Chapter, Verse
1 1, 11| 11 Wacht ulieden dan voor de onnutte murmurering
2 2, 6 | 6 Komt dan, en laat ons de tegenwoordige
3 5, 1 | 1 DAN zal de rechtvaardige met
4 6, 1 | 1 HOORT dan gij koningen en verstaat;
5 6, 9 | 9 Tot ulieden dan, o koningen, is het dat
6 6, 11| 11 Zo zijt dan begerig naar mijn woorden,
7 6, 21| 21 Indien gij dan behagen hebt, gij koningen
8 6, 25| 25 Laat u dan onderwijzen door mijn woorden,
9 7, 8 | 8 Ik hield meer van haar dan van scepters en tronen;
10 7, 24| wijsheid is bewegelijker dan alle beweging, vaart door,
11 7, 28| 28 Want God bemint niets, dan degene, die bij de wijsheid
12 7, 29| 29 Want zij is schoner dan de zon, en verheven boven
13 8, 5 | het leven, wat is rijker dan de wijsheid die alles werkt?~
14 8, 6 | die zijn groter kunstenaar dan zij?~
15 8, 7 | nuttiger zijn in het leven, dan enig ander ding.~
16 8, 9 | 9 Zo heb Ik dan besloten ze tot mij te brengen,
17 9, 16| onder handen is; wie heeft dan nagespeurd hetgeen in de
18 10, 12| godzaligheid machtiger is dan alles.~
19 11, 15| lijdende een andere dorst dan de rechtvaardigen.~
20 12, 13| 13 Want daar is geen God dan gij die voor alle dingen
21 12, 22| 22 Ons dan tuchtigende, geselt gij
22 13, 3 | goden aannamen, dat zij dan erkennen hoeveel beter de
23 14, 1 | een hout, dat verrotter is dan het schip dat hem voert.~
24 15, 10| en zijn hoop is slechter dan aarde, en zijn leven is
25 15, 10| zijn leven is verachter dan leem.~
26 15, 17| handen; want hij is beter dan hetgeen hij als god eert,
27 17, 12| de vrees is niets anders dan een begeven der behulpzaamheden,
28 17, 16| 16 Daarop dan volgde alzo, dat wie aldaar
29 17, 17| 17 Want het ware dan een landman of een herder,
30 17, 19| 19 Hetzij dan dat daar was een suizende
31 17, 21| waren zichzelf zwaarder dan de duisternis.~
|