Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
dat 101
datzelfde 1
datzelve 1
de 572
deden 1
deed 1
deel 5
Frequency    [«  »]
-----
-----
-----
572 de
523 en
226 een
210 zij

Het boek der Wijsheid

IntraText - Concordances

de

1-500 | 501-572

    Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 HEBT de gerechtigheid lief, gij, 2 1, 1 | gerechtigheid lief, gij, die de aarde richt; hebt van de 3 1, 1 | de aarde richt; hebt van de Here een goed gevoelen en 4 1, 3 | beproefd zijnde overtuigt de zotten.~ 5 1, 5 | 5 Want de Heilige Geest der onderwijzing 6 1, 5 | der onderwijzing vliedt de bedriegerij, wijkt af van 7 1, 5 | bedriegerij, wijkt af van de gedachten der onverstandigen 8 1, 5 | onverstandigen en bestraft hen, als de ongerechtigheid daarbij 9 1, 6 | 6 Want de wijsheid is een menslievende 10 1, 7 | 7 Want de Geest des Heren vervult 11 1, 7 | Geest des Heren vervult de aarde, en hetgeen alles 12 1, 8 | spreekt wat onrecht is, en de straffende wraak zal hem 13 1, 9 | 9 Want over de raadslagen der goddelozen 14 1, 9 | zijner woorden zal voor de Here komen, tot bestraffing 15 1, 10| Overmits zijn ijverig oor al de dingen hoort, en het knorren 16 1, 11| 11 Wacht ulieden dan voor de onnutte murmurering en onthoudt 17 1, 11| van achterklappen, want de verborgen rede zal niet 18 1, 11| niet ledig heengaan, en de mond die liegt, brengt de 19 1, 11| de mond die liegt, brengt de ziel om.~ 20 1, 12| 12 Staat niet naar de dood door dwaling uws levens, 21 1, 13| 13 Want God heeft de dood niet gemaakt, en heeft 22 1, 14| geschapen om te zijn, en de beginselen der wereld zijn 23 1, 16| 16 Maar de goddelozen hebben dat met 24 2, 1 | daar is geen genezing tegen de dood des mensen, en niemand 25 2, 1 | niemand wordt gekend, die uit de hel wedergekeerd is.~ 26 2, 2 | neusgaten is een rook, en de rede is een vonk voortkomende 27 2, 2 | een vonk voortkomende door de beweging van ons hart.~ 28 2, 3 | geest wordt verspreid gelijk de wijde lucht.~ 29 2, 4 | leven gaat voorbij, gelijk de voetstappen van een wolk, 30 2, 4 | gelijk een nevel, die van de stralen der zon nagejaagd 31 2, 6 | 6 Komt dan, en laat ons de tegenwoordige goederen genieten, 32 2, 6 | metterhaast gebruiken, gelijk in de jeugd.~ 33 2, 7 | kostelijke wijn en zalf, en de bloem der lente ga ons niet 34 2, 10| 10 Laat ons de arme rechtvaardige overweldigen, 35 2, 10| overweldigen, en laat ons de weduwen niet verschonen, 36 2, 10| weduwen niet verschonen, en de grijze, veeljarige haren 37 2, 12| 12 Laat ons op de rechtvaardige loeren, want 38 2, 12| onze werken, en verwijt ons de zonden begaan tegen de wet, 39 2, 12| ons de zonden begaan tegen de wet, en maakt gerucht van 40 2, 12| gerucht van ons vanwege de zonden onzer wandeling.~ 41 2, 15| zien, want zijn leven is de anderen ongelijk, en zijn 42 2, 18| 18 Want indien de rechtvaardige een zoon Gods 43 2, 18| en zal hem verlossen uit de hand dergenen die hem tegenstaan.~ 44 2, 22| 22 Zij verstaan de verborgenheden Gods niet, 45 2, 22| niet te hopen, en achten de eer der onbestraffelijke 46 2, 23| 23 Want God heeft de mens geschapen tot onverderfelijkheid, 47 2, 24| des duivels nijdigheid is de dood in de wereld gekomen, 48 2, 24| nijdigheid is de dood in de wereld gekomen, en die van 49 3, 1 | 1 MAAR de zielen der rechtvaardigen 50 3, 1 | der rechtvaardigen zijn in de hand Gods, en geen kwaal 51 3, 2 | 2 Zij schijnen in de ogen der dwazen te sterven, 52 3, 7 | over en weer lopen, gelijk de vonken in de stoppelen.~ 53 3, 7 | lopen, gelijk de vonken in de stoppelen.~ 54 3, 8 | 8 Zij zullen de heidenen oordelen, en over 55 3, 8 | heidenen oordelen, en over de volken heersen, en de Here 56 3, 8 | over de volken heersen, en de Here zal als koning in eeuwigheid 57 3, 9 | op hem betrouwen zullen de waarheid verstaan, en de 58 3, 9 | de waarheid verstaan, en de gelovigen zullen in liefde 59 3, 10| 10 Maar de goddelozen zullen gestraft 60 3, 10| zij gedacht hebben; die de rechtvaardige niet hebben 61 3, 10| niet hebben geacht, en van de Here zijn afgeweken.