Chapter, Verse
1 2, 3 | Welke uitgeblust zijnde, zo wordt het lichaam tot as
2 2, 18| rechtvaardige een zoon Gods is, zo zal hij hem te hulp komen,
3 3, 4 | mensen gepijnigd worden, zo is nochtans hun hoop vol
4 3, 17| zij al lang zouden leven, zo zullen zij toch voor niets
5 3, 18| haast komen te sterven, zo zullen zij geen hoop hebben,
6 4, 2 | Als zij tegenwoordig is, zo volgt men haar na, en gaat
7 4, 2 | haar na, en gaat zij weg, zo verlangt men naar haar,
8 5, 13| 13 Zo ook wij, als wij geboren
9 6, 11| 11 Zo zijt dan begerig naar mijn
10 6, 21| in tronen en scepters, zo eert de wijsheid, opdat
11 8, 5 | 5 En zo rijkdom een zeer begeerlijke
12 8, 6 | 6 En zo de vernuftigheid werkt,
13 8, 7 | 7 En zo iemand gerechtigheid liefheeft,
14 8, 8 | 8 En zo ook iemand de ervarenheid
15 8, 9 | 9 Zo heb Ik dan besloten ze tot
16 8, 18| woorden een goede naam is, zo ben ik omgegaan, zoekende
17 8, 20| 20 Ja, veelmeer zo ik goed was, ben ik gekomen
18 8, 21| van wie die genade komt) zo ging ik tot de Here, en
19 9, 6 | mensen volmaakt zou zijn, zo zal hij toch niets geacht
20 9, 18| 18 En zo zijn recht gemaakt de paden
21 10, 4 | de watervloed bedekt was, zo heeft de wijsheid weder
22 11, 14| plagen weldaden genoten, zo voelden zij de Here.~
23 11, 25| dat gij gemaakt hebt, want zo gij iets gehaat hadt, gij
24 11, 26| zou er wat gebleven zijn, zo gij niet hadt gewild, of
25 12, 5 | 5 Zo hebt gij de onbarmhartige
26 12, 24| 24 Want ook waren zij zo ver in de wegen der dwalingen
27 13, 12| 12 Zo gebruikt hij de spaanders
28 14, 24| 24 Zo bewaren zij toch voorts
29 14, 29| afgoden die geen leven hebben, zo verwachten zij niet, dat
30 15, 2 | 2 Want ook zo wij zondigen; wij zijn uw,
31 15, 19| 19 En zijn niet schoon om zo zeer begeerd te worden,
32 16, 6 | 6 Zo duurde uw toorn niet tot
33 16, 28| 28 Opdat zo bekend zij, dat men de zon
34 17, 3 | deksel der vergetelheid, zo werden zij verstrooid, schrikkelijk
35 17, 9 | schrikkelijks bevreesd gemaakt, zo vergingen zij toch al bevende,
36 17, 17| woestijn, zijnde verrast, zo moest hij de onvermijdelijke
37 18, 8 | tegenpartijen hebt gestraft, zo hebt gij ons daarmee tot
38 18, 19| zonder te weten waarom zij zo veel kwaad leden.~
|