Chapter, Verse
1 2, 1 | genezing tegen de dood des mensen, en niemand wordt gekend,
2 3, 4 | zij wel in het gezicht der mensen gepijnigd worden, zo is
3 4, 1 | beide bij God en bij de mensen gekend wordt.~
4 4, 9 | 9 Maar wijsheid is de mensen dat rechte grijze haar;
5 7, 6 | 6 Maar aller mensen ingang in het leven is enerlei,
6 7, 14| 14 Zij is de mensen een schat die niet afneemt;
7 7, 20| en de overleggingen der mensen, het menigerlei onderscheid
8 9, 6 | iemand onder de kinderen der mensen volmaakt zou zijn, zo zal
9 9, 13| 13 Want wie van de mensen kan de raad Gods kennen?
10 9, 14| overleggingen der sterfelijke mensen zijn vreesachtig, en onze
11 9, 18| die op aarde zijn, en de mensen hebben geleerd hetgeen u
12 11, 24| gij ontfermt u over alle mensen, overmits gij alles vermoogt,
13 11, 24| gij overziet de zonden der mensen, opdat zij zich bekeren.~
14 12, 8 | Maar ook dezen hebt gij als mensen verschoond, en hebt voorlopers
15 12, 12| vanwege de onrechtvaardige mensen?~
16 12, 19| de rechtvaardige tegen de mensen lieftallig moet zijn; en
17 13, 1 | 1 VOORWAAR alle mensen zijn van nature ijdel, bij
18 13, 10| Maar het zijn ellendige mensen en al hun hoop is onder
19 14, 5 | daarom vertrouwen ook de mensen hun zielen aan een zeer
20 14, 11| geworden zijn, en de zielen der mensen tot ergernissen, en de voeten
21 14, 14| 14 Want ijdele eer der mensen is in de wereld gekomen,
22 14, 17| 17 Welke, daar de mensen niet konden tegenwoordig
23 14, 21| voor het leven, omdat de mensen, òf het ongeval, òf de tirannie
24 15, 4 | verleid de kwade bedenking der mensen, noch de schaduw der schilderijen,
25 15, 6 | 6 Zulke mensen zijn beminnaars van kwade
|