Chapter, Verse
1 2, 2 | zijn alsof wij niet geweest waren, want het snuiven in onze
2 10, 5 | eigenzinnigheid onder elkander verward waren, heeft de rechtvaardige
3 10, 14| betoond dat zij leugenaars waren, die hem beschimpt hadden,
4 11, 5 | Want waardoor hun vijanden waren geplaagd geweest,~
5 11, 12| afwezig en die tegenwoordig waren, werden gelijk gekweld.~
6 11, 13| dingen die voorbijgegaan waren.~
7 12, 20| en die des doods schuldig waren, met zulke opmerkingen gestraft
8 12, 24| 24 Want ook waren zij zo ver in de wegen der
9 12, 24| bij hun vijanden ongeeerd waren, voor goden hielden, zijnde
10 12, 27| dingen zij zeer ontevreden waren, als zij daarom leden, namelijk
11 12, 27| die zij meenden dat goden waren, ziende dat zij door deze
12 13, 2 | lichten des hemels, goden waren, die de wereld regeerden.~
13 13, 14| alle vlekken die daarin waren.~
14 14, 13| 13 Want zij waren van den beginne niet, en
15 14, 15| degenen, die onder zijn gebied waren, godsdienstigheden en offeranden
16 16, 3 | dingen die over hen gezonden waren, hen ook van de noodwendige
17 16, 9 | gevonden, omdat zij waardig waren van zulke geplaagd te worden.~
18 16, 18| de goddelozen uitgezonden waren, maar daar zij klaar zouden
19 17, 4 | binnenste plaats waarin zij waren, bewaarde hen niet zonder
20 17, 18| 18 Want zij waren allen met een keten der
21 17, 21| zouden ontvangen; doch zij waren zichzelf zwaarder dan de
22 18, 4 | 4 Want zij waren ook waardig, dat zij van
23 18, 6 | zeker wetende wat eden het waren die zij geloofd hadden,
24 18, 12| doden, want de levenden waren zelfs niet genoegzaam om
25 18, 13| dat dit volk kinderen Gods waren.~
26 18, 14| dingen in rust en stilte waren, en de nacht in zijn snelheid
27 19, 4 | noodzakelijkheid, die zij waardig waren, trok hen tot dit einde,
28 19, 4 | dingen die hun wedervaren waren, opdat zij vervullen zouden
29 19, 10| 10 Want zij waren nog gedachtig de dingen
30 19, 10| gedachtig de dingen die geschied waren in het land van hun vreemdelingschap;
31 19, 15| die nu reeds medegenoten waren van hun rechten.~
32 19, 16| deur des rechtvaardigen waren; want met dikke duisternis
33 19, 18| water-dieren, en die gemaakt waren om te zwemmen gingen op
|