Chapter, Verse
1 3, 14| met zijn hand gewrocht, noch boze dingen tegen de Here,
2 3, 18| zullen zij geen hoop hebben, noch troost in de dag des oordeels.~
3 4, 3 | zal niet diep inwortelen, noch vaste grond zetten.~
4 4, 8 | niet die van veel tijds is, noch die met een getal van jaren
5 5, 10| geen spoor gevonden wordt, noch de rechte weg zijner reis
6 6, 4 | niet recht hebt geoordeeld, noch de wet bewaard, noch naar
7 6, 4 | geoordeeld, noch de wet bewaard, noch naar de raad Gods hebt gewandeld.~
8 8, 16| verkeren brengt geen verdriet, noch smart met haar te leven,
9 10, 19| vijanden deed zij verdrinken, noch hen heeft zij uit de diepte
10 12, 11| vervloekt zaad van den beginne; noch iemand vrezende, gaaft gij
11 12, 14| 14 Noch koning, noch tiran zal u
12 12, 14| 14 Noch koning, noch tiran zal u onder de ogen
13 13, 1 | te kennen degene die is; noch hebben door de opmerking
14 14, 24| zij toch voorts niet meer, noch leven noch echtstaat rein;
15 14, 24| voorts niet meer, noch leven noch echtstaat rein; maar òf
16 15, 4 | kwade bedenking der mensen, noch de schaduw der schilderijen,
17 15, 9 | omdat hij moeite zal hebben, noch omdat hij een kortdurend
18 15, 15| kunnen gebruiken om te zien, noch hun neusgaten om lucht aan
19 15, 15| om lucht aan te trekken, noch de oren om te horen, noch
20 15, 15| noch de oren om te horen, noch de vingers hunner handen
21 16, 12| 12 Want noch kruid noch pleister heeft
22 16, 12| 12 Want noch kruid noch pleister heeft hen genezen,
23 16, 14| hij niet doen wederkeren, noch de ziel wederbrengen die
|