~ 62 3, 11| Want hij is ellendig die de wijsheid en tucht veracht, 63 3, 13| is vervloekt, daarom is de onvruchtbare zalig, die 64 3, 13| in overtreding, zij zal de vrucht genieten in de bezoeking 65 3, 13| zal de vrucht genieten in de bezoeking der zielen.~ 66 3, 14| 14 En de gesnedene is zalig die geen 67 3, 14| noch boze dingen tegen de Here, gedacht heeft, want 68 3, 14| een zeer aangenaam lot in de tempel des Heren.~ 69 3, 15| 15 Want de vrucht van de goede arbeid 70 3, 15| 15 Want de vrucht van de goede arbeid is heerlijk, 71 3, 15| goede arbeid is heerlijk, en de wortel der wijsheid vervalt 72 3, 16| 16 Maar de kinderen der echtbrekers 73 3, 18| hoop hebben, noch troost in de dag des oordeels.~ 74 4, 1 | want onsterfelijkheid is in de gedachtenis derzelve, dewijl 75 4, 1 | zij beide bij God en bij de mensen gekend wordt.~ 76 4, 2 | verlangt men naar haar, en in de toekomende eeuw draagt zij 77 4, 2 | en triomfeert, nadat zij de strijd der prijzen, die 78 4, 3 | 3 Maar de vruchtbare menigte der goddelozen 79 4, 4 | 4 Want hoewel zij in de takken voor een tijd weder 80 4, 4 | voortkomen, zullen zij van de wind bewogen, en van de 81 4, 4 | de wind bewogen, en van de kracht der winden uitgeworteld 82 4, 5 | 5 De ontijdige takjes zullen 83 4, 7 | 7 Maar de rechtvaardige, indien hij 84 4, 7 | komt te sterven, zal in de rust zijn.~ 85 4, 9 | 9 Maar wijsheid is de mensen dat rechte grijze 86 4, 9 | en een onbevlekt leven is de rechte ouderdom.~ 87 4, 10| bemind; en levende onder de zondaren werd hij weggenomen.~ 88 4, 11| Hij werd weggerukt, opdat de boosheid zijn verstand niet 89 4, 12| 12 Want de betovering der boosheid 90 4, 12| goede; en omdrijving van de lust keert een gemoed om, 91 4, 14| 14 Want zijn ziel was de Here aangenaam, daarom heeft 92 4, 15| 15 Doch de volken zien het, en bedenken 93 4, 16| 16 De rechtvaardige die gestorven 94 4, 16| gestorven is, veroordeelt de goddelozen die leven; en 95 4, 16| goddelozen die leven; en de jeugd die schielijk voleindigd 96 4, 16| schielijk voleindigd is, de veeljarige ouderdom des 97 4, 17| zullen zien het einde van de wijze, en niet bedenken 98 4, 17| beraadslaagd hebben, en waartoe hem de Here verzekerd heeft.~ 99 4, 18| zien en niets achten, maar de Here zal hen uitlachen.~ 100 4, 19| en tot versmaadheid onder de doden in eeuwigheid, want 101 4, 19| overhangende scheuren; en hen uit de grond bewegen, en zij zullen 102 5, 1 | 1 DAN zal de rechtvaardige met grote 103 5, 5 | is hij nu gerekend onder de kinderen Gods, en hoe is 104 5, 5 | en hoe is zijn lot onder de heiligen!~ 105 5, 6 | 6 Voorwaar wij zijn van de weg der waarheid afgedwaald, 106 5, 6 | heeft ons niet beschenen, en de zon der gerechtigheid is 107 5, 7 | zijn vervuld geworden in de paden der ongerechtigheid 108 5, 7 | omwegen doorreisd, maar de weg des Heren hebben wij 109 5, 8 | 8 Wat heeft ons de hovaardij gebaat? en wat 110 5, 8 | gebaat? en wat heeft ons de rijkdom met pochen gebracht?~ 111 5, 10| Gelijk een schip varende door de baren des waters, waarvan, 112 5, 10| spoor gevonden wordt, noch de rechte weg zijner reis door 113 5, 10| rechte weg zijner reis door de baren.~ 114 5, 11| kenteken wordt gevonden van de reis des vogels, die door 115 5, 11| reis des vogels, die door de lucht vliegt, maar als de 116 5, 11| de lucht vliegt, maar als de vleugels bewogen worden, 117 5, 11| vleugels bewogen worden, gaat de slag der wieken door de 118 5, 11| de slag der wieken door de lichte geslagen wind, die 119 5, 11| geslagen wind, die door de kracht des suizens gespleten 120 5, 11| men geen teken in hem van de doortocht.~ 121 5, 12| doelwit geschoten zijnde, de lucht die daardoor verdeeld 122 5, 15| 15 Want de hoop van de goddeloze is 123 5, 15| 15 Want de hoop van de goddeloze is gelijk een 124 5, 15| een vezeltje, hetwelk van de wind gedreven wordt, en 125 5, 15| en als een rook, die door de wind verwaaid wordt, of 126 5, 15| verwaaid wordt, of ook gelijk de gedachtenis voorbijgaat 127 5, 16| 16 Maar de rechtvaardigen leven in 128 5, 16| eeuwigheid, en hun loon is bij de Here, en de Allerhoogste 129 5, 16| loon is bij de Here, en de Allerhoogste zorgt voor 130 5, 17| en een schone kroon uit de hand des Heren, want met 131 5, 18| wapenen tot wraak tegen de vijanden.