Chapter, Verse
1 1, 4 | niet wonen in een lichaam aan zonden verplicht.~
2 1, 13| gemaakt, en heeft geen vermaak aan het verderf der levenden.~
3 2, 4 | vergeten, en niemand zal aan onze werken denken, en ons
4 2, 9 | zij zonder deel te hebben aan onze vermetelheid; laat
5 2, 15| bezwaarlijk, ook zelfs om aan te zien, want zijn leven
6 6, 15| 15 Want aan haar te gedenken is de volkomenheid
7 7, 7 | verstand gegeven; ik riep aan, en de geest der wijsheid
8 8, 2 | uitgezocht van mijn jonkheid aan, en haar gezocht voor mij
9 11, 3 | beoorloogden, en oefenden wraak aan hun vijanden.~
10 11, 4 | hadden dorst en riepen u aan, en hun werd water gegeven
11 11, 25| is, en hebt geen gruwel aan iets dat gij gemaakt hebt,
12 13, 17| kinderen, schaamt hij zich niet aan te spreken een ding dat
13 13, 18| En dat zwak is roept hij aan om gezondheid, en bidt hetgeen
14 14, 1 | te doorreizen, die roept aan een hout, dat verrotter
15 14, 5 | ook de mensen hun zielen aan een zeer gering hout, en
16 14, 21| òf de tirannie dienende, aan steen en hout hebben gegeven
17 14, 24| list, òf doet hem smart aan door overspel.~
18 15, 15| noch hun neusgaten om lucht aan te trekken, noch de oren
19 15, 15| vingers hunner handen om iets aan te tasten, en welker voeten
20 16, 2 | zulk een plaag, hebt gij aan uw volk weldadigheid bewezen,
21 16, 6 | duurde uw toorn niet tot aan het einde, maar zij werden
22 16, 6 | om hen te doen gedenken aan het gebod van uw wet.~
23 16, 11| gestoken om te gedenken aan uw woorden, en snel weder
24 17, 8 | verdrijven, deze werden zelf ziek aan een vrees, die belachelijk
25 18, 4 | onverderfelijke licht uwer wet aan de wereld zou gegeven worden.~
26 18, 16| met doden, en raakte wel aan de hemel, maar ging ook
27 18, 21| gramschap en maakte een einde aan de jammer, betonende dat
28 19, 1 | goddelozen zonder ontferming tot aan het einde.~
29 19, 4 | vervullen zouden de plaag die aan hun pijnen nog ontbrak.~
30 19, 13| onbekenden die daar kwamen niet aan, maar genen dwongen tot
|