Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
elkander 5
ellendig 2
ellendige 1
en 523
ene 1
enerlei 1
engelen 1
Frequency    [«  »]
-----
-----
572 de
523 en
226 een
210 zij
199 die

Het boek der Wijsheid

IntraText - Concordances

en

1-500 | 501-523

    Chapter, Verse
1 1, 1 | de Here een goed gevoelen en zoekt hem in eenvoudigheid 2 1, 2 | die hem niet verzoeken, en verschijnt die, die hem 3 1, 3 | gedachten scheiden van God, en zijn kracht beproefd zijnde 4 1, 4 | met kwade ranken omgaat, en zal niet wonen in een lichaam 5 1, 5 | gedachten der onverstandigen en bestraft hen, als de ongerechtigheid 6 1, 6 | een getuige zijner nieren, en een waarachtig opmerker 7 1, 6 | waarachtig opmerker zijns harten en een aanhoorder zijner tong.~ 8 1, 7 | Heren vervult de aarde, en hetgeen alles tezamen houdt 9 1, 8 | spreekt wat onrecht is, en de straffende wraak zal 10 1, 9 | zal onderzoek geschieden, en het geluid zijner woorden 11 1, 10| oor al de dingen hoort, en het knorren des murmurerens 12 1, 11| voor de onnutte murmurering en onthoudt uw tong van achterklappen, 13 1, 11| zal niet ledig heengaan, en de mond die liegt, brengt 14 1, 12| door dwaling uws levens, en trekt het verderf niet over 15 1, 13| heeft de dood niet gemaakt, en heeft geen vermaak aan het 16 1, 14| dingen geschapen om te zijn, en de beginselen der wereld 17 1, 14| der wereld zijn heilzaam, en in deze is geen venijn des 18 1, 14| geen venijn des verderfs, en het rijk der hel is niet 19 1, 16| goddelozen hebben dat met handen en met woorden tot zich geroepen, 20 1, 16| vriend, zijn zij versmolten en hebben een verbond daarmee 21 2, 1 | elkander: Ons leven is kort en moeilijk, en daar is geen 22 2, 1 | leven is kort en moeilijk, en daar is geen genezing tegen 23 2, 1 | tegen de dood des mensen, en niemand wordt gekend, die 24 2, 2 | bij geval zijn wij geboren en na deze zullen wij zijn 25 2, 2 | onze neusgaten is een rook, en de rede is een vonk voortkomende 26 2, 3 | wordt het lichaam tot as en onze geest wordt verspreid 27 2, 4 | 4 En onze naam wordt mettertijd 28 2, 4 | wordt mettertijd vergeten, en niemand zal aan onze werken 29 2, 4 | aan onze werken denken, en ons leven gaat voorbij, 30 2, 4 | voetstappen van een wolk, en wordt verstrooid gelijk 31 2, 4 | stralen der zon nagejaagd en van haar hitte bezwaard 32 2, 5 | schaduw die voorbijgaat, en daar is geen wederkeren 33 2, 5 | dood, want die is verzegeld en niemand keert weder.~ 34 2, 6 | 6 Komt dan, en laat ons de tegenwoordige 35 2, 6 | tegenwoordige goederen genieten, en hetgeen wij bezitten metterhaast 36 2, 7 | opvullen met kostelijke wijn en zalf, en de bloem der lente 37 2, 7 | kostelijke wijn en zalf, en de bloem der lente ga ons 38 2, 9 | laten, want dit is ons deel, en dit is ons lot.~ 39 2, 10| rechtvaardige overweldigen, en laat ons de weduwen niet 40 2, 10| weduwen niet verschonen, en de grijze, veeljarige haren 41 2, 12| want hij is ons nadelig, en stelt zich tegen onze werken, 42 2, 12| zich tegen onze werken, en verwijt ons de zonden begaan 43 2, 12| zonden begaan tegen de wet, en maakt gerucht van ons vanwege 44 2, 13| hij kennis van God heeft, en noemt zichzelf een kind 45 2, 15| is de anderen ongelijk, en zijn paden zijn gans andere.~ 46 2, 16| geacht als vals zilver, en hij houdt zich af van onze 47 2, 16| einde der rechtvaardigen, en pocht dat God zijn vader 48 2, 17| woorden waarachtig zijn, en laat ons opmerken wat uitkomst 49 2, 18| zal hij hem te hulp komen, en zal hem verlossen uit de 50 2, 19| 19 Laat ons hem met smaad en pijniging onderzoeken, opdat 51 2, 19| bescheidenheid mogen weten, en zijn verdraagzaamheid beproeven.~ 52 2, 22| verborgenheden Gods niet, en hebben het loon der heiligheid 53 2, 22| heiligheid niet te hopen, en achten de eer der onbestraffelijke 54 2, 23| tot onverderfelijkheid, en heeft hem gemaakt een beeld 55 2, 24| dood in de wereld gekomen, en die van zijn deel zijn, 56 3, 1 | rechtvaardigen zijn in de hand Gods, en geen kwaal zal hen aanraken.