd weder
80 4, 4 | voortkomen, zullen zij van de wind bewogen, en van de
81 4, 4 | de wind bewogen, en van de kracht der winden uitgeworteld
82 4, 5 | 5 De ontijdige takjes zullen
83 4, 7 | 7 Maar de rechtvaardige, indien hij
84 4, 7 | komt te sterven, zal in de rust zijn.~
85 4, 9 | 9 Maar wijsheid is de mensen dat rechte grijze
86 4, 9 | en een onbevlekt leven is de rechte ouderdom.~
87 4, 10| bemind; en levende onder de zondaren werd hij weggenomen.~
88 4, 11| Hij werd weggerukt, opdat de boosheid zijn verstand niet
89 4, 12| 12 Want de betovering der boosheid
90 4, 12| goede; en omdrijving van de lust keert een gemoed om,
91 4, 14| 14 Want zijn ziel was de Here aangenaam, daarom heeft
92 4, 15| 15 Doch de volken zien het, en bedenken
93 4, 16| 16 De rechtvaardige die gestorven
94 4, 16| gestorven is, veroordeelt de goddelozen die leven; en
95 4, 16| goddelozen die leven; en de jeugd die schielijk voleindigd
96 4, 16| schielijk voleindigd is, de veeljarige ouderdom des
97 4, 17| zullen zien het einde van de wijze, en niet bedenken
98 4, 17| beraadslaagd hebben, en waartoe hem de Here verzekerd heeft.~
99 4, 18| zien en niets achten, maar de Here zal hen uitlachen.~
100 4, 19| en tot versmaadheid onder de doden in eeuwigheid, want
101 4, 19| overhangende scheuren; en hen uit de grond bewegen, en zij zullen
102 5, 1 | 1 DAN zal de rechtvaardige met grote
103 5, 5 | is hij nu gerekend onder de kinderen Gods, en hoe is
104 5, 5 | en hoe is zijn lot onder de heiligen!~
105 5, 6 | 6 Voorwaar wij zijn van de weg der waarheid afgedwaald,
106 5, 6 | heeft ons niet beschenen, en de zon der gerechtigheid is
107 5, 7 | zijn vervuld geworden in de paden der ongerechtigheid
108 5, 7 | omwegen doorreisd, maar de weg des Heren hebben wij
109 5, 8 | 8 Wat heeft ons de hovaardij gebaat? en wat
110 5, 8 | gebaat? en wat heeft ons de rijkdom met pochen gebracht?~
111 5, 10| Gelijk een schip varende door de baren des waters, waarvan,
112 5, 10| spoor gevonden wordt, noch de rechte weg zijner reis door
113 5, 10| rechte weg zijner reis door de baren.~
114 5, 11| kenteken wordt gevonden van de reis des vogels, die door
115 5, 11| reis des vogels, die door de lucht vliegt, maar als de
116 5, 11| de lucht vliegt, maar als de vleugels bewogen worden,
117 5, 11| vleugels bewogen worden, gaat de slag der wieken door de
118 5, 11| de slag der wieken door de lichte geslagen wind, die
119 5, 11| geslagen wind, die door de kracht des suizens gespleten
120 5, 11| men geen teken in hem van de doortocht.~
121 5, 12| doelwit geschoten zijnde, de lucht die daardoor verdeeld
122 5, 15| 15 Want de hoop van de goddeloze is
123 5, 15| 15 Want de hoop van de goddeloze is gelijk een
124 5, 15| een vezeltje, hetwelk van de wind gedreven wordt, en
125 5, 15| en als een rook, die door de wind verwaaid wordt, of
126 5, 15| verwaaid wordt, of ook gelijk de gedachtenis voorbijgaat
127 5, 16| 16 Maar de rechtvaardigen leven in
128 5, 16| eeuwigheid, en hun loon is bij de Here, en de Allerhoogste
129 5, 16| loon is bij de Here, en de Allerhoogste zorgt voor
130 5, 17| en een schone kroon uit de hand des Heren, want met
131 5, 18| wapenen tot wraak tegen de vijanden.~
132 5, 21| 21 En zal de gestrenge toorn scherpen
133 5, 21| scherpen tot een zwaard, en de wereld zal met hem strijden
134 5, 21| zal met hem strijden tegen de onwijzen.~
135 5, 22| 22 De welmikkende pijlen der bliksemen
