Chapter, Verse
1 11, 10| hoewel zij in ontferming werden gekastijd, hebben zij verstaan
2 11, 12| die tegenwoordig waren, werden gelijk gekweld.~
3 12, 27| dat zij door deze gestraft werden, hebben zij bekend, dat
4 16, 4 | hoe hun vijanden gepijnigd werden.~
5 16, 5 | schadelijke slangen verdorven werden,~
6 16, 6 | aan het einde, maar zij werden voor een kleine tijd ontroerd
7 16, 9 | 9 Want die werden wel van de beten der sprinkhanen
8 16, 11| 11 Want zij werden als met prikkelen gestoken
9 16, 18| Gods oordeel aangedreven werden.~
10 17, 3 | deksel der vergetelheid, zo werden zij verstrooid, schrikkelijk
11 17, 8 | beroertenis te verdrijven, deze werden zelf ziek aan een vrees,
12 17, 15| 15 Werden eensdeels door de wonderlijke
13 17, 20| werken die niet verhinderd werden.~
14 18, 4 | in de duisternis gevangen werden gehouden, die uw kinderen
15 18, 10| de kinderen die beweend werden, verspreidde zich ginds
16 18, 11| En de knecht met de heer werden met gelijke straf geplaagd,
17 19, 8 | die met uw hand beschermd werden, en zagen wonderlijke wonderwerken.~
18 19, 9 | 9 Want zij werden als paarden geweid en huppelden
19 19, 16| 16 Maar zij werden ook met blindheid geslagen,
|