~ 57 3, 2 | ogen der dwazen te sterven, en hun uitgang wordt voor kwelling 58 3, 3 | 3 En hun afscheiden van ons schijnt 59 3, 5 | God hen heeft beproefd, en hen zijns waardig heeft 60 3, 6 | gelijk goud in een smeltoven, en hen aangenomen als een brandoffer.~ 61 3, 7 | bezoeking zullen zij blinken, en over en weer lopen, gelijk 62 3, 7 | zullen zij blinken, en over en weer lopen, gelijk de vonken 63 3, 8 | zullen de heidenen oordelen, en over de volken heersen, 64 3, 8 | over de volken heersen, en de Here zal als koning in 65 3, 9 | zullen de waarheid verstaan, en de gelovigen zullen in liefde 66 3, 9 | hem blijven, want genade en barmhartigheid is in zijn 67 3, 9 | barmhartigheid is in zijn heiligen, en opzicht over zijn uitverkorenen.~ 68 3, 10| rechtvaardige niet hebben geacht, en van de Here zijn afgeweken.~ 69 3, 11| ellendig die de wijsheid en tucht veracht, en hun hoop 70 3, 11| wijsheid en tucht veracht, en hun hoop is ijdel, en hun 71 3, 11| veracht, en hun hoop is ijdel, en hun moeiten zijn tevergeefs, 72 3, 11| moeiten zijn tevergeefs, en hun werken onnut.~ 73 3, 12| Hun vrouwen zijn dwaas, en hun kinderen boos.~ 74 3, 14| 14 En de gesnedene is zalig die 75 3, 14| uitverkoren genade des geloofs, en een zeer aangenaam lot in 76 3, 15| goede arbeid is heerlijk, en de wortel der wijsheid vervalt 77 3, 16| zullen niet volkomen worden, en het zaad van een onwettig 78 3, 17| voor niets geacht worden, en hun ouderdom zal op het 79 4, 1 | onder kinderen te zijn, en deugd te hebben, want onsterfelijkheid 80 4, 1 | dewijl zij beide bij God en bij de mensen gekend wordt.~ 81 4, 2 | is, zo volgt men haar na, en gaat zij weg, zo verlangt 82 4, 2 | verlangt men naar haar, en in de toekomende eeuw draagt 83 4, 2 | eeuw draagt zij een kroon, en triomfeert, nadat zij de 84 4, 3 | zal geen voordeel doen, en wat uit onechte scheuten 85 4, 4 | zij van de wind bewogen, en van de kracht der winden 86 4, 5 | rondom gebroken worden, en hun vrucht is onnut, onrijp 87 4, 5 | onnut, onrijp tot spijs, en tot niets geschikt.~ 88 4, 9 | dat rechte grijze haar; en een onbevlekt leven is de 89 4, 10| heeft, is door Hem bemind; en levende onder de zondaren 90 4, 12| boosheid verdonkert het goede; en omdrijving van de lust keert 91 4, 15| Doch de volken zien het, en bedenken het niet, en nemen 92 4, 15| het, en bedenken het niet, en nemen niet in overlegging, 93 4, 15| overlegging, dat genade en barmhartigheid is in zijn 94 4, 15| barmhartigheid is in zijn heiligen, en opzicht over zijn uitverkorenen.~ 95 4, 16| de goddelozen die leven; en de jeugd die schielijk voleindigd 96 4, 17| het einde van de wijze, en niet bedenken wat zij over 97 4, 17| hem beraadslaagd hebben, en waartoe hem de Here verzekerd 98 4, 18| 18 Zij zullen het zien en niets achten, maar de Here 99 4, 19| 19 En zullen hierna tot een schandelijke 100 4, 19| een schandelijke val zijn, en tot versmaadheid onder de 101 4, 19| want hij zal hen stemmeloos en voorwaarts overhangende 102 4, 19| voorwaarts overhangende scheuren; en hen uit de grond bewegen, 103 4, 19| hen uit de grond bewegen, en zij zullen tot het uiterste 104 4, 19| uiterste toe verwoest worden; en zullen in angst zijn en 105 4, 19| en zullen in angst zijn en hun gedachtenis zal vergaan.~ 106 4, 20| komen, bevreesd zijnde; en hun onrechtvaardige daden 107 4, 20| zullen tegen hen staan, en hen overtuigen.~ 108 5, 1 | dergenen, die hem verdrukt en zijn moeiten verworpen hebben.~ 109 5, 2 | 2 En zij dat ziende, zullen met 110 5, 2 | zware vrees beroerd worden, en zullen zich ontzetten over 111 5, 3 | 3 En berouw hebbende, zullen 112 5, 3 | zij onder elkander zeggen, en door angst des geestes zuchten, 113 5, 3 | angst des geestes zuchten, en zeggen: Deze was het over 114 5, 3 | wie wij eertijds lachten, en die wij voor een smadelijke 115 5, 4 | zijn leven voor razernij, en zijn einde voor oneerlijk.