136 5, 22| een welgespannen boog uit de wolken op het doelwit treffen.~
137 5, 23| tegen hen zeer woeden, en de stromen zullen tezamen heftig
138 5, 24| 24 De Geest der kracht zal hen
139 5, 24| draaiwind uitwannen, en de ongerechtigheid zal de gehele
140 5, 24| en de ongerechtigheid zal de gehele aarde verwoesten,
141 5, 24| gehele aarde verwoesten, en de boosaardigheid zal de stoelen
142 5, 24| en de boosaardigheid zal de stoelen der machtigen omkeren.~
143 6, 1 | leert gij rechters van de einden der aarde,~
144 6, 2 | en u verhovaardigt over de scharen der volken.~
145 6, 3 | 3 Want de heerschappij is u door de
146 6, 3 | de heerschappij is u door de Here gegeven, en de macht
147 6, 3 | door de Here gegeven, en de macht door de Allerhoogste;
148 6, 3 | gegeven, en de macht door de Allerhoogste; die naar uw
149 6, 4 | recht hebt geoordeeld, noch de wet bewaard, noch naar de
150 6, 4 | de wet bewaard, noch naar de raad Gods hebt gewandeld.~
151 6, 6 | 6 Want de minsten is het te vergeven
152 6, 6 | door barmhartigheid, maar de machtigen zullen streng
153 6, 7 | 7 Want de Here van allen zal de persoon
154 6, 7 | Want de Here van allen zal de persoon niet ontzien, en
155 6, 7 | persoon niet ontzien, en de grootte niet vrezen, want
156 6, 8 | 8 Maar over de heersende zal een sterke
157 6, 12| Blinkende en onverwelkelijk is de wijsheid, en wordt licht
158 6, 15| aan haar te gedenken is de volkomenheid der kloekheid,
159 6, 16| harer waardig zijn, en op de paden verschijnt zij hun
160 6, 17| 17 Want haar beginsel is de ware begeerte der onderwijzing,
161 6, 17| begeerte der onderwijzing, en de bezorging van onderwezen
162 6, 18| 18 En de liefde is de onderhouding
163 6, 18| 18 En de liefde is de onderhouding van haar wetten,
164 6, 18| onderhouding van haar wetten, en de onderhouding der wetten
165 6, 19| 19 En de onverderfelijkheid maakt
166 6, 20| 20 Want zelfs de begeerte der wijsheid brengt
167 6, 21| tronen en scepters, zo eert de wijsheid, opdat gij eeuwig
168 6, 22| u verkondigen, en zal u de verborgenheden niet verbergen,
169 6, 22| voorschijn brengen, en zal de waarheid geenszins voorbijgaan.~
170 6, 23| 23 En ik zal mij op de weg niet begeven met de
171 6, 23| de weg niet begeven met de uitterende nijdigheid, want
172 6, 23| nijdigheid, want deze zal met de wijsheid geen gemeenschap
173 6, 24| 24 Maar de menigte der wijzen is de
174 6, 24| de menigte der wijzen is de behoudenis der wereld, en
175 7, 1 | en van het geslacht van de eerstgeschapen mens, die
176 7, 1 | eerstgeschapen mens, die uit de aarde zijn oorsprong heeft.~
177 7, 2 | wellust die daarbij komt met de slaap.~
178 7, 3 | heb ook, geboren zijnde, de lucht geschept, die ons
179 7, 3 | gemeen is, en ben gevallen op de aarde, die gelijke eigenschappen
180 7, 7 | gegeven; ik riep aan, en de geest der wijsheid kwam
181 7, 10| hebben tot een licht; want de glans uit haar wordt niet
182 7, 12| verheugd in alle dingen, want de wijsheid ging daarin voor,
183 7, 14| 14 Zij is de mensen een schat die niet
184 7, 14| zijn aangenaam geworden om de gaven, die uit de onderwijzing
185 7, 14| geworden om de gaven, die uit de onderwijzing voortkomen.~
186 7, 15| bedenken hetgeen waardig te de dingen, die mij gegeven
187 7, 15| zijn, want hij leidt op de weg der wijsheid en bestiert
188 7, 15| der wijsheid en bestiert de wijzen recht.~
