Chapter, Verse
1 1, 1 | zoekt hem in eenvoudigheid des harten.~
2 1, 7 | 7 Want de Geest des Heren vervult de aarde,
3 1, 10| dingen hoort, en het knorren des murmurerens hem niet verborgen
4 1, 14| en in deze is geen venijn des verderfs, en het rijk der
5 2, 1 | geen genezing tegen de dood des mensen, en niemand wordt
6 2, 10| grijze, veeljarige haren des ouden niet ontzien.~
7 2, 13| noemt zichzelf een kind des Heren.~
8 2, 24| 24 Maar door des duivels nijdigheid is de
9 3, 14| worden een uitverkoren genade des geloofs, en een zeer aangenaam
10 3, 14| aangenaam lot in de tempel des Heren.~
11 3, 18| hebben, noch troost in de dag des oordeels.~
12 4, 16| de veeljarige ouderdom des onrechtvaardigen.~
13 5, 3 | elkander zeggen, en door angst des geestes zuchten, en zeggen:
14 5, 7 | paden der ongerechtigheid en des verderfs, en hebben woeste
15 5, 7 | omwegen doorreisd, maar de weg des Heren hebben wij niet gekend.~
16 5, 10| schip varende door de baren des waters, waarvan, als het
17 5, 11| wordt gevonden van de reis des vogels, die door de lucht
18 5, 11| wind, die door de kracht des suizens gespleten wordt,
19 5, 17| schone kroon uit de hand des Heren, want met zijn rechterhand
20 6, 14| 14 Die vroeg des morgens tot haar zal gekomen
21 6, 24| wereld, en een wijs koning is des volks welstand.~
22 7, 19| 19 De omloop des jaars, en de stelling der
23 7, 26| Want zij is een afschijnsel des eeuwigen lichts, en een
24 9, 3 | gerechtigheid, en in oprechtheid des harten oordelen.~
25 10, 14| totdat zij hem de scepter des koninkrijks bracht, en macht
26 10, 16| in de ziel van de dienaar des Heren, en wederstond de
27 10, 17| geworden tot een deksel des daags, en des nachts tot
28 10, 17| een deksel des daags, en des nachts tot een vlam der
29 11, 7 | geworden, tot overtuiging des gebods de kleine kinderen
30 12, 20| vijanden uwer kinderen, en die des doods schuldig waren, met
31 12, 23| degenen die in dwaasheid des levens onrechtvaardig geleefd
32 13, 2 | krachtige water of de lichten des hemels, goden waren, die
33 13, 11| hetwelk nuttig is tot dienst des levens:~
34 14, 12| uitvinding de verderving des levens.~
35 15, 12| leven een spelen, en de loop des levens een jaarmarkt, waar
36 16, 19| zij het gewas van het land des onrechtvaardigen zou verderven.~
37 16, 28| ontmoeten tegen de opgang des lichts.~
38 16, 29| 29 Want de hoop des ondankbaren zal versmelten
39 16, 29| versmelten als een rijm die des winters valt, en zal wegvloeien
40 17, 5 | 5 Zelfs geen kracht des vuurs vermocht hen te lichten,
41 18, 12| gezamenlijk allen, onder één naam des doods, ontelbare doden,
42 18, 20| heeft eenmaal de aanvechting des doods de rechtvaardigen
43 18, 22| verderver niet door sterkte des lichaams, niet door kracht
44 18, 25| hij, want de beproeving des toorns was alleen genoeg.~
45 19, 16| degenen die voor de deur des rechtvaardigen waren; want
|