Chapter, Verse
1 2, 1 | en daar is geen genezing tegen de dood des mensen, en niemand
2 2, 12| ons nadelig, en stelt zich tegen onze werken, en verwijt
3 2, 12| verwijt ons de zonden begaan tegen de wet, en maakt gerucht
4 3, 14| gewrocht, noch boze dingen tegen de Here, gedacht heeft,
5 4, 6 | zijn getuigen der boosheid tegen hun ouders, wanneer men
6 4, 20| onrechtvaardige daden zullen tegen hen staan, en hen overtuigen.~
7 5, 18| schepselen wapenen tot wraak tegen de vijanden.~
8 5, 21| wereld zal met hem strijden tegen de onwijzen.~
9 5, 23| gramschap; het water der zee zal tegen hen zeer woeden, en de stromen
10 7, 9 | en zilver is als slijk tegen haar te rekenen.~
11 10, 12| vijanden, en maakte hem zeker tegen degenen, die hem lagen legden,
12 11, 3 | 3 Zij stelden zich tegen degenen die hen beoorloogden,
13 12, 12| of wie zal zich stellen tegen uw oordeel? en wie zal u
14 12, 12| gemaakt hebt? of wie zal zich tegen u kunnen stellen als een
15 12, 19| geleerd, dat de rechtvaardige tegen de mensen lieftallig moet
16 16, 18| verbranden de beesten, die tegen de goddelozen uitgezonden
17 16, 21| onderstutting maakt uw zoetigheid tegen uw kinderen openbaar, maar
18 16, 24| zijn kracht uit tot straf tegen de onrechtvaardigen, en
19 16, 28| te danken, en u ontmoeten tegen de opgang des lichts.~
20 18, 21| reukwerk, en stelde zich tegen de gramschap en maakte een
21 19, 13| een zwaarder vijandschap tegen vreemdelingen geoefend hadden
|