189 7, 17| dingen die zijn, om te weten de gestalte der wereld, en
190 7, 17| gestalte der wereld, en de werkingen der elementen.~
191 7, 18| en het midden der tijden, de verwisselingen van de omkeringen
192 7, 18| tijden, de verwisselingen van de omkeringen der zon, en de
193 7, 18| de omkeringen der zon, en de veranderingen der tijden,~
194 7, 19| 19 De omloop des jaars, en de
195 7, 19| De omloop des jaars, en de stelling der sterren,~
196 7, 20| 20 De natuur der dieren, en de
197 7, 20| De natuur der dieren, en de grimmigheid der wilde dieren,
198 7, 20| het geweld der winden, en de overleggingen der mensen,
199 7, 20| onderscheid der planten, en de krachten der wortelen.~
200 7, 21| en openbare dingen, want de wijsheid, die van alle dingen
201 7, 24| 24 Want de wijsheid is bewegelijker
202 7, 25| uitvloeiing der heerlijkheid van de almachtige, daarom valt
203 7, 27| geslacht tot geslacht, in de heilige zielen overgaande,
204 7, 28| niets, dan degene, die bij de wijsheid woont.~
205 7, 29| Want zij is schoner dan de zon, en verheven boven alle
206 7, 30| 30 Want na dat licht komt de nacht, maar de boosheid
207 7, 30| licht komt de nacht, maar de boosheid zal de wijsheid
208 7, 30| nacht, maar de boosheid zal de wijsheid niet overweldigen.~
209 8, 3 | zij met God verkeert, en de Here aller dingen heeft
210 8, 5 | leven, wat is rijker dan de wijsheid die alles werkt?~
211 8, 6 | 6 En zo de vernuftigheid werkt, wie
212 8, 6 | vernuftigheid werkt, wie is er onder de dingen die zijn groter kunstenaar
213 8, 7 | gerechtigheid en dapperheid, welke de mens nuttiger zijn in het
214 8, 8 | 8 En zo ook iemand de ervarenheid veler dingen
215 8, 8 | dingen begeert, zij weet de oude geschiedenissen, en
216 8, 8 | oude geschiedenissen, en de toekomstige dingen gist
217 8, 8 | dingen gist zij; zij weet de verdraaiing der woorden
218 8, 8 | verdraaiing der woorden en de ontbinding der raadselen;
219 8, 8 | wonderen weet zij tevoren, en de uitkomsten van gelegenheden
220 8, 10| nog jong zijnde eer bij de ouden.~
221 8, 12| verder spreek, zullen zij de hand op hun mond leggen.~
222 8, 13| 13 Ik zal door haar de onsterfelijkheid hebben,
223 8, 15| horende, zullen vrezen, onder de menigte zal ik mij goedertieren
224 8, 15| goedertieren vertonen, en in de oorlog als een man, en als
225 8, 17| mijn hart bedacht, dat in de maagschap der wijsheid de
226 8, 17| de maagschap der wijsheid de onsterfelijkheid is;~
227 8, 18| niet afneemt, en dat in de gezamenlijke oefening van
228 8, 18| gezamenlijke oefening van de omgang met haar kloekheid
229 8, 18| kloekheid is, dat ook in de gemeenschap harer woorden
230 8, 21| genade komt) zo ging ik tot de Here, en bad hem, en sprak
231 9, 2 | 2 En de mens door uw wijsheid hebt
232 9, 2 | opdat hij zou heersen over de schepselen die van u gemaakt
233 9, 3 | 3 En dat hij de wereld zou regeren in heiligheid
234 9, 4 | 4 Geef mij de wijsheid, die bij uw tronen
235 9, 6 | 6 Want of iemand onder de kinderen der mensen volmaakt
236 9, 6 | niets geacht worden, wanneer de wijsheid, die van u komt,
237 9, 8 | bouwen, en een altaar in de stad uwer woning, naar de
238 9, 8 | de stad uwer woning, naar de gelijkheid van de heiilge
239 9, 8 | naar de gelijkheid van de heiilge tabernakel, welke
240 9, 9 | 9 Bij u is de wijsheid, die uw werken
241 9, 9 | tegenwoordig was, toen gij de wereld maakte, en verstaat
242 9, 10| hemelen, ja zend haar van de troon uwer heerlijkheid,
