Chapter, Verse
1 1, 12| trekt het verderf niet over u door werken uwer handen.~
2 6, 2 | over menigten heerst, en u verhovaardigt over de scharen
3 6, 3 | Want de heerschappij is u door de Here gegeven, en
4 6, 5 | en haastig zal hij over u komen; want een streng oordeel
5 6, 22| zij geworden is, zal ik u verkondigen, en zal u de
6 6, 22| ik u verkondigen, en zal u de verborgenheden niet verbergen,
7 6, 25| 25 Laat u dan onderwijzen door mijn
8 6, 25| mijn woorden, en het zal u voordelig zijn.~
9 9, 2 | over de schepselen die van u gemaakt zijn,~
10 9, 6 | wanneer de wijsheid, die van u komt, niet bij hem is.~
11 9, 9 | 9 Bij u is de wijsheid, die uw werken
12 9, 10| dat ik mag verstaan, wat u welbehagelijk is.~
13 9, 18| mensen hebben geleerd hetgeen u behagelijk is.~
14 11, 4 | Zij hadden dorst en riepen u aan, en hun werd water gegeven
15 11, 22| groot vermogen is altijd bij u, en wie kan de kracht van
16 11, 23| de ganse wereld is voor u gelijk een aasje uit de
17 11, 24| 24 Maar gij ontfermt u over alle mensen, overmits
18 11, 26| geweest zijn hetgeen door u niet geroepen werd?~
19 12, 2 | boosheid afgeweken zijnde in u, Here, geloven zouden.~
20 12, 7 | Opdat het land, hetwelk bij u het dierbaarste is van alle,
21 12, 12| tegen uw oordeel? en wie zal u beschuldigen vanwege de
22 12, 12| hebt? of wie zal zich tegen u kunnen stellen als een wreker,
23 12, 14| Noch koning, noch tiran zal u onder de ogen kunnen gaan,
24 12, 18| veel verschoning, want bij u is het vermogen wanneer
25 15, 3 | 3 Want u kennen is een volkomen gerechtigheid,
26 16, 7 | aanschouwd had, maar door u de behouder van allen.~
27 16, 16| de goddelozen weigerende u te kennen, zijn door uw
28 16, 24| Want het schepsel dienende U, die alles geschapen hebt,
29 16, 24| weldadigheid voor degenen die u betrouwen.~
30 16, 26| woord onderhoudt degenen die u geloven.~
31 16, 28| de zon moet voorkomen om u te danken, en u ontmoeten
32 16, 28| voorkomen om u te danken, en u ontmoeten tegen de opgang
33 18, 8 | hebt gij ons daarmee tot u geroepen en verheerlijkt.~
34 19, 9 | gelijk lammeren, prijzende u Here, die hen verlost had.~
|