~ 132 5, 21| 21 En zal de gestrenge toorn scherpen 133 5, 21| scherpen tot een zwaard, en de wereld zal met hem strijden 134 5, 21| zal met hem strijden tegen de onwijzen.~ 135 5, 22| 22 De welmikkende pijlen der bliksemen 136 5, 22| een welgespannen boog uit de wolken op het doelwit treffen.~ 137 5, 23| tegen hen zeer woeden, en de stromen zullen tezamen heftig 138 5, 24| 24 De Geest der kracht zal hen 139 5, 24| draaiwind uitwannen, en de ongerechtigheid zal de gehele 140 5, 24| en de ongerechtigheid zal de gehele aarde verwoesten, 141 5, 24| gehele aarde verwoesten, en de boosaardigheid zal de stoelen 142 5, 24| en de boosaardigheid zal de stoelen der machtigen omkeren.~ 143 6, 1 | leert gij rechters van de einden der aarde,~ 144 6, 2 | en u verhovaardigt over de scharen der volken.~ 145 6, 3 | 3 Want de heerschappij is u door de 146 6, 3 | de heerschappij is u door de Here gegeven, en de macht 147 6, 3 | door de Here gegeven, en de macht door de Allerhoogste; 148 6, 3 | gegeven, en de macht door de Allerhoogste; die naar uw 149 6, 4 | recht hebt geoordeeld, noch de wet bewaard, noch naar de 150 6, 4 | de wet bewaard, noch naar de raad Gods hebt gewandeld.~ 151 6, 6 | 6 Want de minsten is het te vergeven 152 6, 6 | door barmhartigheid, maar de machtigen zullen streng 153 6, 7 | 7 Want de Here van allen zal de persoon 154 6, 7 | Want de Here van allen zal de persoon niet ontzien, en 155 6, 7 | persoon niet ontzien, en de grootte niet vrezen, want 156 6, 8 | 8 Maar over de heersende zal een sterke 157 6, 12| Blinkende en onverwelkelijk is de wijsheid, en wordt licht 158 6, 15| aan haar te gedenken is de volkomenheid der kloekheid, 159 6, 16| harer waardig zijn, en op de paden verschijnt zij hun 160 6, 17| 17 Want haar beginsel is de ware begeerte der onderwijzing, 161 6, 17| begeerte der onderwijzing, en de bezorging van onderwezen 162 6, 18| 18 En de liefde is de onderhouding 163 6, 18| 18 En de liefde is de onderhouding van haar wetten, 164 6, 18| onderhouding van haar wetten, en de onderhouding der wetten 165 6, 19| 19 En de onverderfelijkheid maakt 166 6, 20| 20 Want zelfs de begeerte der wijsheid brengt 167 6, 21| tronen en scepters, zo eert de wijsheid, opdat gij eeuwig 168 6, 22| u verkondigen, en zal u de verborgenheden niet verbergen, 169 6, 22| voorschijn brengen, en zal de waarheid geenszins voorbijgaan.~ 170 6, 23| 23 En ik zal mij op de weg niet begeven met de 171 6, 23| de weg niet begeven met de uitterende nijdigheid, want 172 6, 23| nijdigheid, want deze zal met de wijsheid geen gemeenschap 173 6, 24| 24 Maar de menigte der wijzen is de 174 6, 24| de menigte der wijzen is de behoudenis der wereld, en 175 7, 1 | en van het geslacht van de eerstgeschapen mens, die 176 7, 1 | eerstgeschapen mens, die uit de aarde zijn oorsprong heeft.~ 177 7, 2 | wellust die daarbij komt met de slaap.~ 178 7, 3 | heb ook, geboren zijnde, de lucht geschept, die ons 179 7, 3 | gemeen is, en ben gevallen op de aarde, die gelijke eigenschappen 180 7, 7 | gegeven; ik riep aan, en de geest der wijsheid kwam 181 7, 10| hebben tot een licht; want de glans uit haar wordt niet 182 7, 12| verheugd in alle dingen, want de wijsheid ging daarin voor, 183 7, 14| 14 Zij is de mensen een schat die niet 184 7, 14| zijn aangenaam geworden om de gaven, die uit de onderwijzing 185 7, 14| geworden om de gaven, die uit de onderwijzing voortkomen.~ 186 7, 15| bedenken hetgeen waardig te de dingen, die mij gegeven 187 7, 15| zijn, want hij leidt op de weg der wijsheid en bestiert 188 7, 15| der wijsheid en bestiert de wijzen recht.~ 189 7, 17| dingen die zijn, om te weten de gestalte der wereld, en 190 7, 17| gestalte der wereld, en de werkingen der elementen.