243 9, 12| richten, en zal waardig zijn de troon mijns vaders.~
244 9, 13| 13 Want wie van de mensen kan de raad Gods
245 9, 13| Want wie van de mensen kan de raad Gods kennen? Of wie
246 9, 14| 14 Want de overleggingen der sterfelijke
247 9, 15| verderfelijk lichaam bezwaart de ziel, en de aardse tabernakel
248 9, 15| lichaam bezwaart de ziel, en de aardse tabernakel drukt
249 9, 16| nauwelijks maken wij na de dingen die op aarde zijn,
250 9, 16| dan nagespeurd hetgeen in de hemelen is?~
251 9, 17| Geest gezonden hebt van de hoogste plaats.~
252 9, 18| En zo zijn recht gemaakt de paden dergenen, die op aarde
253 9, 18| dergenen, die op aarde zijn, en de mensen hebben geleerd hetgeen
254 9, 19| 19 En door de wijsheid zijn zij behouden
255 10, 1 | DEZE wijsheid heeft bewaard de eerstgevormde en alleen
256 10, 3 | 3 Van welke de onrechtvaardige, afvallig
257 10, 3 | is verloren gegaan met de toornige bewegingen tot
258 10, 4 | 4 En als de aarde om zijnentwil met
259 10, 4 | aarde om zijnentwil met de watervloed bedekt was, zo
260 10, 4 | watervloed bedekt was, zo heeft de wijsheid weder behouden,
261 10, 4 | weder behouden, regerende de rechtvaardige door een verachtelijk
262 10, 5 | 5 Deze ook, als de volken door boze eigenzinnigheid
263 10, 5 | elkander verward waren, heeft de rechtvaardige gekend, en
264 10, 5 | behoed dat hij sterk bleef in de inwendige bewegingen der
265 10, 6 | 6 Deze toen de goddelozen vergingen, heeft
266 10, 6 | goddelozen vergingen, heeft de rechtvaardige verlost, toen
267 10, 7 | rokende woeste land, en de bomen die ontijdige vruchten
268 10, 7 | ontijdige vruchten dragen, en de zoutpilaar staande tot gedachtenis
269 10, 7 | staande tot gedachtenis van de ongelovige ziel.~
270 10, 8 | 8 Want de wijsheid voorbijgaande,
271 10, 9 | 9 Maar de wijsheid heeft uit moeite
272 10, 10| 10 Deze geleidde de rechtvaardige op rechte
273 10, 10| hij vluchtende was voor de toorn zijns broeders, en
274 10, 11| 11 In de gierigheid dergenen die
275 10, 12| 12 Zij bewaarde hem van de vijanden, en maakte hem
276 10, 12| sterke strijd heeft zij hem de prijs der overwinning gegeven,
277 10, 12| opdat hij zou weten dat de godzaligheid machtiger is
278 10, 13| Deze heeft niet verlaten de rechtvaardige die verkocht
279 10, 13| was, maar heeft hem uit de zonde verlost; zij voer
280 10, 13| zij voer met hem af in de put.~
281 10, 14| 14 En in de banden heeft zij hem niet
282 10, 14| bleef bij hem totdat zij hem de scepter des koninkrijks
283 10, 15| onbestraffelijk zaad verlost, uit de natie dergenen die haar
284 10, 16| 16 Zij is gegaan in de ziel van de dienaar des
285 10, 16| is gegaan in de ziel van de dienaar des Heren, en wederstond
286 10, 16| des Heren, en wederstond de vreselijke koningen met
287 10, 17| 17 Zij heeft de heiligen gegeven loon der
288 10, 18| heeft hen doen gaan door de Rode zee, en heeft hen overgebracht
289 10, 19| noch hen heeft zij uit de diepte van de afgrond getrokken.~
290 10, 19| heeft zij uit de diepte van de afgrond getrokken.~
291 10, 20| 20 Daarom hebben de rechtvaardigen de goddelozen
292 10, 20| hebben de rechtvaardigen de goddelozen beroofd, en hebben,
293 10, 21| 21 Want de wijsheid opende de mond
294 10, 21| Want de wijsheid opende de mond der stommen, en de
295 10, 21| de mond der stommen, en de tongen der sprakelozen maakte
