Chapter, Verse
1 1, 7 | Heren vervult de aarde, en hetgeen alles tezamen houdt heeft
2 2, 6 | tegenwoordige goederen genieten, en hetgeen wij bezitten metterhaast
3 2, 11| der gerechtigheid, want hetgeen zwak is wordt onnut bevonden.~
4 7, 15| te zeggen, en te bedenken hetgeen waardig te de dingen, die
5 8, 9 | wetende dat zij mij zal raden hetgeen goed is, en zal mij een
6 9, 16| en met moeite vinden wij hetgeen onder handen is; wie heeft
7 9, 16| wie heeft dan nagespeurd hetgeen in de hemelen is?~
8 9, 18| de mensen hebben geleerd hetgeen u behagelijk is.~
9 10, 8 | kunnen verbergen, zelfs in hetgeen waarin zij gestruikeld hebben.~
10 11, 26| onderhouden geweest zijn hetgeen door u niet geroepen werd?~
11 12, 11| gaaft gij hun zekerheid in hetgeen waarin zij zondigden.~
12 13, 18| aan om gezondheid, en bidt hetgeen dat dood is om het leven,
13 13, 18| dood is om het leven, en hetgeen dat gans onbedreven is,
14 13, 19| En om een gelukkige reis, hetgeen zelf de gang niet gebruiken
15 13, 19| gewin, en om werk, en om hetgeen men met de handen verkrijgt,
16 14, 10| 10 En daarom zal hetgeen gemaakt is, met degene,
17 15, 17| handen; want hij is beter dan hetgeen hij als god eert, dewijl
18 16, 7 | werd niet behouden door hetgeen hij aanschouwd had, maar
19 16, 21| werd zij getemperd tot hetgeen een ieder wilde.~
20 16, 27| 27 Want hetgeen van het vuur niet verdorven
21 17, 6 | gezien werd, hielden zij hetgeen zij zagen voor erger.~
|