~ 116 5, 5 | onder de kinderen Gods, en hoe is zijn lot onder de 117 5, 6 | der waarheid afgedwaald, en het licht der gerechtigheid 118 5, 6 | heeft ons niet beschenen, en de zon der gerechtigheid 119 5, 7 | paden der ongerechtigheid en des verderfs, en hebben 120 5, 7 | ongerechtigheid en des verderfs, en hebben woeste omwegen doorreisd, 121 5, 8 | ons de hovaardij gebaat? en wat heeft ons de rijkdom 122 5, 9 | voorbijgegaan gelijk een schaduw, en gelijk een voorbijlopende 123 5, 11| suizens gespleten wordt, en daarna vindt men geen teken 124 5, 14| 14 En kunnen geen teken der deugd 125 5, 15| de wind gedreven wordt, en gelijk een dunne rijm, die 126 5, 15| wervelwind gejaagd wordt; en als een rook, die door de 127 5, 16| leven in der eeuwigheid, en hun loon is bij de Here, 128 5, 16| hun loon is bij de Here, en de Allerhoogste zorgt voor 129 5, 17| een zeer heerlijk rijk, en een schone kroon uit de 130 5, 17| zal hij hen beschermen, en met zijn arm zal hij hen 131 5, 18| een gehele wapenrusting, en zijn schepselen wapenen 132 5, 19| aantrekken tot een borstharnas, en een ongeveinsd oordeel opzetten 133 5, 21| 21 En zal de gestrenge toorn scherpen 134 5, 21| scherpen tot een zwaard, en de wereld zal met hem strijden 135 5, 22| bliksemen zullen heengaan, en gelijk als van een welgespannen 136 5, 23| zal tegen hen zeer woeden, en de stromen zullen tezamen 137 5, 24| kracht zal hen tegenstaan, en hen als een draaiwind uitwannen, 138 5, 24| een draaiwind uitwannen, en de ongerechtigheid zal de 139 5, 24| gehele aarde verwoesten, en de boosaardigheid zal de 140 6, 1 | 1 HOORT dan gij koningen en verstaat; leert gij rechters 141 6, 2 | die over menigten heerst, en u verhovaardigt over de 142 6, 3 | u door de Here gegeven, en de macht door de Allerhoogste; 143 6, 3 | werken vlijtig vernemen, en uw raadslagen doorzoeken 144 6, 5 | 5 Schrikkelijk en haastig zal hij over u komen; 145 6, 7 | de persoon niet ontzien, en de grootte niet vrezen, 146 6, 7 | want hij heeft kleinen en groten gemaakt, en tegelijk 147 6, 7 | kleinen en groten gemaakt, en tegelijk zorgt hij voor 148 6, 9 | gij wijsheid leren zoudt en niet vervallen.~ 149 6, 10| zullen geheiligd worden, en die deze geleerd hebben, 150 6, 11| woorden, verlangt daarnaar, en gij zult onderwezen worden.~ 151 6, 12| 12 Blinkende en onverwelkelijk is de wijsheid, 152 6, 12| onverwelkelijk is de wijsheid, en wordt licht gezien door 153 6, 12| degenen die haar liefhebben, en gevonden door die haar zoeken.~ 154 6, 15| volkomenheid der kloekheid, en die om harentwil waakt, 155 6, 16| die harer waardig zijn, en op de paden verschijnt zij 156 6, 16| verschijnt zij hun vriendelijk, en ontmoet hen met alle opmerkingen.~ 157 6, 17| begeerte der onderwijzing, en de bezorging van onderwezen 158 6, 18| 18 En de liefde is de onderhouding 159 6, 18| onderhouding van haar wetten, en de onderhouding der wetten 160 6, 19| 19 En de onverderfelijkheid maakt 161 6, 21| koningen der volken, in tronen en scepters, zo eert de wijsheid, 162 6, 22| 22 Wat nu wijsheid is, en hoe zij geworden is, zal 163 6, 22| is, zal ik u verkondigen, en zal u de verborgenheden 164 6, 22| geboorte naarstig naspeuren, en haar kennis te voorschijn 165 6, 22| kennis te voorschijn brengen, en zal de waarheid geenszins 166 6, 23| 23 En ik zal mij op de weg niet 167 6, 24| de behoudenis der wereld, en een wijs koning is des volks 168 6, 25| onderwijzen door mijn woorden, en het zal u voordelig zijn.~ 169 7, 1 | mens, alle anderen gelijk, en van het geslacht van de 170 7, 2 | 2 En ben in het lichaam mijner 171 7, 2 | geronnen uit zaad eens mans, en wellust die daarbij komt 172 7, 3 | 3 En ik heb ook, geboren zijnde, 173 7, 3 | geschept, die ons gemeen is, en ben gevallen op de aarde, 174 7, 4 | windselen ben ik opgevoed en met zorgen.~ 175 7, 6 | in het leven is enerlei, en een even gelijke uitgang.~ 176 7, 7 | 7 Daarom bad ik, en mij werd verstand gegeven; 177 7, 7 | verstand gegeven; ik riep aan, en de geest der wijsheid kwam 178 7, 8 | van haar dan van scepters en tronen; en rijkdom acht 179 7, 8 | van scepters en tronen; en rijkdom acht ik niets in 180 7, 9 | is als een weinig zand, en zilver is als slijk tegen 181 7, 10| 10 Boven gezondheid en schone gestalte heb ik haar 182 7, 10| gestalte heb ik haar bemind, en heb haar verkoren om te 183 7, 11| 11 En allerlei goed kwam tot mij 184 7, 11| goed kwam tot mij met haar, en ontelbare rijkdom door haar 185 7, 12| 12 En ik was verheugd in alle 186 7, 12| wijsheid ging daarin voor, en ik wist niet dat zij van 187 7, 13| Zonder erg heb ik geleerd, en zonder afgunst deel ik mede: 188 7, 14| verkrijgen vriendschap bij God, en zijn aangenaam geworden 189 7, 15| 15 En God heeft mij gegeven mijn 190 7, 15| gegeven mijn mening te zeggen, en te bedenken hetgeen waardig 191 7, 15| leidt op de weg der wijsheid en bestiert de wijzen recht.