296 11, 1 | voorspoedig gemaakt door de hand van de heilige profeet.~
297 11, 1 | gemaakt door de hand van de heilige profeet.~
298 11, 7 | plaats van een fontein van de altijd vlietende stroom,
299 11, 7 | tot overtuiging des gebods de kleine kinderen te doden.~
300 11, 9 | 9 Aanwijzende door de dorst, die zij toen leden,
301 11, 9 | zij toen leden, hoe gij de tegenpartijders geplaagd
302 11, 10| hebben zij verstaan hoe de goddelozen, in toorn veroordeeld
303 11, 13| hen en een zuchten, met de gedachtenis der dingen die
304 11, 14| genoten, zo voelden zij de Here.~
305 11, 15| zij zich op het einde van de uitkomsten verwonderd, lijdende
306 11, 15| lijdende een andere dorst dan de rechtvaardigen.~
307 11, 16| 16 En in plaats van de onverstandige overleggingen
308 11, 18| almachtige hand niet, die de wereld uit een stof, die
309 11, 19| schrikkelijke vonken uit de ogen uitbliksemen.~
310 11, 21| vallen, vervolgd zijnde door de wraak, en verstrooid door
311 11, 21| wraak, en verstrooid door de geest uwer kracht, als door
312 11, 22| altijd bij u, en wie kan de kracht van uw arm tegenstaan?~
313 11, 23| 23 Want de ganse wereld is voor u gelijk
314 11, 23| voor u gelijk een aasje uit de weegschalen, en als een
315 11, 23| en als een droppel van de morgendauw, nederkomende
316 11, 23| morgendauw, nederkomende op de aarde.~
317 11, 24| vermoogt, en gij overziet de zonden der mensen, opdat
318 11, 27| verschoont alle dingen, omdat zij de uwe zijn, o Here, gij liefhebber
319 12, 2 | zondigen, opdat zij van de boosheid afgeweken zijnde
320 12, 3 | 3 Want hatende de oude inwoners van uw heilig
321 12, 5 | 5 Zo hebt gij de onbarmhartige moordenaars
322 12, 6 | 6 En de bloedeters uit het midden
323 12, 6 | van uw goddelijk land, en de ouders, die met hun eigen
324 12, 6 | die met hun eigen handen de hulpeloze zielen ombrachten,
325 12, 6 | gij willen uitdelgen door de handen onzer vaderen.~
326 12, 7 | dierbaarste is van alle, de waardige inwoning der kinderen
327 12, 9 | waart niet onmachtig om de goddelozen in een veldslag
328 12, 9 | goddelozen in een veldslag de rechtvaardigen onderdanig
329 12, 12| zal u beschuldigen vanwege de heidenen die verloren zijn,
330 12, 12| als een wreker, vanwege de onrechtvaardige mensen?~
331 12, 14| noch tiran zal u onder de ogen kunnen gaan, vanwege
332 12, 17| volkomen is, en wederlegt de stoutheid in degenen die
333 12, 18| Maar gij, heersende over de sterkte, oordeelt met bescheidenheid
334 12, 19| Gij uw volk geleerd, dat de rechtvaardige tegen de mensen
335 12, 19| dat de rechtvaardige tegen de mensen lieftallig moet zijn;
336 12, 19| hoop gegeven, omdat gij op de zonden bekering geeft.~
337 12, 20| 20 Want indien gij de vijanden uwer kinderen,
338 12, 20| wijze, waardoor zij van de boosheid mochten aflaten;~
339 12, 24| ook waren zij zo ver in de wegen der dwalingen verdoold,
340 12, 24| dwalingen verdoold, dat zij ook de dieren, die bij hun vijanden
341 12, 24| zijnde bedrogen gelijk de onverstandige kinderen.~
342 12, 26| 26 Maar zij, die door de bespottelijke bestraffing
343 12, 27| geweigerd te kennen; waarom ook de uiterste verdoemenis over
344 13, 1 | van God is, en hebben uit de zichtbare goederen niet
345 13, 1 | die is; noch hebben door de opmerking zijner werken
346 13, 1 | opmerking zijner werken de werkmeester erkend.~
347 13, 2 | gemeend, dat of het vuur, of de wind, of de snelle lucht,
