Chapter, Verse
1 1, 4 | 4 Want wijsheid zal niet komen in een ziel,
2 1, 6 | 6 Want de wijsheid is een menslievende geest,
3 3, 11| Want hij is ellendig die de wijsheid en tucht veracht, en hun
4 3, 15| heerlijk, en de wortel der wijsheid vervalt niet.~
5 4, 9 | 9 Maar wijsheid is de mensen dat rechte
6 6, 9 | dat ik spreek, opdat gij wijsheid leren zoudt en niet vervallen.~
7 6, 12| en onverwelkelijk is de wijsheid, en wordt licht gezien door
8 6, 20| Want zelfs de begeerte der wijsheid brengt tot het koninkrijk.~
9 6, 21| en scepters, zo eert de wijsheid, opdat gij eeuwig als koningen
10 6, 22| 22 Wat nu wijsheid is, en hoe zij geworden
11 6, 23| nijdigheid, want deze zal met de wijsheid geen gemeenschap hebben.~
12 7, 7 | riep aan, en de geest der wijsheid kwam tot mij.~
13 7, 12| in alle dingen, want de wijsheid ging daarin voor, en ik
14 7, 15| hij leidt op de weg der wijsheid en bestiert de wijzen recht.~
15 7, 21| openbare dingen, want de wijsheid, die van alle dingen een
16 7, 24| 24 Want de wijsheid is bewegelijker dan alle
17 7, 28| dan degene, die bij de wijsheid woont.~
18 7, 30| maar de boosheid zal de wijsheid niet overweldigen.~
19 8, 5 | leven, wat is rijker dan de wijsheid die alles werkt?~
20 8, 17| dat in de maagschap der wijsheid de onsterfelijkheid is;~
21 9, 2 | 2 En de mens door uw wijsheid hebt bereid, opdat hij zou
22 9, 4 | 4 Geef mij de wijsheid, die bij uw tronen zit,
23 9, 6 | geacht worden, wanneer de wijsheid, die van u komt, niet bij
24 9, 9 | 9 Bij u is de wijsheid, die uw werken weet, en
25 9, 17| raad gekend? tenzij dat gij wijsheid gegeven, en uw Heilige Geest
26 9, 19| 19 En door de wijsheid zijn zij behouden geworden.~
27 10, 1 | 1 DEZE wijsheid heeft bewaard de eerstgevormde
28 10, 4 | bedekt was, zo heeft de wijsheid weder behouden, regerende
29 10, 8 | 8 Want de wijsheid voorbijgaande, hebben zij
30 10, 9 | 9 Maar de wijsheid heeft uit moeite verlost
31 10, 21| 21 Want de wijsheid opende de mond der stommen,
32 14, 2 | bedacht, en de kunstige wijsheid heeft het toebereid.~
33 14, 5 | niet dat de werken uwer wijsheid ledig zouden zijn, daarom
|