~ 191 7, 18| en het midden der tijden, de verwisselingen van de omkeringen 192 7, 18| tijden, de verwisselingen van de omkeringen der zon, en de 193 7, 18| de omkeringen der zon, en de veranderingen der tijden,~ 194 7, 19| 19 De omloop des jaars, en de 195 7, 19| De omloop des jaars, en de stelling der sterren,~ 196 7, 20| 20 De natuur der dieren, en de 197 7, 20| De natuur der dieren, en de grimmigheid der wilde dieren, 198 7, 20| het geweld der winden, en de overleggingen der mensen, 199 7, 20| onderscheid der planten, en de krachten der wortelen.~ 200 7, 21| en openbare dingen, want de wijsheid, die van alle dingen 201 7, 24| 24 Want de wijsheid is bewegelijker 202 7, 25| uitvloeiing der heerlijkheid van de almachtige, daarom valt 203 7, 27| geslacht tot geslacht, in de heilige zielen overgaande, 204 7, 28| niets, dan degene, die bij de wijsheid woont.~ 205 7, 29| Want zij is schoner dan de zon, en verheven boven alle 206 7, 30| 30 Want na dat licht komt de nacht, maar de boosheid 207 7, 30| licht komt de nacht, maar de boosheid zal de wijsheid 208 7, 30| nacht, maar de boosheid zal de wijsheid niet overweldigen.~ 209 8, 3 | zij met God verkeert, en de Here aller dingen heeft 210 8, 5 | leven, wat is rijker dan de wijsheid die alles werkt?~ 211 8, 6 | 6 En zo de vernuftigheid werkt, wie 212 8, 6 | vernuftigheid werkt, wie is er onder de dingen die zijn groter kunstenaar 213 8, 7 | gerechtigheid en dapperheid, welke de mens nuttiger zijn in het 214 8, 8 | 8 En zo ook iemand de ervarenheid veler dingen 215 8, 8 | dingen begeert, zij weet de oude geschiedenissen, en 216 8, 8 | oude geschiedenissen, en de toekomstige dingen gist 217 8, 8 | dingen gist zij; zij weet de verdraaiing der woorden 218 8, 8 | verdraaiing der woorden en de ontbinding der raadselen; 219 8, 8 | wonderen weet zij tevoren, en de uitkomsten van gelegenheden 220 8, 10| nog jong zijnde eer bij de ouden.~ 221 8, 12| verder spreek, zullen zij de hand op hun mond leggen.~ 222 8, 13| 13 Ik zal door haar de onsterfelijkheid hebben, 223 8, 15| horende, zullen vrezen, onder de menigte zal ik mij goedertieren 224 8, 15| goedertieren vertonen, en in de oorlog als een man, en als 225 8, 17| mijn hart bedacht, dat in de maagschap der wijsheid de 226 8, 17| de maagschap der wijsheid de onsterfelijkheid is;~ 227 8, 18| niet afneemt, en dat in de gezamenlijke oefening van 228 8, 18| gezamenlijke oefening van de omgang met haar kloekheid 229 8, 18| kloekheid is, dat ook in de gemeenschap harer woorden 230 8, 21| genade komt) zo ging ik tot de Here, en bad hem, en sprak 231 9, 2 | 2 En de mens door uw wijsheid hebt 232 9, 2 | opdat hij zou heersen over de schepselen die van u gemaakt 233 9, 3 | 3 En dat hij de wereld zou regeren in heiligheid 234 9, 4 | 4 Geef mij de wijsheid, die bij uw tronen 235 9, 6 | 6 Want of iemand onder de kinderen der mensen volmaakt 236 9, 6 | niets geacht worden, wanneer de wijsheid, die van u komt, 237 9, 8 | bouwen, en een altaar in de stad uwer woning, naar de 238 9, 8 | de stad uwer woning, naar de gelijkheid van de heiilge 239 9, 8 | naar de gelijkheid van de heiilge tabernakel, welke 240 9, 9 | 9 Bij u is de wijsheid, die uw werken 241 9, 9 | tegenwoordig was, toen gij de wereld maakte, en verstaat 242 9, 10| hemelen, ja zend haar van de troon uwer heerlijkheid, 243 9, 12| richten, en zal waardig zijn de troon mijns vaders.~ 244 9, 13| 13 Want wie van de mensen kan de raad Gods 245 9, 13| Want wie van de mensen kan de raad Gods kennen? Of wie 246 9, 14| 14 Want de overleggingen der sterfelijke 247 9, 15| verderfelijk lichaam bezwaart de ziel, en de aardse tabernakel 248 9, 15| lichaam bezwaart de ziel, en de aardse tabernakel drukt 249 9, 16| nauwelijks maken wij na de dingen die op aarde zijn, 250 9, 16| dan nagespeurd hetgeen in de hemelen is?~ 251 9, 17| Geest gezonden hebt van de hoogste plaats.