348 13, 2 | het vuur, of de wind, of de snelle lucht, of de omloop
349 13, 2 | of de snelle lucht, of de omloop der sterren, of het
350 13, 2 | of het krachtige water of de lichten des hemels, goden
351 13, 2 | hemels, goden waren, die de wereld regeerden.~
352 13, 3 | dan erkennen hoeveel beter de Here daarvan is; want de
353 13, 3 | de Here daarvan is; want de oorspronkelijke beginner
354 13, 5 | 5 Want uit de grootte en schoonheid der
355 13, 6 | Maar nochtans is in deze de klacht gering, want ook
356 13, 7 | het gezicht bewogen, omdat de dingen die gezien worden
357 13, 9 | zij hebben kunnen treffen de kennis der wereld, hoe hebben
358 13, 9 | hebben zij niet veel eer de Here dezer dingen gevonden?~
359 13, 10| en al hun hoop is onder de doden te rekenen, die de
360 13, 10| de doden te rekenen, die de werken der mensenhanden
361 13, 12| 12 Zo gebruikt hij de spaanders van zijn werk
362 13, 13| daar een beeld van door de ervarenheid zijns verstands,
363 13, 15| waardig is, zet hij het in de muur en maakt het vast met
364 13, 19| gelukkige reis, hetgeen zelf de gang niet gebruiken kan,
365 13, 19| werk, en om hetgeen men met de handen verkrijgt, en om
366 13, 19| bidt hij degene, die met de handen niet werken kan.~ ~ ~
367 14, 1 | scheep te gaan en voorheeft de wilde baren te doorreizen,
368 14, 2 | 2 Want de begeerte der winst heeft
369 14, 2 | winst heeft dat bedacht, en de kunstige wijsheid heeft
370 14, 3 | het; want gij geeft ook in de zee een weg, en in de baren
371 14, 3 | in de zee een weg, en in de baren een zeker pad.~
372 14, 5 | 5 Gij wilt niet dat de werken uwer wijsheid ledig
373 14, 5 | zijn, daarom vertrouwen ook de mensen hun zielen aan een
374 14, 5 | gering hout, en varende door de baren, worden door een schip
375 14, 6 | Want ook in het begin als de hovaardige reuzen vergingen,
376 14, 6 | hovaardige reuzen vergingen, nam de hoop der wereld haar toevlucht
377 14, 6 | toevlucht tot een schip, en liet de wereld een zaad der voortteling
378 14, 9 | bij God zijn even hatelijk de goddeloze en zijn goddeloosheid.~
379 14, 11| 11 Daarom zullen ook de afgoden der heidenen bezocht
380 14, 11| worden, omdat zij onder de schepselen Gods tot een
381 14, 11| gruwel geworden zijn, en de zielen der mensen tot ergernissen,
382 14, 11| mensen tot ergernissen, en de voeten der onwijzen tot
383 14, 12| 12 Want de bedenking der afgoden is
384 14, 12| hoererij; en hun uitvinding de verderving des levens.~
385 14, 14| ijdele eer der mensen is in de wereld gekomen, en daarom
386 14, 15| zijnde, maakte een beeld, en de mens, die toen dood was,
387 14, 16| goddeloze gewoonte mettertijd de overhand genomen hebbende,
388 14, 16| onderhouden geweest, en de gesneden beelden zijn door
389 14, 16| gesneden beelden zijn door de geboden der tirannen geeerd
390 14, 17| 17 Welke, daar de mensen niet konden tegenwoordig
391 14, 17| schijnbaar beeld gemaakt van de koning die zij eerden; opdat
392 14, 17| vlijt zouden mogen vleien de afwezige, alsof hij tegenwoordig
393 14, 18| 18 De eergierigheid van de kunstenaar
394 14, 18| 18 De eergierigheid van de kunstenaar heeft ook de
395 14, 18| de kunstenaar heeft ook de onwetenden aangedreven tot
396 14, 19| deze misschien willende de prins behagen, heeft zijn
397 14, 19| gedaan, om door zijn kunst, de gelijkheid op het schoonst
398 14, 20| En het gemene volk, door de aangenaamheid van het werk