~ 192 7, 16| zijn hand zijn beide wij en onze woorden, ook allerlei 193 7, 16| ook allerlei kloekheid en wetenschap van handwerken.~ 194 7, 17| de gestalte der wereld, en de werkingen der elementen.~ 195 7, 18| 18 Het beginsel, en het einde, en het midden 196 7, 18| beginsel, en het einde, en het midden der tijden, de 197 7, 18| van de omkeringen der zon, en de veranderingen der tijden,~ 198 7, 19| 19 De omloop des jaars, en de stelling der sterren,~ 199 7, 20| 20 De natuur der dieren, en de grimmigheid der wilde 200 7, 20| het geweld der winden, en de overleggingen der mensen, 201 7, 20| onderscheid der planten, en de krachten der wortelen.~ 202 7, 21| alle, beide van verborgen en openbare dingen, want de 203 7, 23| vermag, die op alles ziet, en die door alle verstandige, 204 7, 24| alle beweging, vaart door, en gaat door alle dingen vanwege 205 7, 25| een damp der kracht Gods, en een zuivere uitvloeiing 206 7, 26| afschijnsel des eeuwigen lichts, en een onbevlekte spiegel van 207 7, 26| van Gods werkende kracht, en een beeld zijner goedheid.~ 208 7, 27| 27 En enig zijnde kan zij alles 209 7, 27| zijnde kan zij alles doen, en blijvende in zichzelf, vernieuwt 210 7, 27| vernieuwt zij alle dingen, en van geslacht tot geslacht, 211 7, 27| maakt zij vrienden Gods en profeten.~ 212 7, 29| zij is schoner dan de zon, en verheven boven alle sterren, 213 8, 1 | einde tot het andere einde, en regeert alle dingen nuttig.~ 214 8, 2 | 2 Deze heb ik liefgehad en uitgezocht van mijn jonkheid 215 8, 2 | uitgezocht van mijn jonkheid aan, en haar gezocht voor mij te 216 8, 2 | te nemen tot een bruid, en ben geworden een liefhebber 217 8, 3 | dat zij met God verkeert, en de Here aller dingen heeft 218 8, 4 | leermeesteres der wetenschap Gods, en doet een keuze uit zijn 219 8, 5 | 5 En zo rijkdom een zeer begeerlijke 220 8, 6 | 6 En zo de vernuftigheid werkt, 221 8, 7 | 7 En zo iemand gerechtigheid 222 8, 7 | want zij leert nuchterheid en kloekzinnigheid, gerechtigheid 223 8, 7 | kloekzinnigheid, gerechtigheid en dapperheid, welke de mens 224 8, 8 | 8 En zo ook iemand de ervarenheid 225 8, 8 | de oude geschiedenissen, en de toekomstige dingen gist 226 8, 8 | verdraaiing der woorden en de ontbinding der raadselen; 227 8, 8 | ontbinding der raadselen; tekenen en wonderen weet zij tevoren, 228 8, 8 | wonderen weet zij tevoren, en de uitkomsten van gelegenheden 229 8, 8 | uitkomsten van gelegenheden en tijden.~ 230 8, 9 | zal raden hetgeen goed is, en zal mij een vermaning zijn, 231 8, 9 | vermaning zijn, in zorg en droefheid.~ 232 8, 10| heerlijkheid hebben onder het volk, en nog jong zijnde eer bij 233 8, 11| gevonden worden in het gericht, en in het gezicht der machtigen 234 8, 12| zullen zij op mij wachten, en als ik zal spreken, zullen 235 8, 12| spreken, zullen zij opmerken, en als ik verder spreek, zullen 236 8, 13| onsterfelijkheid hebben, en zal een eeuwige gedachtenis 237 8, 14| 14 Ik zal volken regeren, en natiën zullen mij onderworpen 238 8, 15| mij goedertieren vertonen, en in de oorlog als een man, 239 8, 15| in de oorlog als een man, en als ik in mijn huis kom, 240 8, 16| haar te leven, maar vreugde en blijdschap.~ 241 8, 17| mijzelf overlegd hebbende en in mijn hart bedacht, dat 242 8, 18| 18 En in haar vriendschap goede 243 8, 18| goede vermakelijkheid is, en in allerlei arbeid harer 244 8, 18| rijkdom, die niet afneemt, en dat in de gezamenlijke oefening 245 8, 19| was een goedaardig kind, en had gekregen een goede ziel.~ 246 8, 21| 21 En verstaande dat ik haar anders 247 8, 21| God haar mij niet gaf, (en dat was ook kloekheid, te 248 8, 21| zo ging ik tot de Here, en bad hem, en sprak uit geheel 249 8, 21| tot de Here, en bad hem, en sprak uit geheel mijn hart.