Chapter, Verse
1 2, 1 | zeggen zij tot elkander: Ons leven is kort en moeilijk,
2 2, 2 | voortkomende door de beweging van ons hart.~
3 2, 4 | aan onze werken denken, en ons leven gaat voorbij, gelijk
4 2, 6 | 6 Komt dan, en laat ons de tegenwoordige goederen
5 2, 7 | 7 Laat ons ons opvullen met kostelijke
6 2, 7 | 7 Laat ons ons opvullen met kostelijke
7 2, 7 | en de bloem der lente ga ons niet voorbij.~
8 2, 8 | 8 Laat ons ons kronen met rozenknoppen,
9 2, 8 | 8 Laat ons ons kronen met rozenknoppen,
10 2, 9 | 9 Niemand van ons zij zonder deel te hebben
11 2, 9 | onze vermetelheid; laat ons overal merktekenen der weelde
12 2, 9 | weelde laten, want dit is ons deel, en dit is ons lot.~
13 2, 9 | dit is ons deel, en dit is ons lot.~
14 2, 10| 10 Laat ons de arme rechtvaardige overweldigen,
15 2, 10| rechtvaardige overweldigen, en laat ons de weduwen niet verschonen,
16 2, 12| 12 Laat ons op de rechtvaardige loeren,
17 2, 12| rechtvaardige loeren, want hij is ons nadelig, en stelt zich tegen
18 2, 12| onze werken, en verwijt ons de zonden begaan tegen de
19 2, 12| wet, en maakt gerucht van ons vanwege de zonden onzer
20 2, 14| 14 Hij is ons geworden tot een wederlegging
21 2, 15| 15 Hij is ons bezwaarlijk, ook zelfs om
22 2, 17| 17 Laat ons zien, of zijn woorden waarachtig
23 2, 17| waarachtig zijn, en laat ons opmerken wat uitkomst hij
24 2, 19| 19 Laat ons hem met smaad en pijniging
25 2, 20| 20 Laat ons hem tot een schandelijke
26 3, 3 | 3 En hun afscheiden van ons schijnt hun te zijn een
27 5, 6 | der gerechtigheid heeft ons niet beschenen, en de zon
28 5, 6 | zon der gerechtigheid is ons niet opgegaan.~
29 5, 8 | 8 Wat heeft ons de hovaardij gebaat? en
30 5, 8 | hovaardij gebaat? en wat heeft ons de rijkdom met pochen gebracht?~
31 7, 3 | de lucht geschept, die ons gemeen is, en ben gevallen
32 7, 3 | gelijke eigenschappen met ons heeft; wenen is mijn eerste
33 12, 18| bescheidenheid en regeert ons met veel verschoning, want
34 12, 22| 22 Ons dan tuchtigende, geselt
35 15, 4 | 4 Want ons heeft niet verleid de kwade
36 15, 12| 12 Maar zij achten ons leven een spelen, en de
37 18, 8 | hebt gestraft, zo hebt gij ons daarmee tot u geroepen en
|