399 14, 21| geweest voor het leven, omdat de mensen, òf het ongeval,
400 14, 21| mensen, òf het ongeval, òf de tirannie dienende, aan steen
401 14, 21| steen en hout hebben gegeven de naam, die niet mag gemeen
402 14, 22| het niet genoeg omtrent de kennis van God te dwalen,
403 14, 24| echtstaat rein; maar òf de een brengt de ander om door
404 14, 24| rein; maar òf de een brengt de ander om door list, òf doet
405 14, 27| 27 Want de dienst der afgoden, die
406 14, 27| noemen, is het beginsel, en de oorzaak, en het einde van
407 14, 29| Want betrouwen hebbende op de afgoden die geen leven hebben,
408 14, 30| hebben van God, aanhangende de afgoden; en dat zij onrechtvaardig
409 14, 30| onrechtvaardig met bedrog zweren, en de heiligheid verachten.~
410 14, 31| 31 Want niet de kracht dergene bij welke
411 14, 31| bij welke men zweert, maar de wraak dergenen die zondigen,
412 14, 31| zondigen, komt altijd over de overtreding der onrechtvaardigen.~
413 15, 2 | zondigen, wetende dat wij onder de uwen gerekend worden.~
414 15, 4 | Want ons heeft niet verleid de kwade bedenking der mensen,
415 15, 4 | bedenking der mensen, noch de schaduw der schilderijen,
416 15, 5 | 5 Waarvan de aanschouwing in de onwijze
417 15, 5 | Waarvan de aanschouwing in de onwijze begeerte verwekt,
418 15, 5 | dat hij lust krijgt tot de gedaante van een dood beeld,
419 15, 7 | een pottenbakker tredende de weke aarde met moeite, maakt
420 15, 7 | worden, daarover oordeelt de leemwerker.~
421 15, 8 | hij genomen is, wanneer de schuld der ziel hem zal
422 15, 9 | hij om strijd arbeidt met de goudsmeden en zilversmeden,
423 15, 9 | zilversmeden, en dat hij het de koperslagers nadoet, en
424 15, 12| ons leven een spelen, en de loop des levens een jaarmarkt,
425 15, 14| 14 Maar de vijanden uws volks, die
426 15, 14| onwijs, en ellendig boven de zielen der kleine kinderen.~
427 15, 15| 15 Omdat zij al de beelden der heidenen houden
428 15, 15| lucht aan te trekken, noch de oren om te horen, noch de
429 15, 15| de oren om te horen, noch de vingers hunner handen om
430 15, 16| heeft hen gemaakt, en die de adem in leen ontvangen heeft,
431 15, 18| 18 En eren ook de dieren die de allervijandigste
432 15, 18| En eren ook de dieren die de allervijandigste zijn; want
433 15, 19| andere dieren; maar zij zijn de lof Gods en zijn zegen ontvloden.~
434 16, 2 | kwakkelen hebt toebereid, om de lust van hun begeerte te
435 16, 3 | spijs lust hadden, vanwege de vertoonde plaag der dingen
436 16, 3 | gezonden waren, hen ook van de noodwendige begeerte zouden
437 16, 3 | tijd gebrek geleden, ook de vreemde smaak zouden deelachtig
438 16, 5 | over hen kwam, en zij door de beten der schadelijke slangen
439 16, 7 | aanschouwd had, maar door u de behouder van allen.~
440 16, 9 | Want die werden wel van de beten der sprinkhanen en
441 16, 10| kinderen zijn ook zelfs van de tanden de venijnige draken
442 16, 10| ook zelfs van de tanden de venijnige draken niet overwonnen;
443 16, 13| over dood, gij leidt af tot de poorten der hel en leidt
444 16, 14| door zijn boosheid maar de geest die uitgevaren is
445 16, 14| niet doen wederkeren, noch de ziel wederbrengen die weggenomen
446 16, 16| 16 Want de goddelozen weigerende u
447 16, 17| toch alles uitblust, want de wereld strijdt voor de rechtvaardigen.~
448 16, 17| want de wereld strijdt voor de rechtvaardigen.~
449 16, 18| Want somtijds matigde zich de vlam, opdat zij niet zoude
