Chapter, Verse
1 2, 9 | 9 Niemand van ons zij zonder deel te hebben aan onze
2 3, 17| ouderdom zal op het laatste zonder eer zijn.~
3 4, 12| keert een gemoed om, dat zonder kwaad is.~
4 6, 15| harentwil waakt, zal haast zonder zorg zijn.~
5 7, 13| 13 Zonder erg heb ik geleerd, en zonder
6 7, 13| Zonder erg heb ik geleerd, en zonder afgunst deel ik mede: haar
7 11, 21| 21 Ja, zij hadden ook zonder deze dingen door een enig
8 12, 25| gezonden, als over kinderen die zonder verstand zijn.~
9 13, 17| te spreken een ding dat zonder ziel is.~
10 14, 4 | verlossen kunt, opdat ook iemand zonder kunst daarin klimme.~
11 15, 5 | een dood beeld, hetwelk zonder adem is.~
12 16, 20| brood van de hemel gezonden zonder hun arbeid, vermogende allerlei
13 17, 4 | waren, bewaarde hen niet zonder vrees, maar weerklanken
14 17, 16| opgesloten in de kerker zonder ijzers.~
15 18, 19| zij niet zouden vergaan, zonder te weten waarom zij zo veel
16 19, 1 | toorn overviel de goddelozen zonder ontferming tot aan het einde.~
17 19, 7 | uit de Rode zee een weg zonder verhindering, en uit een
18 19, 13| 13 Niet zonder voorgaande tekenen van zekere
|