~ 252 9, 18| En zo zijn recht gemaakt de paden dergenen, die op aarde 253 9, 18| dergenen, die op aarde zijn, en de mensen hebben geleerd hetgeen 254 9, 19| 19 En door de wijsheid zijn zij behouden 255 10, 1 | DEZE wijsheid heeft bewaard de eerstgevormde en alleen 256 10, 3 | 3 Van welke de onrechtvaardige, afvallig 257 10, 3 | is verloren gegaan met de toornige bewegingen tot 258 10, 4 | 4 En als de aarde om zijnentwil met 259 10, 4 | aarde om zijnentwil met de watervloed bedekt was, zo 260 10, 4 | watervloed bedekt was, zo heeft de wijsheid weder behouden, 261 10, 4 | weder behouden, regerende de rechtvaardige door een verachtelijk 262 10, 5 | 5 Deze ook, als de volken door boze eigenzinnigheid 263 10, 5 | elkander verward waren, heeft de rechtvaardige gekend, en 264 10, 5 | behoed dat hij sterk bleef in de inwendige bewegingen der 265 10, 6 | 6 Deze toen de goddelozen vergingen, heeft 266 10, 6 | goddelozen vergingen, heeft de rechtvaardige verlost, toen 267 10, 7 | rokende woeste land, en de bomen die ontijdige vruchten 268 10, 7 | ontijdige vruchten dragen, en de zoutpilaar staande tot gedachtenis 269 10, 7 | staande tot gedachtenis van de ongelovige ziel.~ 270 10, 8 | 8 Want de wijsheid voorbijgaande, 271 10, 9 | 9 Maar de wijsheid heeft uit moeite 272 10, 10| 10 Deze geleidde de rechtvaardige op rechte 273 10, 10| hij vluchtende was voor de toorn zijns broeders, en 274 10, 11| 11 In de gierigheid dergenen die 275 10, 12| 12 Zij bewaarde hem van de vijanden, en maakte hem 276 10, 12| sterke strijd heeft zij hem de prijs der overwinning gegeven, 277 10, 12| opdat hij zou weten dat de godzaligheid machtiger is 278 10, 13| Deze heeft niet verlaten de rechtvaardige die verkocht 279 10, 13| was, maar heeft hem uit de zonde verlost; zij voer 280 10, 13| zij voer met hem af in de put.~ 281 10, 14| 14 En in de banden heeft zij hem niet 282 10, 14| bleef bij hem totdat zij hem de scepter des koninkrijks 283 10, 15| onbestraffelijk zaad verlost, uit de natie dergenen die haar 284 10, 16| 16 Zij is gegaan in de ziel van de dienaar des 285 10, 16| is gegaan in de ziel van de dienaar des Heren, en wederstond 286 10, 16| des Heren, en wederstond de vreselijke koningen met 287 10, 17| 17 Zij heeft de heiligen gegeven loon der 288 10, 18| heeft hen doen gaan door de Rode zee, en heeft hen overgebracht 289 10, 19| noch hen heeft zij uit de diepte van de afgrond getrokken.~ 290 10, 19| heeft zij uit de diepte van de afgrond getrokken.~ 291 10, 20| 20 Daarom hebben de rechtvaardigen de goddelozen 292 10, 20| hebben de rechtvaardigen de goddelozen beroofd, en hebben, 293 10, 21| 21 Want de wijsheid opende de mond 294 10, 21| Want de wijsheid opende de mond der stommen, en de 295 10, 21| de mond der stommen, en de tongen der sprakelozen maakte 296 11, 1 | voorspoedig gemaakt door de hand van de heilige profeet.~ 297 11, 1 | gemaakt door de hand van de heilige profeet.~ 298 11, 7 | plaats van een fontein van de altijd vlietende stroom, 299 11, 7 | tot overtuiging des gebods de kleine kinderen te doden.~ 300 11, 9 | 9 Aanwijzende door de dorst, die zij toen leden, 301 11, 9 | zij toen leden, hoe gij de tegenpartijders geplaagd 302 11, 10| hebben zij verstaan hoe de goddelozen, in toorn veroordeeld 303 11, 13| hen en een zuchten, met de gedachtenis der dingen die 304 11, 14| genoten, zo voelden zij de Here.~ 305 11, 15| zij zich op het einde van de uitkomsten verwonderd, lijdende 306 11, 15| lijdende een andere dorst dan de rechtvaardigen.~ 307 11, 16| 16 En in plaats van de onverstandige overleggingen 308 11, 18| almachtige hand niet, die de wereld uit een stof, die 309 11, 19| schrikkelijke vonken uit de ogen uitbliksemen.~ 310 11, 21| vallen, vervolgd zijnde door de wraak, en verstrooid door 311 11, 21| wraak, en verstrooid door de geest uwer kracht, als door 312 11, 22| altijd bij u, en wie kan de kracht van uw arm tegenstaan?~ 313 11, 23| 23 Want de ganse wereld is voor u gelijk 314 11, 23| voor u gelijk een aasje uit de weegschalen, en als een 315 11, 23| en als een droppel van de morgendauw, nederkomende 316 11, 23| morgendauw, nederkomende op de aarde.