450 16, 18| zij niet zoude verbranden de beesten, die tegen de goddelozen
451 16, 18| verbranden de beesten, die tegen de goddelozen uitgezonden waren,
452 16, 19| 19 Somtijds brandde ook de vlam in het midden van het
453 16, 19| midden van het water boven de kracht van het vuur, opdat
454 16, 20| en toebereid brood van de hemel gezonden zonder hun
455 16, 22| dat het vuur brandende in de hagel en bliksemende in
456 16, 22| hagel en bliksemende in de regen, het gewas der vijanden
457 16, 23| eigen kracht vergeten, opdat de rechtvaardigen zouden gevoed
458 16, 24| kracht uit tot straf tegen de onrechtvaardigen, en laat
459 16, 25| uw alvoedende gave, naar de wil der behoeftigen.~
460 16, 26| niet het gewas der vruchten de mens voedt, maar dat uw
461 16, 28| Opdat zo bekend zij, dat men de zon moet voorkomen om u
462 16, 28| danken, en u ontmoeten tegen de opgang des lichts.~
463 16, 29| 29 Want de hoop des ondankbaren zal
464 17, 1 | te verhalen; daarom zijn de zielen, die niet onderwezen
465 17, 2 | 2 Want de ongerechtigen, als zij zich
466 17, 2 | houden, lagen gebonden van de duisternis, en geboeid van
467 17, 2 | duisternis, en geboeid van de lange nacht, besloten zijnde
468 17, 2 | nacht, besloten zijnde onder de daken, als vluchtig voor
469 17, 2 | daken, als vluchtig voor de eeuwige voorzienigheid.~
470 17, 4 | 4 Want ook de binnenste plaats waarin
471 17, 5 | vermocht hen te lichten, en de glinsterende vlammen der
472 17, 7 | 7 De guichelarijen der toverkunst
473 17, 8 | Want zij, die beloofden van de zieke mens de schrik en
474 17, 8 | beloofden van de zieke mens de schrik en beroertenis te
475 17, 10| 10 En weigerende de lucht te aanschouwen, die
476 17, 11| 11 Want de boosheid is een vervaard
477 17, 11| en benauwd zijnde door de conscientie vermoedt altijd
478 17, 12| 12 Want de vrees is niets anders dan
479 17, 13| 13 Maar hoe minder de verwachting van binnen is,
480 17, 13| binnen is, hoe meer zij acht de onwetendheid der oorzaak,
481 17, 14| onverdragelijk was, uit de binnenste holen van de onverdragelijke
482 17, 14| uit de binnenste holen van de onverdragelijke hel voortgekomen,
483 17, 15| 15 Werden eensdeels door de wonderlijke spokerijen gedreven
484 17, 16| gevangen was, opgesloten in de kerker zonder ijzers.~
485 17, 17| moeilijker werken doet in de woestijn, zijnde verrast,
486 17, 17| zijnde verrast, zo moest hij de onvermijdelijke nood dragen.~
487 17, 19| gezang der vogelen, omtrent de dichte takken, of het ruisen
488 17, 19| nedergeworpen worden, of de onzienlijke loop der springende
489 17, 19| der springende beesten, of de stem der huilende wreedste
490 17, 19| huilende wreedste dieren, of de weerklank die uit de holen
491 17, 19| of de weerklank die uit de holen der bergen tegenschalt
492 17, 20| 20 Want de gehele wereld lichtte met
493 17, 21| waren zichzelf zwaarder dan de duisternis.~
494 18, 1 | licht, welker stem zij (de Egyptenaars) wel hoorden,
495 18, 3 | kolom, die hen geleidde op de weg der onbekende reis,
496 18, 4 | het licht beroofd en in de duisternis gevangen werden
497 18, 4 | onverderfelijke licht uwer wet aan de wereld zou gegeven worden.~
498 18, 5 | zij beraadslaagd hadden de kleine kinderen der heiligen
499 18, 5 | naamt gij tot overtuiging de menigte hunner kinderen
500 18, 7 | van uw volk is verkregen de verlossing der rechtvaardigen,
1-500 | 501-572 |