~ 250 9, 1 | 1 O God mijner vaderen, en Here der barmhartigheid, 251 9, 2 | 2 En de mens door uw wijsheid 252 9, 3 | 3 En dat hij de wereld zou regeren 253 9, 3 | zou regeren in heiligheid en gerechtigheid, en in oprechtheid 254 9, 3 | heiligheid en gerechtigheid, en in oprechtheid des harten 255 9, 4 | die bij uw tronen zit, en verwerp mij niet uit uw 256 9, 5 | Want ik ben uw dienstknecht en een zoon uwer dienstmaagd, 257 9, 5 | dienstmaagd, een zwak mens, en van weinig tijds, en zeer 258 9, 5 | mens, en van weinig tijds, en zeer gering in het verstand 259 9, 5 | verstand van het gericht en der wetten.~ 260 9, 7 | een koning over uw volk, en tot een rechter over uw 261 9, 7 | een rechter over uw zonen en dochteren.~ 262 9, 8 | heilige berg zou bouwen, en een altaar in de stad uwer 263 9, 9 | wijsheid, die uw werken weet, en tegenwoordig was, toen gij 264 9, 9 | toen gij de wereld maakte, en verstaat wat aangenaam is 265 9, 9 | aangenaam is in uw ogen, en wat recht is in uw geboden.~ 266 9, 10| zijnde met mij arbeide, en dat ik mag verstaan, wat 267 9, 11| Want zij weet alle dingen, en verstaat ze, en zal mij 268 9, 11| dingen, en verstaat ze, en zal mij voorzichtig leiden 269 9, 11| leiden in mijn handelingen, en mij bewaren door haar heerlijkheid.~ 270 9, 12| 12 En mijn werken zullen aangenaam 271 9, 12| werken zullen aangenaam zijn, en ik zal uw volk rechtvaardig 272 9, 12| volk rechtvaardig richten, en zal waardig zijn de troon 273 9, 14| mensen zijn vreesachtig, en onze bedenkingen zijn onzeker.~ 274 9, 15| lichaam bezwaart de ziel, en de aardse tabernakel drukt 275 9, 16| 16 En nauwelijks maken wij na 276 9, 16| dingen die op aarde zijn, en met moeite vinden wij hetgeen 277 9, 17| 17 En wie heeft uw raad gekend? 278 9, 17| dat gij wijsheid gegeven, en uw Heilige Geest gezonden 279 9, 18| 18 En zo zijn recht gemaakt de 280 9, 18| dergenen, die op aarde zijn, en de mensen hebben geleerd 281 9, 19| 19 En door de wijsheid zijn zij 282 10, 1 | bewaard de eerstgevormde en alleen geschapen vader der 283 10, 2 | 2 En heeft hem getrokken uit 284 10, 2 | getrokken uit zijn eigen val en hem sterkte gegeven om te 285 10, 4 | 4 En als de aarde om zijnentwil 286 10, 5 | de rechtvaardige gekend, en hem onstraffelijk voor God 287 10, 5 | onstraffelijk voor God bewaard, en behoed dat hij sterk bleef 288 10, 7 | dat rokende woeste land, en de bomen die ontijdige vruchten 289 10, 7 | ontijdige vruchten dragen, en de zoutpilaar staande tot 290 10, 10| de toorn zijns broeders, en heeft hem het koninkrijk 291 10, 10| koninkrijk Gods getoond, en kennis van heilige dingen 292 10, 10| gemaakt in zijn arbeid, en zijn moeite vermenigvuldigd.~ 293 10, 11| aandeden, stond zij bij hem, en maakte hem rijk.~ 294 10, 12| bewaarde hem van de vijanden, en maakte hem zeker tegen degenen, 295 10, 12| degenen, die hem lagen legden, en in die sterke strijd heeft 296 10, 14| 14 En in de banden heeft zij hem 297 10, 14| des koninkrijks bracht, en macht over degenen die hem 298 10, 14| wreed behandeld hadden; en heeft betoond dat zij leugenaars 299 10, 14| die hem beschimpt hadden, en heeft hem een eeuwige heerlijkheid 300 10, 15| heeft dat heilige volk, en dat onbestraffelijk zaad 301 10, 16| van de dienaar des Heren, en wederstond de vreselijke 302 10, 16| vreselijke koningen met wonderen en tekenen.~ 303 10, 17| heiligheid voor hun moeite, en heeft hen geleid door een 304 10, 17| door een wonderlijke weg, en is hun geworden tot een 305 10, 17| tot een deksel des daags, en des nachts tot een vlam 306 10, 18| doen gaan door de Rode zee, en heeft hen overgebracht door 307 10, 20| rechtvaardigen de goddelozen beroofd, en hebben, Here, uw heilige 308 10, 20| heilige naam lof gezongen en eendrachtiguw beschermende 309 10, 21| opende de mond der stommen, en de tongen der sprakelozen 310 11, 2 | een onbewoonde woestijn, en in onbegaanbare plaatsen 311 11, 3 | degenen die hen beoorloogden, en oefenden wraak aan hun vijanden.