Chapter, Verse
1 6, 9 | o koningen, is het dat ik spreek, opdat gij wijsheid
2 6, 22| hoe zij geworden is, zal ik u verkondigen, en zal u
3 6, 23| 23 En ik zal mij op de weg niet begeven
4 7, 1 | 1 IK ben ook een sterfelijk mens,
5 7, 3 | 3 En ik heb ook, geboren zijnde,
6 7, 4 | 4 In windselen ben ik opgevoed en met zorgen.~
7 7, 7 | 7 Daarom bad ik, en mij werd verstand gegeven;
8 7, 7 | mij werd verstand gegeven; ik riep aan, en de geest der
9 7, 8 | 8 Ik hield meer van haar dan
10 7, 8 | tronen; en rijkdom acht ik niets in vergelijking met
11 7, 9 | 9 Ik vergeleek geen edele steen
12 7, 10| gezondheid en schone gestalte heb ik haar bemind, en heb haar
13 7, 12| 12 En ik was verheugd in alle dingen,
14 7, 12| wijsheid ging daarin voor, en ik wist niet dat zij van deze
15 7, 13| 13 Zonder erg heb ik geleerd, en zonder afgunst
16 7, 13| en zonder afgunst deel ik mede: haar rijkdom verberg
17 7, 13| mede: haar rijkdom verberg ik niet.~
18 7, 21| 21 Ik heb kennis van alle, beide
19 8, 2 | 2 Deze heb ik liefgehad en uitgezocht
20 8, 9 | 9 Zo heb Ik dan besloten ze tot mij
21 8, 10| 10 Ik zal door haar heerlijkheid
22 8, 11| 11 Ik zal scherpzinnig gevonden
23 8, 11| gezicht der machtigen zal ik een verwondering zijn.~
24 8, 12| 12 Als ik zal zwijgen, zullen zij
25 8, 12| zij op mij wachten, en als ik zal spreken, zullen zij
26 8, 12| zullen zij opmerken, en als ik verder spreek, zullen zij
27 8, 13| 13 Ik zal door haar de onsterfelijkheid
28 8, 14| 14 Ik zal volken regeren, en natiën
29 8, 15| vrezen, onder de menigte zal ik mij goedertieren vertonen,
30 8, 15| oorlog als een man, en als ik in mijn huis kom, zal ik
31 8, 15| ik in mijn huis kom, zal ik bij haar rust hebben.~
32 8, 18| een goede naam is, zo ben ik omgegaan, zoekende hoe ik
33 8, 18| ik omgegaan, zoekende hoe ik haar tot mij nemen mocht.~
34 8, 19| 19 Ik nu was een goedaardig kind,
35 8, 20| 20 Ja, veelmeer zo ik goed was, ben ik gekomen
36 8, 20| veelmeer zo ik goed was, ben ik gekomen in een onbevlekt
37 8, 21| 21 En verstaande dat ik haar anders niet machtig
38 8, 21| die genade komt) zo ging ik tot de Here, en bad hem,
39 9, 5 | 5 Want ik ben uw dienstknecht en een
40 9, 8 | 8 Gij hebt gezegd, dat ik een tempel op uw heilige
41 9, 10| met mij arbeide, en dat ik mag verstaan, wat u welbehagelijk
42 9, 12| zullen aangenaam zijn, en ik zal uw volk rechtvaardig
|