~ 317 11, 24| vermoogt, en gij overziet de zonden der mensen, opdat 318 11, 27| verschoont alle dingen, omdat zij de uwe zijn, o Here, gij liefhebber 319 12, 2 | zondigen, opdat zij van de boosheid afgeweken zijnde 320 12, 3 | 3 Want hatende de oude inwoners van uw heilig 321 12, 5 | 5 Zo hebt gij de onbarmhartige moordenaars 322 12, 6 | 6 En de bloedeters uit het midden 323 12, 6 | van uw goddelijk land, en de ouders, die met hun eigen 324 12, 6 | die met hun eigen handen de hulpeloze zielen ombrachten, 325 12, 6 | gij willen uitdelgen door de handen onzer vaderen.~ 326 12, 7 | dierbaarste is van alle, de waardige inwoning der kinderen 327 12, 9 | waart niet onmachtig om de goddelozen in een veldslag 328 12, 9 | goddelozen in een veldslag de rechtvaardigen onderdanig 329 12, 12| zal u beschuldigen vanwege de heidenen die verloren zijn, 330 12, 12| als een wreker, vanwege de onrechtvaardige mensen?~ 331 12, 14| noch tiran zal u onder de ogen kunnen gaan, vanwege 332 12, 17| volkomen is, en wederlegt de stoutheid in degenen die 333 12, 18| Maar gij, heersende over de sterkte, oordeelt met bescheidenheid 334 12, 19| Gij uw volk geleerd, dat de rechtvaardige tegen de mensen 335 12, 19| dat de rechtvaardige tegen de mensen lieftallig moet zijn; 336 12, 19| hoop gegeven, omdat gij op de zonden bekering geeft.~ 337 12, 20| 20 Want indien gij de vijanden uwer kinderen, 338 12, 20| wijze, waardoor zij van de boosheid mochten aflaten;~ 339 12, 24| ook waren zij zo ver in de wegen der dwalingen verdoold, 340 12, 24| dwalingen verdoold, dat zij ook de dieren, die bij hun vijanden 341 12, 24| zijnde bedrogen gelijk de onverstandige kinderen.~ 342 12, 26| 26 Maar zij, die door de bespottelijke bestraffing 343 12, 27| geweigerd te kennen; waarom ook de uiterste verdoemenis over 344 13, 1 | van God is, en hebben uit de zichtbare goederen niet 345 13, 1 | die is; noch hebben door de opmerking zijner werken 346 13, 1 | opmerking zijner werken de werkmeester erkend.~ 347 13, 2 | gemeend, dat of het vuur, of de wind, of de snelle lucht, 348 13, 2 | het vuur, of de wind, of de snelle lucht, of de omloop 349 13, 2 | of de snelle lucht, of de omloop der sterren, of het 350 13, 2 | of het krachtige water of de lichten des hemels, goden 351 13, 2 | hemels, goden waren, die de wereld regeerden.~ 352 13, 3 | dan erkennen hoeveel beter de Here daarvan is; want de 353 13, 3 | de Here daarvan is; want de oorspronkelijke beginner 354 13, 5 | 5 Want uit de grootte en schoonheid der 355 13, 6 | Maar nochtans is in deze de klacht gering, want ook 356 13, 7 | het gezicht bewogen, omdat de dingen die gezien worden 357 13, 9 | zij hebben kunnen treffen de kennis der wereld, hoe hebben 358 13, 9 | hebben zij niet veel eer de Here dezer dingen gevonden?~ 359 13, 10| en al hun hoop is onder de doden te rekenen, die de 360 13, 10| de doden te rekenen, die de werken der mensenhanden 361 13, 12| 12 Zo gebruikt hij de spaanders van zijn werk 362 13, 13| daar een beeld van door de ervarenheid zijns verstands, 363 13, 15| waardig is, zet hij het in de muur en maakt het vast met 364 13, 19| gelukkige reis, hetgeen zelf de gang niet gebruiken kan, 365 13, 19| werk, en om hetgeen men met de handen verkrijgt, en om 366 13, 19| bidt hij degene, die met de handen niet werken kan.~ ~ ~ 367 14, 1 | scheep te gaan en voorheeft de wilde baren te doorreizen, 368 14, 2 | 2 Want de begeerte der winst heeft 369 14, 2 | winst heeft dat bedacht, en de kunstige wijsheid heeft 370 14, 3 | het; want gij geeft ook in de zee een weg, en in de baren 371 14, 3 | in de zee een weg, en in de baren een zeker pad.~ 372 14, 5 | 5 Gij wilt niet dat de werken uwer wijsheid ledig 373 14, 5 | zijn, daarom vertrouwen ook de mensen hun zielen aan een 374 14, 5 | gering hout, en varende door de baren, worden door een schip 375 14, 6 | Want ook in het begin als de hovaardige reuzen vergingen, 376 14, 6 | hovaardige reuzen vergingen, nam de hoop der wereld haar toevlucht 377 14, 6 | toevlucht tot een schip, en liet de wereld een zaad der voortteling 378 14, 9 | bij God zijn even hatelijk de goddeloze en zijn goddeloosheid.