Chapter, Verse
1 2, 2 | zijn wij geboren en na deze zullen wij zijn alsof wij niet
2 3, 5 | weinig getuchtigd geweest, zullen zij grote weldaden genieten,
3 3, 7 | tijde van hun bezoeking zullen zij blinken, en over en
4 3, 8 | 8 Zij zullen de heidenen oordelen, en
5 3, 9 | 9 Die op hem betrouwen zullen de waarheid verstaan, en
6 3, 9 | verstaan, en de gelovigen zullen in liefde bij hem blijven,
7 3, 10| 10 Maar de goddelozen zullen gestraft worden gelijk zij
8 3, 16| kinderen der echtbrekers zullen niet volkomen worden, en
9 3, 17| al lang zouden leven, zo zullen zij toch voor niets geacht
10 3, 18| haast komen te sterven, zo zullen zij geen hoop hebben, noch
11 4, 4 | zeer loffelijk voortkomen, zullen zij van de wind bewogen,
12 4, 5 | 5 De ontijdige takjes zullen rondom gebroken worden,
13 4, 17| 17 Want wij zullen zien het einde van de wijze,
14 4, 18| 18 Zij zullen het zien en niets achten,
15 4, 19| 19 En zullen hierna tot een schandelijke
16 4, 19| de grond bewegen, en zij zullen tot het uiterste toe verwoest
17 4, 19| toe verwoest worden; en zullen in angst zijn en hun gedachtenis
18 4, 20| 20 Zij zullen in overlegging hunner zonden
19 4, 20| hun onrechtvaardige daden zullen tegen hen staan, en hen
20 5, 2 | 2 En zij dat ziende, zullen met zware vrees beroerd
21 5, 2 | vrees beroerd worden, en zullen zich ontzetten over deze
22 5, 3 | 3 En berouw hebbende, zullen zij onder elkander zeggen,
23 5, 17| 17 Daarom zullen zij ontvangen een zeer heerlijk
24 5, 22| welmikkende pijlen der bliksemen zullen heengaan, en gelijk als
25 5, 23| 23 Dikke hagelstenen zullen geworpen worden, als uit
26 5, 23| zeer woeden, en de stromen zullen tezamen heftig overvloeien.~
27 6, 6 | barmhartigheid, maar de machtigen zullen streng onderzocht worden.~
28 6, 10| die heilig heilige dingen zullen bewaard hebben, zullen geheiligd
29 6, 10| dingen zullen bewaard hebben, zullen geheiligd worden, en die
30 6, 10| die deze geleerd hebben, zullen verantwoording vinden.~
31 8, 12| 12 Als ik zal zwijgen, zullen zij op mij wachten, en als
32 8, 12| en als ik zal spreken, zullen zij opmerken, en als ik
33 8, 12| en als ik verder spreek, zullen zij de hand op hun mond
34 8, 13| achterlaten, die na mij komen zullen.~
35 8, 14| volken regeren, en natiën zullen mij onderworpen zijn.~
36 8, 15| Schrikkelijke tirannen, mij horende, zullen vrezen, onder de menigte
37 9, 12| 12 En mijn werken zullen aangenaam zijn, en ik zal
38 12, 26| niet hebben laten vermanen, zullen zodanig oordeel Gods beproeven,
39 14, 11| 11 Daarom zullen ook de afgoden der heidenen
40 14, 13| van den beginne niet, en zullen in der eeuwigheid niet zijn.~
41 14, 29| dat zij vals zwerende, zullen beschadigd worden.~
42 14, 30| 30 Doch zij zullen om deze beide dingen rechtvaardig
43 15, 2 | wetende uw kracht, maar wij zullen niet zondigen, wetende dat
|