~ 312 11, 4 | 4 Zij hadden dorst en riepen u aan, en hun werd 313 11, 4 | hadden dorst en riepen u aan, en hun werd water gegeven uit 314 11, 4 | uit een steile steenrots, en genezing van dorst uit een 315 11, 8 | 8 En hebt deze gegeven overvloedig 316 11, 11| wel als een Vader vermaand en beproefd, maar genen, scherp 317 11, 12| 12 En beiden, die afwezig en die 318 11, 12| 12 En beiden, die afwezig en die tegenwoordig waren, 319 11, 13| dubbel verdriet beving hen en een zuchten, met de gedachtenis 320 11, 15| die zij, eertijds uitgezet en heengeworpen zijnde het 321 11, 16| 16 En in plaats van de onverstandige 322 11, 16| onvernuftige kruipende dieren en verachtelijke beesten eerden, 323 11, 21| vervolgd zijnde door de wraak, en verstrooid door de geest 324 11, 21| dingen geordineerd bij maat, en getal, en gewicht.~ 325 11, 21| geordineerd bij maat, en getal, en gewicht.~ 326 11, 22| vermogen is altijd bij u, en wie kan de kracht van uw 327 11, 23| aasje uit de weegschalen, en als een droppel van de morgendauw, 328 11, 24| overmits gij alles vermoogt, en gij overziet de zonden der 329 11, 25| alles lief wat daar is, en hebt geen gruwel aan iets 330 11, 26| 26 En hoe zou er wat gebleven 331 12, 2 | langzaam degenen die vervallen, en vermaant hen, hun indachtig 332 12, 4 | bedreven, van toverijen en onheilige offeranden,~ 333 12, 5 | moordenaars hunner kinderen, en die het ingewand van mensenvlees 334 12, 6 | 6 En de bloedeters uit het midden 335 12, 6 | midden van uw goddelijk land, en de ouders, die met hun eigen 336 12, 8 | gij als mensen verschoond, en hebt voorlopers van uw leger 337 12, 10| dat hun geslacht boos was, en hun boosheid hun aangeboren, 338 12, 10| boosheid hun aangeboren, en dat hun gedachten niet zouden 339 12, 12| stellen tegen uw oordeel? en wie zal u beschuldigen vanwege 340 12, 15| alle dingen rechtvaardig, en acht het vreemd te zijn 341 12, 16| beginsel der rechtvaardigheid, en dat gij over allen heerst, 342 12, 17| dat uw macht volkomen is, en wederlegt de stoutheid in 343 12, 18| oordeelt met bescheidenheid en regeert ons met veel verschoning, 344 12, 19| mensen lieftallig moet zijn; en hebt uw kinderen goede hoop 345 12, 20| vijanden uwer kinderen, en die des doods schuldig waren, 346 12, 20| gestraft hebt, gevende tijd en wijze, waardoor zij van 347 12, 21| welker vaderen gij eden en verbonden van goede beloften 348 13, 1 | geen kennis van God is, en hebben uit de zichtbare 349 13, 4 | 4 En is het dat zij zeer verwonderd 350 13, 4 | geweest over hun kracht en werking, dat zij daaruit 351 13, 5 | 5 Want uit de grootte en schoonheid der schepselen 352 13, 7 | omgaande, onderzoeken zij deze, en worden door het gezicht 353 13, 10| het zijn ellendige mensen en al hun hoop is onder de 354 13, 10| hebben genoemd; als goud en zilver kunstig gewrocht, 355 13, 10| zilver kunstig gewrocht, en beelden der dieren, of een 356 13, 11| 11 En indien ook een timmerman 357 13, 11| rondom meesterlijk afschilt, en kunstig daaraan arbeidende, 358 13, 12| werk om spijze te bereiden, en wordt verzadigd.~ 359 13, 13| 13 En het overblijfsel daarvan 360 13, 13| zijnde een hout dat krom en kwastig is, neemt hij, en 361 13, 13| en kwastig is, neemt hij, en als hij ledig is, snijdt 362 13, 13| het met zorgvuldigheid, en maakt daar een beeld van 363 13, 13| ervarenheid zijns verstands, en maakt het eens mensenbeeld 364 13, 14| kleine waarde gelijk is, en bestrijkt het met vermilloen 365 13, 14| bestrijkt het met vermilloen en blanketsel, makende zijn 366 13, 14| makende zijn kleur roodachtig, en overstrijkende alle vlekken 367 13, 15| 15 En hebbende voor datzelve zulk 368 13, 15| zet hij het in de muur en maakt het vast met ijzer,~ 369 13, 16| want het is een beeld, en heeft hulp nodig.