Chapter, Verse
1 2, 1 | zeggen zij tot elkander: Ons leven is kort en moeilijk, en
2 2, 4 | onze werken denken, en ons leven gaat voorbij, gelijk de
3 2, 15| om aan te zien, want zijn leven is de anderen ongelijk,
4 3, 17| indien zij al lang zouden leven, zo zullen zij toch voor
5 4, 9 | grijze haar; en een onbevlekt leven is de rechte ouderdom.~
6 4, 16| veroordeelt de goddelozen die leven; en de jeugd die schielijk
7 5, 4 | Wij zotten, hielden zijn leven voor razernij, en zijn einde
8 5, 16| 16 Maar de rechtvaardigen leven in der eeuwigheid, en hun
9 7, 6 | aller mensen ingang in het leven is enerlei, en een even
10 8, 5 | begeerlijke bezitting is in het leven, wat is rijker dan de wijsheid
11 8, 7 | mens nuttiger zijn in het leven, dan enig ander ding.~
12 8, 9 | te brengen, om met mij te leven, wetende dat zij mij zal
13 8, 16| noch smart met haar te leven, maar vreugde en blijdschap.~
14 10, 8 | kennen, maar laten ook in dit leven een gedachtenis na, van
15 11, 15| heengeworpen zijnde het leven al spottende afgezegd hadden,
16 13, 18| hetgeen dat dood is om het leven, en hetgeen dat gans onbedreven
17 14, 21| een lage geweest voor het leven, omdat de mensen, òf het
18 14, 24| toch voorts niet meer, noch leven noch echtstaat rein; maar
19 14, 28| profeteren leugens, of zij leven onrechtvaardig, of zij zweren
20 14, 29| hebbende op de afgoden die geen leven hebben, zo verwachten zij
21 15, 9 | omdat hij een kortdurend leven heeft, maar omdat hij om
22 15, 10| slechter dan aarde, en zijn leven is verachter dan leem.~
23 15, 11| ingeademd heeft, die hem doet leven.~
24 15, 12| 12 Maar zij achten ons leven een spelen, en de loop des
25 15, 17| als god eert, dewijl hij leven heeft, maar zij hadden het
26 16, 13| Want gij hebt macht over leven en over dood, gij leidt
|