Chapter, Verse
1 1, 12| verderf niet over u door werken uwer handen.~
2 2, 4 | en niemand zal aan onze werken denken, en ons leven gaat
3 2, 12| en stelt zich tegen onze werken, en verwijt ons de zonden
4 3, 11| zijn tevergeefs, en hun werken onnut.~
5 6, 3 | Allerhoogste; die naar uw werken vlijtig vernemen, en uw
6 8, 4 | doet een keuze uit zijn werken.~
7 9, 9 | u is de wijsheid, die uw werken weet, en tegenwoordig was,
8 9, 12| 12 En mijn werken zullen aangenaam zijn, en
9 11, 1 | 1 ZIJ heeft haar werken voorspoedig gemaakt door
10 12, 4 | Omdat zij zeer hatelijke werken bedreven, van toverijen
11 12, 19| 19 Maar door zulke werken hebt Gij uw volk geleerd,
12 13, 1 | door de opmerking zijner werken de werkmeester erkend.~
13 13, 7 | 7 Want met zijn werken omgaande, onderzoeken zij
14 13, 10| doden te rekenen, die de werken der mensenhanden goden hebben
15 13, 19| die met de handen niet werken kan.~ ~ ~
16 14, 5 | 5 Gij wilt niet dat de werken uwer wijsheid ledig zouden
17 15, 7 | hij vaten die tot reine werken dienstig zijn, en desgelijks
18 15, 7 | desgelijks alle, die tot onreine werken dienen; en waartoe elk van
19 17, 17| herder, of een die moeilijker werken doet in de woestijn, zijnde
20 17, 20| licht, en was bezig met werken die niet verhinderd werden.~
|