~ 370 13, 17| biddende voor zijn goederen, en huwelijk, en kinderen, schaamt 371 13, 17| zijn goederen, en huwelijk, en kinderen, schaamt hij zich 372 13, 18| 18 En dat zwak is roept hij aan 373 13, 18| roept hij aan om gezondheid, en bidt hetgeen dat dood is 374 13, 18| dat dood is om het leven, en hetgeen dat gans onbedreven 375 13, 19| 19 En om een gelukkige reis, hetgeen 376 13, 19| gang niet gebruiken kan, en om gewin, en om werk, en 377 13, 19| gebruiken kan, en om gewin, en om werk, en om hetgeen men 378 13, 19| en om gewin, en om werk, en om hetgeen men met de handen 379 13, 19| met de handen verkrijgt, en om een goede uitkomst bidt 380 14, 1 | toerust om scheep te gaan en voorheeft de wilde baren 381 14, 2 | winst heeft dat bedacht, en de kunstige wijsheid heeft 382 14, 3 | geeft ook in de zee een weg, en in de baren een zeker pad.~ 383 14, 5 | aan een zeer gering hout, en varende door de baren, worden 384 14, 6 | toevlucht tot een schip, en liet de wereld een zaad 385 14, 8 | hetzelve is vervloekt, en ook degene die het gemaakt 386 14, 9 | even hatelijk de goddeloze en zijn goddeloosheid.~ 387 14, 10| 10 En daarom zal hetgeen gemaakt 388 14, 11| een gruwel geworden zijn, en de zielen der mensen tot 389 14, 11| mensen tot ergernissen, en de voeten der onwijzen tot 390 14, 12| het beginsel der hoererij; en hun uitvinding de verderving 391 14, 13| waren van den beginne niet, en zullen in der eeuwigheid 392 14, 14| is in de wereld gekomen, en daarom is hun einde kort 393 14, 15| zijnde, maakte een beeld, en de mens, die toen dood was, 394 14, 15| eert hij nu als een God, en beval degenen, die onder 395 14, 15| waren, godsdienstigheden en offeranden te plegen.~ 396 14, 16| wet onderhouden geweest, en de gesneden beelden zijn 397 14, 17| van hen was, afgebeeld, en hebben een schijnbaar beeld 398 14, 20| 20 En het gemene volk, door de 399 14, 21| 21 En dit is tot een lage geweest 400 14, 21| tirannie dienende, aan steen en hout hebben gegeven de naam, 401 14, 25| elkander vermengd, bloed en moord, dieverij en bedrog, 402 14, 25| bloed en moord, dieverij en bedrog, verderving, ontrouw, 403 14, 26| van het huwelijk, overspel en dartelheid.~ 404 14, 27| noemen, is het beginsel, en de oorzaak, en het einde 405 14, 27| beginsel, en de oorzaak, en het einde van alle kwaad.~ 406 14, 30| aanhangende de afgoden; en dat zij onrechtvaardig met 407 14, 30| onrechtvaardig met bedrog zweren, en de heiligheid verachten.~ 408 15, 1 | onze God zijt goedertieren en waarachtig, lankmoedig, 409 15, 1 | waarachtig, lankmoedig, en in barmhartigheid regeert 410 15, 3 | volkomen gerechtigheid, en uw kracht weten, is een 411 15, 6 | beminnaars van kwade dingen, en zodanige hoop waardig, zowel 412 15, 6 | maken, als die hen begeren, en die hen eren.~ 413 15, 7 | reine werken dienstig zijn, en desgelijks alle, die tot 414 15, 7 | tot onreine werken dienen; en waartoe elk van die beide 415 15, 9 | arbeidt met de goudsmeden en zilversmeden, en dat hij 416 15, 9 | goudsmeden en zilversmeden, en dat hij het de koperslagers 417 15, 9 | de koperslagers nadoet, en acht het een eer te zijn, 418 15, 10| 10 Zijn hart is as, en zijn hoop is slechter dan 419 15, 10| hoop is slechter dan aarde, en zijn leven is verachter 420 15, 11| kent die hem gemaakt heeft, en een ziel hem ingeblazen 421 15, 11| heeft, welke in hem werkt, en hem een geest ingeademd 422 15, 12| achten ons leven een spelen, en de loop des levens een jaarmarkt, 423 15, 13| vaten die licht breken, en gesneden beelden.~ 424 15, 14| zijn allen zeer onwijs, en ellendig boven de zielen 425 15, 15| handen om iets aan te tasten, en welker voeten lui zijn om 426 15, 16| mens heeft hen gemaakt, en die de adem in leen ontvangen 427 15, 18| 18 En eren ook de dieren die de 428 15, 19| 19 En zijn niet schoon om zo zeer 429 15, 19| maar zij zijn de lof Gods en zijn zegen ontvloden.~ 430 16, 1 | dergelijke billijk geplaagd, en door een menigte der beesten 431 16, 4 | onvermijdelijke behoefte overkwam, en dezen alleen getoond werd, 432 16, 5 | der dieren over hen kwam, en zij door de beten der schadelijke 433 16, 8 | 8 En ook daarmee hebt gij onze 434 16, 9 | de beten der sprinkhanen en vliegen gedood, en geen 435 16, 9 | sprinkhanen en vliegen gedood, en geen genezing werd voor 436 16, 10| barmhartigheid kwam hen tegemoet, en genas hen.~ 437 16, 11| gedenken aan uw woorden, en snel weder geheeld, opdat 438 16, 13| gij hebt macht over leven en over dood, gij leidt af 439 16, 13| af tot de poorten der hel en leidt daar weder uit.