Chapter, Verse
1 1, 11| die liegt, brengt de ziel om.~
2 1, 14| heeft alle dingen geschapen om te zijn, en de beginselen
3 2, 15| ons bezwaarlijk, ook zelfs om aan te zien, want zijn leven
4 4, 12| de lust keert een gemoed om, dat zonder kwaad is.~
5 6, 13| degenen die haar begeren, om tevoren gekend te worden.~
6 6, 15| volkomenheid der kloekheid, en die om harentwil waakt, zal haast
7 7, 10| bemind, en heb haar verkoren om te hebben tot een licht;
8 7, 14| zijn aangenaam geworden om de gaven, die uit de onderwijzing
9 7, 17| kennis der dingen die zijn, om te weten de gestalte der
10 8, 9 | besloten ze tot mij te brengen, om met mij te leven, wetende
11 10, 2 | val en hem sterkte gegeven om te heersen over alle dingen.~
12 10, 4 | 4 En als de aarde om zijnentwil met de watervloed
13 12, 8 | heengezonden, namelijk wespen, om hen gaandeweg uit te roeien.~
14 12, 9 | Gij waart niet onmachtig om de goddelozen in een veldslag
15 12, 15| degene, die niet schuldig is om gestraft te worden.~
16 13, 12| spaanders van zijn werk om spijze te bereiden, en wordt
17 13, 18| dat zwak is roept hij aan om gezondheid, en bidt hetgeen
18 13, 18| bidt hetgeen dat dood is om het leven, en hetgeen dat
19 13, 18| onbedreven is, dat smeekt hij om bijstand.~
20 13, 19| 19 En om een gelukkige reis, hetgeen
21 13, 19| gang niet gebruiken kan, en om gewin, en om werk, en om
22 13, 19| gebruiken kan, en om gewin, en om werk, en om hetgeen men
23 13, 19| om gewin, en om werk, en om hetgeen men met de handen
24 13, 19| de handen verkrijgt, en om een goede uitkomst bidt
25 14, 1 | iemand die zich toerust om scheep te gaan en voorheeft
26 14, 17| konden tegenwoordig zijn, om hen te eren, omdat zij verre
27 14, 19| heeft zijn best gedaan, om door zijn kunst, de gelijkheid
28 14, 24| òf de een brengt de ander om door list, òf doet hem smart
29 14, 30| 30 Doch zij zullen om deze beide dingen rechtvaardig
30 15, 9 | leven heeft, maar omdat hij om strijd arbeidt met de goudsmeden
31 15, 15| ogen niet kunnen gebruiken om te zien, noch hun neusgaten
32 15, 15| zien, noch hun neusgaten om lucht aan te trekken, noch
33 15, 15| te trekken, noch de oren om te horen, noch de vingers
34 15, 15| de vingers hunner handen om iets aan te tasten, en welker
35 15, 15| en welker voeten lui zijn om voort te gaan.~
36 15, 19| 19 En zijn niet schoon om zo zeer begeerd te worden,
37 16, 2 | kwakkelen hebt toebereid, om de lust van hun begeerte
38 16, 6 | een teken der behoudenis, om hen te doen gedenken aan
39 16, 11| als met prikkelen gestoken om te gedenken aan uw woorden,
40 16, 28| men de zon moet voorkomen om u te danken, en u ontmoeten
41 17, 1 | oordelen zijn groot en zwaar om te verhalen; daarom zijn
42 18, 2 | schade deden, en smeekten om genade, dat zij met hen
43 18, 12| waren zelfs niet genoegzaam om die te begraven, overmits
44 18, 18| liggende, half dood, openbaarde om wat oorzaak hij stierf.~
45 19, 18| water-dieren, en die gemaakt waren om te zwemmen gingen op de
|