Chapter, Verse
1 2, 17| 17 Laat ons zien, of zijn woorden waarachtig
2 3, 4 | 4 Want of zij wel in het gezicht der
3 4, 11| verstand niet zou veranderen, of list zijn ziel bedriegen.~
4 5, 11| 11 Of gelijk geen kenteken wordt
5 5, 12| 12 Of gelijk wanneer een pijl,
6 5, 15| de wind verwaaid wordt, of ook gelijk de gedachtenis
7 9, 6 | 6 Want of iemand onder de kinderen
8 9, 13| kan de raad Gods kennen? Of wie kan bedenken wat God
9 11, 18| zenden een menigte van beren, of stoute leeuwen.~
10 11, 19| 19 Of onbekende dieren vol nieuwgeschapen
11 11, 19| nieuwgeschapen grimmigheid, of ook die een vuurblazende
12 11, 19| vuurblazende adem uitsnuiven, of een ruisen van een verwaaide
13 11, 19| van een verwaaide rook, of schrikkelijke vonken uit
14 11, 26| zo gij niet hadt gewild, of onderhouden geweest zijn
15 12, 9 | rechtvaardigen onderdanig te maken, of door vreselijke dienren,
16 12, 9 | door vreselijke dienren, of met een streng woord tot
17 12, 12| zeggen: Wat hebt gij gedaan? of wie zal zich stellen tegen
18 12, 12| welke gij gemaakt hebt? of wie zal zich tegen u kunnen
19 13, 2 | Maar hebben gemeend, dat of het vuur, of de wind, of
20 13, 2 | gemeend, dat of het vuur, of de wind, of de snelle lucht,
21 13, 2 | of het vuur, of de wind, of de snelle lucht, of de omloop
22 13, 2 | wind, of de snelle lucht, of de omloop der sterren, of
23 13, 2 | of de omloop der sterren, of het krachtige water of de
24 13, 2 | of het krachtige water of de lichten des hemels, goden
25 13, 10| en beelden der dieren, of een onnutte steen, zijnde
26 13, 14| 14 Of hij maakt, dat het een dier
27 14, 23| 23 Want zij, of zij hun offeranden waarin
28 14, 28| 28 Want verheugd zijnde, of zij razen, of zij profeteren
29 14, 28| verheugd zijnde, of zij razen, of zij profeteren leugens,
30 14, 28| zij profeteren leugens, of zij leven onrechtvaardig,
31 14, 28| zij leven onrechtvaardig, of zij zweren licht valse eden.~
32 17, 17| het ware dan een landman of een herder, of een die moeilijker
33 17, 17| een landman of een herder, of een die moeilijker werken
34 17, 19| daar was een suizende wind, of een liefelijk gezang der
35 17, 19| omtrent de dichte takken, of het ruisen van het water,
36 17, 19| water, met geweld aflopende, of een hard gerommel der stenen,
37 17, 19| boven nedergeworpen worden, of de onzienlijke loop der
38 17, 19| der springende beesten, of de stem der huilende wreedste
39 17, 19| huilende wreedste dieren, of de weerklank die uit de
|