~ 379 14, 11| 11 Daarom zullen ook de afgoden der heidenen bezocht 380 14, 11| worden, omdat zij onder de schepselen Gods tot een 381 14, 11| gruwel geworden zijn, en de zielen der mensen tot ergernissen, 382 14, 11| mensen tot ergernissen, en de voeten der onwijzen tot 383 14, 12| 12 Want de bedenking der afgoden is 384 14, 12| hoererij; en hun uitvinding de verderving des levens.~ 385 14, 14| ijdele eer der mensen is in de wereld gekomen, en daarom 386 14, 15| zijnde, maakte een beeld, en de mens, die toen dood was, 387 14, 16| goddeloze gewoonte mettertijd de overhand genomen hebbende, 388 14, 16| onderhouden geweest, en de gesneden beelden zijn door 389 14, 16| gesneden beelden zijn door de geboden der tirannen geeerd 390 14, 17| 17 Welke, daar de mensen niet konden tegenwoordig 391 14, 17| schijnbaar beeld gemaakt van de koning die zij eerden; opdat 392 14, 17| vlijt zouden mogen vleien de afwezige, alsof hij tegenwoordig 393 14, 18| 18 De eergierigheid van de kunstenaar 394 14, 18| 18 De eergierigheid van de kunstenaar heeft ook de 395 14, 18| de kunstenaar heeft ook de onwetenden aangedreven tot 396 14, 19| deze misschien willende de prins behagen, heeft zijn 397 14, 19| gedaan, om door zijn kunst, de gelijkheid op het schoonst 398 14, 20| En het gemene volk, door de aangenaamheid van het werk 399 14, 21| geweest voor het leven, omdat de mensen, òf het ongeval, 400 14, 21| mensen, òf het ongeval, òf de tirannie dienende, aan steen 401 14, 21| steen en hout hebben gegeven de naam, die niet mag gemeen 402 14, 22| het niet genoeg omtrent de kennis van God te dwalen, 403 14, 24| echtstaat rein; maar òf de een brengt de ander om door 404 14, 24| rein; maar òf de een brengt de ander om door list, òf doet 405 14, 27| 27 Want de dienst der afgoden, die 406 14, 27| noemen, is het beginsel, en de oorzaak, en het einde van 407 14, 29| Want betrouwen hebbende op de afgoden die geen leven hebben, 408 14, 30| hebben van God, aanhangende de afgoden; en dat zij onrechtvaardig 409 14, 30| onrechtvaardig met bedrog zweren, en de heiligheid verachten.~ 410 14, 31| 31 Want niet de kracht dergene bij welke 411 14, 31| bij welke men zweert, maar de wraak dergenen die zondigen, 412 14, 31| zondigen, komt altijd over de overtreding der onrechtvaardigen.~ 413 15, 2 | zondigen, wetende dat wij onder de uwen gerekend worden.~ 414 15, 4 | Want ons heeft niet verleid de kwade bedenking der mensen, 415 15, 4 | bedenking der mensen, noch de schaduw der schilderijen, 416 15, 5 | 5 Waarvan de aanschouwing in de onwijze 417 15, 5 | Waarvan de aanschouwing in de onwijze begeerte verwekt, 418 15, 5 | dat hij lust krijgt tot de gedaante van een dood beeld, 419 15, 7 | een pottenbakker tredende de weke aarde met moeite, maakt 420 15, 7 | worden, daarover oordeelt de leemwerker.~ 421 15, 8 | hij genomen is, wanneer de schuld der ziel hem zal 422 15, 9 | hij om strijd arbeidt met de goudsmeden en zilversmeden, 423 15, 9 | zilversmeden, en dat hij het de koperslagers nadoet, en 424 15, 12| ons leven een spelen, en de loop des levens een jaarmarkt, 425 15, 14| 14 Maar de vijanden uws volks, die 426 15, 14| onwijs, en ellendig boven de zielen der kleine kinderen.~ 427 15, 15| 15 Omdat zij al de beelden der heidenen houden 428 15, 15| lucht aan te trekken, noch de oren om te horen, noch de 429 15, 15| de oren om te horen, noch de vingers hunner handen om 430 15, 16| heeft hen gemaakt, en die de adem in leen ontvangen heeft, 431 15, 18| 18 En eren ook de dieren die de allervijandigste 432 15, 18| En eren ook de dieren die de allervijandigste zijn; want 433 15, 19| andere dieren; maar zij zijn de lof Gods en zijn zegen ontvloden.~ 434 16, 2 | kwakkelen hebt toebereid, om de lust van hun begeerte te 435 16, 3 | spijs lust hadden, vanwege de vertoonde plaag der dingen 436 16, 3 | gezonden waren, hen ook van de noodwendige begeerte zouden 437 16, 3 | tijd gebrek geleden, ook de vreemde smaak zouden deelachtig 438 16, 5 | over hen kwam, en zij door de beten der schadelijke slangen 439 16, 7 | aanschouwd had, maar door u de behouder van allen.