~ 440 16, 14| 14 En een mens doodt wel een ander 441 16, 16| door ongewone regen, hagel en plasregen onvermijdelijk 442 16, 16| onvermijdelijk vervolgd, en door het vuur verteerd wordende.~ 443 16, 20| gespijzigd met spijs der engelen, en toebereid brood van de hemel 444 16, 20| allerlei vermaking te geven, en allerlei bekwame smaak.~ 445 16, 22| 22 Ook bleef sneeuw en ijs onder het vuur, en versmolt 446 16, 22| sneeuw en ijs onder het vuur, en versmolt niet, opdat zij 447 16, 22| vuur brandende in de hagel en bliksemende in de regen, 448 16, 24| tegen de onrechtvaardigen, en laat hen gedijen tot weldadigheid 449 16, 28| voorkomen om u te danken, en u ontmoeten tegen de opgang 450 16, 29| rijm die des winters valt, en zal wegvloeien gelijk onnut 451 17, 1 | WANT uw oordelen zijn groot en zwaar om te verhalen; daarom 452 17, 2 | gebonden van de duisternis, en geboeid van de lange nacht, 453 17, 4 | weerklanken overvielen hen, en maakten rondom heen gedruis 454 17, 4 | maakten rondom heen gedruis en droevige spokerijen met 455 17, 5 | vermocht hen te lichten, en de glinsterende vlammen 456 17, 6 | vol vrees verscheen hun, en vervaard zijnde voor het 457 17, 7 | toverkunst lagen ook ter neder, en dat zeer smadelijk bewijs 458 17, 8 | de zieke mens de schrik en beroertenis te verdrijven, 459 17, 9 | het ontmoeten der beesten en schuifelen der kruipende 460 17, 10| 10 En weigerende de lucht te aanschouwen, 461 17, 11| door haar eigen getuige, en benauwd zijnde door de conscientie 462 17, 15| wonderlijke spokerijen gedreven en anderdeels bezweken zij 463 17, 15| hunner ziel: want een snelle en onverwachte vrees overkwam 464 17, 19| maakten hen zeer bevreesd en krachteloos.~ 465 17, 20| met helder klaar licht, en was bezig met werken die 466 18, 2 | 2 En achtten die gelukkig, dat 467 18, 2 | nochtans geen schade deden, en smeekten om genade, dat 468 18, 3 | weg der onbekende reis, en een zon, die hen niet beschadigde 469 18, 4 | zij van het licht beroofd en in de duisternis gevangen 470 18, 5 | 5 En als zij beraadslaagd hadden 471 18, 5 | kinderen der heiligen te doden, en een kind van die in het 472 18, 5 | die in het water uitgezet en behouden was, naamt gij 473 18, 5 | menigte hunner kinderen weg, en verdierft hen gezamenlijk 474 18, 7 | 7 En van uw volk is verkregen 475 18, 7 | verlossing der rechtvaardigen, en het verderf der vijanden.~ 476 18, 8 | ons daarmee tot u geroepen en verheerlijkt.~ 477 18, 9 | offerden in het verborgen, en ordineerden de Goddelijke 478 18, 9 | beide derzelver goederen en gevaren tegelijk deelachtig 479 18, 10| 10 En daarentegen klonk een niet 480 18, 10| overeenstemmend gekrijt der vijanden en een erbarmelijke stem over 481 18, 10| verspreidde zich ginds en weder.~ 482 18, 11| 11 En de knecht met de heer werden 483 18, 11| gelijke straf geplaagd, en de gemene man moest met 484 18, 12| 12 En zij hadden gezamenlijk allen, 485 18, 14| als nu alle dingen in rust en stilte waren, en de nacht 486 18, 14| in rust en stilte waren, en de nacht in zijn snelheid 487 18, 16| namelijk uw ongeveinsd gebod, en staande vervulde het alles 488 18, 16| vervulde het alles met doden, en raakte wel aan de hemel, 489 18, 17| van schrikkelijke dromen, en een onverwachte vrees overkwam 490 18, 18| 18 En de een herwaarts, de ander 491 18, 20| rechtvaardigen aangeraakt en is in de woestijn een verbreking 492 18, 21| onstrafbare man kwam haastig en streed voor hen, brengende 493 18, 21| dienst, namelijk het gebed en de verzoening door het reukwerk, 494 18, 21| verzoening door het reukwerk, en stelde zich tegen de gramschap 495 18, 21| zich tegen de gramschap en maakte een einde aan de 496 18, 22| 22 En hij overwon de verderver 497 18, 22| hebbende verhaald de eden, en de verbonden met de vaderen 498 18, 23| beiden, hieuw de toorn af en sneed de weg af tot de levenden.~ 499 18, 24| was het gehele versiersel, en de heerlijkheid der vaderen 500 18, 24| der stenen ingegraveerd en uw grootmogendheid op de


1-500 | 501-523

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License