~ 440 16, 9 | Want die werden wel van de beten der sprinkhanen en 441 16, 10| kinderen zijn ook zelfs van de tanden de venijnige draken 442 16, 10| ook zelfs van de tanden de venijnige draken niet overwonnen; 443 16, 13| over dood, gij leidt af tot de poorten der hel en leidt 444 16, 14| door zijn boosheid maar de geest die uitgevaren is 445 16, 14| niet doen wederkeren, noch de ziel wederbrengen die weggenomen 446 16, 16| 16 Want de goddelozen weigerende u 447 16, 17| toch alles uitblust, want de wereld strijdt voor de rechtvaardigen.~ 448 16, 17| want de wereld strijdt voor de rechtvaardigen.~ 449 16, 18| Want somtijds matigde zich de vlam, opdat zij niet zoude 450 16, 18| zij niet zoude verbranden de beesten, die tegen de goddelozen 451 16, 18| verbranden de beesten, die tegen de goddelozen uitgezonden waren, 452 16, 19| 19 Somtijds brandde ook de vlam in het midden van het 453 16, 19| midden van het water boven de kracht van het vuur, opdat 454 16, 20| en toebereid brood van de hemel gezonden zonder hun 455 16, 22| dat het vuur brandende in de hagel en bliksemende in 456 16, 22| hagel en bliksemende in de regen, het gewas der vijanden 457 16, 23| eigen kracht vergeten, opdat de rechtvaardigen zouden gevoed 458 16, 24| kracht uit tot straf tegen de onrechtvaardigen, en laat 459 16, 25| uw alvoedende gave, naar de wil der behoeftigen.~ 460 16, 26| niet het gewas der vruchten de mens voedt, maar dat uw 461 16, 28| Opdat zo bekend zij, dat men de zon moet voorkomen om u 462 16, 28| danken, en u ontmoeten tegen de opgang des lichts.~ 463 16, 29| 29 Want de hoop des ondankbaren zal 464 17, 1 | te verhalen; daarom zijn de zielen, die niet onderwezen 465 17, 2 | 2 Want de ongerechtigen, als zij zich 466 17, 2 | houden, lagen gebonden van de duisternis, en geboeid van 467 17, 2 | duisternis, en geboeid van de lange nacht, besloten zijnde 468 17, 2 | nacht, besloten zijnde onder de daken, als vluchtig voor 469 17, 2 | daken, als vluchtig voor de eeuwige voorzienigheid.~ 470 17, 4 | 4 Want ook de binnenste plaats waarin 471 17, 5 | vermocht hen te lichten, en de glinsterende vlammen der 472 17, 7 | 7 De guichelarijen der toverkunst 473 17, 8 | Want zij, die beloofden van de zieke mens de schrik en 474 17, 8 | beloofden van de zieke mens de schrik en beroertenis te 475 17, 10| 10 En weigerende de lucht te aanschouwen, die 476 17, 11| 11 Want de boosheid is een vervaard 477 17, 11| en benauwd zijnde door de conscientie vermoedt altijd 478 17, 12| 12 Want de vrees is niets anders dan 479 17, 13| 13 Maar hoe minder de verwachting van binnen is, 480 17, 13| binnen is, hoe meer zij acht de onwetendheid der oorzaak, 481 17, 14| onverdragelijk was, uit de binnenste holen van de onverdragelijke 482 17, 14| uit de binnenste holen van de onverdragelijke hel voortgekomen, 483 17, 15| 15 Werden eensdeels door de wonderlijke spokerijen gedreven 484 17, 16| gevangen was, opgesloten in de kerker zonder ijzers.~ 485 17, 17| moeilijker werken doet in de woestijn, zijnde verrast, 486 17, 17| zijnde verrast, zo moest hij de onvermijdelijke nood dragen.~ 487 17, 19| gezang der vogelen, omtrent de dichte takken, of het ruisen 488 17, 19| nedergeworpen worden, of de onzienlijke loop der springende 489 17, 19| der springende beesten, of de stem der huilende wreedste 490 17, 19| huilende wreedste dieren, of de weerklank die uit de holen 491 17, 19| of de weerklank die uit de holen der bergen tegenschalt 492 17, 20| 20 Want de gehele wereld lichtte met 493 17, 21| waren zichzelf zwaarder dan de duisternis.~ 494 18, 1 | licht, welker stem zij (de Egyptenaars) wel hoorden, 495 18, 3 | kolom, die hen geleidde op de weg der onbekende reis, 496 18, 4 | het licht beroofd en in de duisternis gevangen werden 497 18, 4 | onverderfelijke licht uwer wet aan de wereld zou gegeven worden.~ 498 18, 5 | zij beraadslaagd hadden de kleine kinderen der heiligen 499 18, 5 | naamt gij tot overtuiging de menigte hunner kinderen 500 18, 7 | van uw volk is verkregen de verlossing der rechtvaardigen,


1-500 | 501-572

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License